Nepal

 

  

 

          

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kathmandu, Thamel

Inleiding: Nepal, een bergstaat met een geheel eigen karakter

Nepal  is een relatief kleine bergstaat, die ingeklemd ligt tussen twee reusachtige buren, India in het zuiden en China (Tibet) in het noorden.  Nepal verandert van zuid naar noord over een betrekkelijk korte afstand in drie fasen: van tropisch heet naar gemiddeld warm en nat tot ijzig koud en hoog. In het zuiden, tegen de grens met India, ligt de Terai over de volle breedte van het land. De Terai, waar vroeger malaria volop heerste en waar geen enkele vreemdeling durfde te komen. In het noorden hield de vrijwel ontoegankelijke Himalaya iedere vreemdeling buiten de deur en daartussen ligt de vruchtbare hoogvlakte rond Kathmandu, de Middle Hills.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Kathmandu, Durbar Square

De malaria en moerassen in het zuiden en de enorme muur van sneeuw, ijs en bergen in het noorden maakten dat Nepal altijd een geïsoleerd land is geweest, niet alleen ontoegankelijk van buitenaf maar ook daadwerkelijk gesloten (verboden) voor vreemdelingen. Het land zat tot 1951 feitelijk ‘ op slot’. Dat betekent dat moderne ontwikkelingen tot die tijd ook aan Nepal voorbij gingen: geen auto’s, fabrieken of wegen. Nepal was zeer authentiek en leefde in feite in de Middeleeuwen. Pas toen de grenzen in 1951 open gingen werd het land met een klap de 20e eeuw in geslingerd. Wegen werden aangelegd, van Kathmandu naar de grens met India (betaald door India) en van Kathmandu naar Pokhara (betaald door China). De auto deed zijn intrede: de ontwikkelingen naar de moderne tijd konden ook voor dit land beginnen. De afsluiting van het land tot ruim 65 jaar geleden heeft Nepal tot een land met een eigen karakter gemaakt, zonder de Engelse invloeden die je in grote delen van Azie, zoals b.v. in India en Maleisië, tegenkomt. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nepal is een samensmelting van vele kleine staatjes, culturen en volkeren. De historische koningssteden Kathmandu, Patan en Bhaktapur, die met elkaar wedijverden in macht, prachtige gebouwen, paleizen, tempels en huizen, werden ooit verenigd en dit verenigde rijkje wist in de 18e eeuw de rest van Nepal aan zich te binden. De genoemde historische steden zijn pareltjes en trekken veel cultuurgeïnteresseerde bezoekers. Daarnaast heeft Nepal het bergwandelen uitgevonden: trekkings van enkele dagen tot enkele weken door de onherbergzame Himalaya gebieden, zoals Mount Everest en Anapurna, iedere dag zo’n twintig kilometer wandelend door het woeste berglandschap, waar ’s avonds altijd een overnachtingsplaats wacht. Dit is een uniek concept dat bergwandelen gedurende langere tijd mogelijk maakt en  het trekt dan ook heel veel sportievelingen naar het land.

 

   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Middle Hills, de hoogvlakte in centraal Nepal trekt veel bezoekers vanwege de ongekende natuurpracht:  de vlakte wordt doorsneden met talrijke, vaak steile smalle bergruggen en diepe kloven en dalen.  Tot slot is het zuiden, de Terai, aantrekkelijk vanwege de jungle en haar bewoners, die je o.a. in het NP Chitwan kunt opzoeken. Dit alles maakt Nepal tot een aantrekkelijk afwisselend land. Ongeveer 1 miljoen Nepalezen zijn op een of andere manier afhankelijk van het toerisme.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kathmandu, Swayambunath

Het standaardrondje Nepal is een start in Kathmandu, Kathmandu Vallei met o.a. Bhaktapur en Nagarkot, vervolgens Pokhara en Anapurna trekking, Chitwan NP en weer terug naar het oosten, naar Kathmandu. Wij hebben dit rondje min of meer ook gemaakt, met enkele minder standaard uitstapjes naar o.a. Mustang en Lumbini. We verplaatsen ons per auto. Een auto met chauffeur is uiteraard wat duurder, maar we kunnen stoppen en gaan en staan waar we wensen en je ziet heel wat in de dorpen onderweg. Wij vinden dat prettiger. De chauffeur werd pas op het laatste moment besteld, wij bepaalden van dag tot dag met wie we zouden reizen en waarheen. In Nepal is dat geen enkel probleem.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vlucht Amsterdam – Kathmandu en aankomst in Kathmandu.  

Van het vliegveld Tribhuvan, vernoemd naar een vroegere koning, rijden wij naar het Kumari Boutique Hotel  in Kathmandu, onze overnachtingsplek voor de komende vier dagen. Onmiddellijk worden we meegezogen in de gekte en idiote drukte van Kathmandu. De hoofdstad van Nepal  met bijna 1 miljoen inwoners, verschilt in bijna niets van andere Aziatische metropolen: veel brommertjes en scooters die als mieren in een mierenhoop overal tussendoor slingeren en maken dat auto’s niet snel vooruit kunnen komen. Veel herrie en gekte. De luchtvervuiling is ook hier groot. Mensen rijden en lopen allemaal met mondkapjes voor. Azië ten voeten uit.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Verder is Kathmandu natuurlijk ook een beetje een exotische stad, waar alles nogal anders gaat dan bij ons. Het nieuwe deel mag ons niet zo bekoren. Het heeft zeker niet dat magische en excentrieke dat het in de zestiger jaren van de vorige eeuw blijkbaar had, toen hippies uit het westen de stad ontdekten. Via land (Turkije, Iran, Afghanistan) naar Nepal, dat was in die dagen het summum. Ze streken neer ten zuiden van Durbar Square in de oude binnenstad. De straat waar veel van hen woonden wordt nog altijd Freak Street genoemd. In 1975 werden zij allemaal het land uitgezet: Nepal, dat pas kort voor de komst van de hippies zijn eigen grenzen voor de wereld had geopend, had genoeg van deze  in hun ogen vreemde gasten. Vandaag de dag zie je duizenden jonge toeristen die in navolging van de hippies naar Kathmandu komen vooral terug in Thamel, de toeristenwijk die even ten noorden van het oude centrum ligt. Daar ligt ook ons hotel: het Kumari Boutique Hotel, een uitstekend en gerieflijk hotel, niet ver van de drukte van Thamel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

We maken, nadat we ons geïnstalleerd hebben op onze kamer, een wandeling door Thamel. Het is even wennen , want je wordt voortdurend bijna van je sokken gereden door een onophoudelijke stroom brommers en scooters. Maar sfeervol, rommelig, oud en gezellig is het er wel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kathmandu, Thamel en Durbar Square

De volgende dag wandelen we eerst naar The Garden of Dreams, via de drukke Tredevi Marg. Het is bijzonder levendig op straat, zoals altijd. Een kakofonie van auto’s, scooters vooral die overal langs glippen en vaak ineens toeterend voor je opduiken. Mensen zijn in beweging en aan het werk, afval en bouwmaterialen die men niet direct meer nodig heeft liggen overal. Een bedelende vrouw met een baby en peuter heeft zich geïnstalleerd op de stoep. De peuter drentelt wat rond, zij heeft hier niets! Voor hen moet het hier wel heel ongezond zijn, want door de droge tijd stuift het stof en vuil hoog op en vliegt door de straten. De meeste mensen hebben hier dan ook een mondkapje voor. Terecht!

 



 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Garden of Dreams is een mooie kleine tuin, in de jaren twintig van de vorige eeuw aangelegd. De tuin verloederde maar werd vanaf 1955 gelukkig weer mooi opgeknapt. Een oase van rust in de hectiek van grootstedelijk Kathmandu. We drinken op een tuinterrasje een glas lassi en genieten van de stilte.

We lopen terug, de wijk Thamel in. Dit is de eigenlijke hotspot van de stad. Zeker voor de vele toeristen, voornamelijk cultuurliefhebers, wandelaars en klimmers. Jonge mensen dus en de wijk straalt dat ook uit. Het is er heel toeristisch, maar ook erg leuk om er doorheen te wandelen en te genieten van de architectuur van de oude huizen. Thamel kwam in opkomst toen de hippies, die bij Durbar Square – enkele kilometers zuidelijker – zaten, moesten ophoepelen van de regering. Nu lopen de nieuwe hippies hier rond. Er zijn behalve de vele winkeltjes en restaurants, scholen waar je Tibetaans schilderen kunt leren,plaatsen  waar  je  allerlei therapieën kunt volgen en je trip door Nepal kunt laten verzorgen (vooral de populaire trekkings), duistere winkeltjes met oosterse snuisterijen en allerlei kruiden. De geur van patchouli komt me tegemoet en ik associeer deze sterke kruidige geur onmiddellijk met de hippies in het westen, in de jaren zestig, die ook waren omgeven met patchouli (het is een nogal sterke geur die lang blijft hangen en kon dus de geur van cannabisgebruik gemakkelijk maskeren).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

We gaan naar Durbar Square. Alle drie koningssteden hebben zo’n Durbar Square, van oudsher het centrum van de macht met fraaie tempels, paleizen en andere belangrijke gebouwen. Alle drie zijn ze ook zwaar beschadigd door de aardbeving van april 2015, die van Kathmandu misschien wel het meest. We schrikken een beetje als we het plein oplopen, veel puin, veel is afgedekt of er wordt alweer aan herstel gewerkt achter plastic afscheidingen, maar de sfeer is onmiskenbaar geweldig en die leidt ons meteen af. Wat verderop het plein is er wat meer onbeschadigd gebleven. Bij de magnifieke Taleju Mandir scharrelen de bekende duiven, die – als iemand hard in zijn handen klapt – opschrikken en wegfladderen, wat een mooi beeld geeft. Bij de Jaganath Mandir is een kleurrijk druk. We zitten hier een hele tijd om alles gade te slaan en maken natuurlijk de nodige foto’s.

 

    

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Patan

Tegen het einde van de middag lopen we aan de noordkant het plein af en duiken meteen de zeer oude smalle straatjes van het oude centrum in. We lopen langzaam want er is veel te zien op straat. Ook weer de nodige kleinere tempeltjes en oude huizen. Hoewel het hemelsbreed niet meer dan anderhalve kilometer naar ons hotel moet zijn, verdwalen we op een gegeven moment toch. Drie Nepalezen die wij om informatie vragen, maken zich met elkaar druk over de vraag waar het Kumari Boutique Hotel is. Ze komen er niet uit, en wij ook niet. WE bestellen een taxi, die het door ons gegeven telefoonnummer van Kumari toetst en de aanwijzingen van het hotel volgend naar het hotel rijdt. Het is slechts een paar honderd meter verderop.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Swayanbunath, Pashupatinath, Bouddhanath en Patan

Drie echte mustdo’s in Kathmandu zijn de Swayanbunath, de Pashupatinath en de Bouddhanath. De machtige stupa van Swayanbunath ligt op een groene heuvel in het westen van Kathmandu. De ogen van Boeddha die op alle vier de kanten van de stupa staan afgebeeld kijken al eeuwen over de vallei uit. Pelgrims nemen een steil pad vanaf de toegangsweg naar boven (driehonderd treden), maar wij rijden nog iets verder (en hoger) en parkeren daar. De stupa ligt in een bebost gebied en we wandelen naar boven langs de vele stalletjes. Boven aangekomen zijn we eerst getuige van een ritueel rond een klein jongetje, dat zijn tranen niet kan bedwingen. Om hem heen vele mensen die joelen en druk doen. Geen idee wat dit is, maar even later is alles weer rustig. Het is hier sereen, zoals al dit soort plaatsen, maar hier en daar wel druk door de vele mensen: pelgrims vooral, plaatselijke bezoekers en een handvol toeristen. We hebben hier ook een prachtig uitzicht over een deel van Kathmandu en goed te zien is hoe de stad alsmaar uitdijt. Er zitten hier heel veel apen en zwerfhonden. Ze horen bij dit soort plaatsen en ze doen je overigens niets.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Patan

Patan is een drukke stad met ongeveer 250.000 inwoners, die aan het zuiden van Kathmandu is vastgegroeid. Een stad, die van oudsher de ‘Stad der Schoonheid’ wordt genoemd. De drie koningssteden rondom Kathmandu steden werden in de dertiende eeuw gesticht door de nakomelingen van de machtige hindoeïstische koning Jayashithi. Elke stad vormde het centrum van een eigen koninkrijk die met elkaar wedijverden op het gebied van kunst en architectuur. Dit is tegenwoordig nog steeds te zien aan de prachtig versierde tempels, paleizen en andere gebouwen op en rondom de Durbar Squares in de drie steden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Durbar Square in Patan is een World Heritage Site en kent vele beroemde bezienswaardigheden en een unieke architectuur. Krishna Mandir, Bhimsen Tempel, Hiranya Varna Mahabhihar zijn slechts enkele tempels die zeker een bezoekje waard zijn. Ook hier is men druk bezig met herstel/herbouw van beschadigde monumenten. Ik vind deze Durbar Square erg mooi, sfeervol ook. In de straatjes achter het plein zie je veel historische panden, tempeltjes, kloosters ook vooral, en andere gebouwen.

Vervolgens rijden we terug naar Kathmandu, waar in het oostelijk deel van de stad (niet ver van het vliegveld) Pashupatinath ligt.

 

 

 

Pashupatinath is een heel bijzondere plaats. Het is een uitgestrekt tempelcomplex, een heilige plaats van de god Shiva. Hier vindt je aan de oevers van de rivier de Bagmati de logementen van de pelgrims en de zogeheten crematie-ghats, de lijkverbandingsplaatsen. Als westerling (niet-Hindoe) mag je niet overal komen, maar vanaf de overkant van het riviertje kun je alles goed zien.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pashupatinath

Er vinden altijd wel verbrandingen plaats en de as wordt later over het sterk vervuilde riviertje gestrooid. Als wij binnenkomen worden we meteen geraakt door de serene sfeer. Eigenlijk zijn we pottenkijkers bij een intiem ritueel, wat de verbranding van hun geliefde voor de nabestaanden toch is. Toch denkt men er hier allemaal anders over. We mogen kijken, en we hebben zelfs een paar foto’s kunnen nemen, hoewel dit eigenlijk niet de bedoeling is. Maar discreet genomen, zullen we maar zeggen. De plek vinden we mooi, het riviertje stroomt mooi weg het bos in en het klooster mag er ook zijn. We wandelen terug. Een nep Saddhu, die zichzelf beschilderd heeft om geld te verdienen aan foto’s die van hem gemaakt worden door toeristen, maakt van veraf al ‘ ik wil geld-bewegingen’, maar we lopen hem gewoon voorbij. Niet voor ons, deze nep.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bouddhanath vinden we eigenlijk wel de mooiste plek van vandaag, en zeker de meest authentieke en exotische. Het is een grote stupa die in een oostelijke wijk van Kathmandu (Bouddha) ligt, met in een cirkel er omheen gebouwd de pastelkleurige kloosters en huizen, in Nepalees/Tibetaanse stijl. Het heet hier Little Tibet. Het straatbeeld is kleurrijk en zeer druk. Oudere Tibetanen zijn nog bijzonder religieus en lopen rond en over de stupa, hun rituele handelingen uitvoerend. Zij weten precies hoe en in welke volgorde dit moet gebeuren. Ik hoor Tibetaanse gezangen, mantra’s: spreuken die worden gezongen en die zich eindeloos herhalen. Ik ruik allerlei exotische geuren. Op de stupa zelf kun je wandelen, met de klok mee je cirkel trekken. De ogen van Boeddha lijken je overal te volgen. Kleurige gebedsvlaggen tegen een strakblauwe lucht. Wat een fantastische ambiance! Dit is een van de grootste Tibetaanse boeddhistische centra ter wereld. Grote groepen Tibetanen hebben zich hier na de brute inval door China in Tibet in de jaren vijftig van de vorige eeuw gevestigd. De wijk om Bouddhanath heen is zeer druk, vuil, stoffig en vies. Door de rook en verontreiniging heen zie ik de auto’s en scooters rijen- en rijendik langzaam voort kruipen. Nepal mag dan iets minder ‘erg’ zijn dan India qua vervuiling, hier in deze wijk wordt New Delhi volgens mij toch echt bijna overtroffen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Bouddhanath (Little Tibet)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dulikhel  en Namobudda Monastery

Wij rijden de dag er na Kathmandu uit over de weg naar Bhaktapur. Het is een brede, bijzonder drukke weg. Na Bhaktapur, dat we nog zullen bezoeken, begint het platteland. Het is hier meteen heel anders, zeker als we van de hoofdweg (die naar Mount Everest en Tibet leidt) afdraaien. Over een smalle kronkelende landweg rijden we tussen de rijstterrassen en de heuvels. We zien mooie vier of vijf verdiepingen tellende huizen tussen de velden. Misschien in het kader van wederopbouw hier neergezet? De dorpen zijn wat armer, kleine onderkomens, basic. Wij passeren het dorp Dhulikhel en bereiken daarna Namo Buddha, een al weer heilige plek. Hier zou Boeddha zichzelf zou hebben opgeofferd om een hongerige tijgerin en haar welpen het leven te redden. Zoveel opofferingsgezindheid, dat is wel een heilige plek waard. Het klooster is een groot klooster, gebouwd in de stijl die je in Nepal en Bhutan wel vaker ziet. Rood met witte buitenkant.  Het ligt in een prachtig decor van heuvels, terrassen en de Himalaya op de achtergrond. Als wij bij het klooster aankomen, lopen alle monniken net naar de eetzaal, het is een drukte en levendigheid van belang. Wij beklimmen vele trappen om alle vertrekken inclusief eetzaal te kunnen zien. Opvallend dat jou als toerist niets wordt gevraagd, je mag gewoon (bijna) overal komen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In een dorp in de buurt staat ook weer een belangrijke stupa. Het straatje erheen is weer omzoomd met stalletjes vol met prullaria of eten. De sfeer is heel authentiek. In een eettentje in een ander dorp vlakbij gebruiken we een eenvoudige Nepalese maaltijd. Ik raak in gesprek met een wat oudere man. Hij woont in Panauti, vertelt hij en hij wandelt iedere zaterdag van Panauti naar Bhaktapur, halverwege stopt hij dan voor de lunch. Een afstand van twintig kilometer, dwars door de velden en terrassen.  In het begin verdwaalde hij nog wel eens en dan ben je nergens, zegt hij. Je komt dan niet zo makkelijk de bewoonde wereld weer in. Gelukkig kom je op een gegeven moment altijd wel een local tegen die je kan helpen. Er valt hier geen sneeuw, maar in de regentijd (hij loopt dan gewoon zijn wekelijkse tocht) moet je alle zeilen bijzetten om hier te kunnen wandelen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Dulikhel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Namobudda klooster

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bhaktapur

Bhaktapur is de ‘Stad van de Gouden Tempels', de andere oude koningsstad. Een sprookjesachtig plaatsje. Dit kleine stadje met een wirwar aan smalle steegjes en verschillende mooie pleintjes ademt nog de sfeer van de Middeleeuwen. Op één van de leuke terrasjes kun je hier het Nepalese dagelijks leven gadeslaan. Wanneer het merendeel van de toeristen ’s avonds terugkeert naar Kathmandu komt die sfeer pas goed tot zijn recht.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Bhaktapur

Dit laatste is dan ook de reden dat wij heel bewust een overnachting in Bhaktapur hebben geregeld. Ons mooie hotel ligt twee meter van de muur die Durbar Square omringt. Vanuit onze kamer kijken we op Durbar Square. Overdag is het hier inderdaad bijzonder druk, maar dat is begrijpelijk. Bhaktapur is het best bewaard gebleven, mooi gerestaureerd en kent een geweldige sfeer. Een bijzonder mooi stadje. De stad zelf is groot (80.000 inwoners en vrij uitgestrekt), maar het oude centrum is goed te belopen. Toch zijn wij hier nog vele uren mee bezig.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Durbar Square uiteraard, Pottery  Square, en door de kleine middeleeuwse straatjes naar Dattatraya  Square met het bijzonder fraaie Dattatraya Mandir. Het ligt iets verder weg, maar dit moet men zeker niet overslaan! Het is hier schitterend, alsof we in een Oosters sprookje rondlopen. We bevinden ons in een ander decor uit een andere tijd.  Veel houtsnijwerk aan de prachtige huizen, mensen met handelswaar, kippen, geiten, vrouwen die graan waaieren. Op de terugweg naar Durbar Square wordt het steeds rustiger. De zon gaat bijna onder. Geen toerist meer te zien en nog enkele locals. Als we over Durbar Square teruglopen richting hotel is het bijna donker, het plein is bijna verlaten op de zwerfhonden na. Zij worden wakker en hun nacht begint. Het plein is nu van hen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

          

 

Bhaktapur – Kathmandu - Bandipur      

De volgende dag rijden we de weg van Kathmandu naar Pokhara. Pokhara is de tweede belangrijke toeristenstad  in Nepal. Het ligt slechts 150 kilometer van Kathmandu, maar de reis duurt zeker tien uur.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gemiddeld leg je in Nepal met de auto twintig kilometer per uur af. Ten eerste komt dit door het bergachtige landschap. De wegen zijn erg bochtig, ze slingeren omhoog en omlaag. Er zijn weinig doorgaande wegen in Nepal. Niet alleen jij, maar ook alle vrachtverkeer (per definitie al tergend langzaam verkeer) en de vele bussen moeten er langs. Al het langzame  verkeer van de dorpen maakt ook gebruik van de weg en het dagelijkse dorpsleven speelt zich eveneens langs de  doorgaande wegen af. Kinderen, oude mensen, honden, geiten, koeien, werkende mensen, kletsende mensen, alles gebeurt langs de kant van de weg. Dit betekent dat het verkeer vaak hevig en plotseling moet afremmen.  Er gebeuren nogal wat ongelukken. Heb je de pech dat je ‘achter’  zo’n ongeluk zit, dan is er geen doorkomen meer aan. Dat alles nog functioneert in dit land met bovendien dichtslibbende vervuilde steden is een wonder, want rijden en je verplaatsen is echt een crime. Maar uiteindelijk kom je er altijd en wat je onderweg ziet, is de moeite waard. Zeker de natuur die je tegenkomt maakt enorm veel indruk: bergen, dalen, bossen, rijstterrassen, oude dorpen en steden, iedere minuut is er onderweg wel iets te beleven.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wij doen het traject Kathmandu – Pokhara in twee gedeelten: eerst naar Bandipur, zo ongeveer halverwege (reisduur: 6 uur) en de volgende dag naar Pokhara. Bandipur ligt In een heuvelachtige, landelijke omgeving. Het is een stadje dat je bereikt na een acht kilometer lange klim vanaf de doorgaande weg Kathmandu – Pokhara. Een weg vol met haarspeldbochten. Een spectaculair ritje weer. Bandipur ligt op een bergkam en heeft smalle straatjes met traditionele Newarihuizen.  We wandelen na onze installatie in het hotel aan de hoofdstraat (een mooi hotel in een oud Newaripand, waar je je hoofd voortdurend dreigt te stoten omdat de deuropeningen laag zijn) door het dorp. We genieten van de authenticiteit van dit dorp, rondlopende kippen en de vele nieuwsgierige blikken. We klimmen naar boven naar een klein klooster en we hebben een prachtig uitzicht. De volgende dag gaan we weer verder, maar niet nadat we een rode stip op ons voorhoofd krijgen (deze moet reizigers tegen onheil beschermen) en bloemetjes.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bandipur - Pokhara   

Pokhara is de op een na grootste stad van Nepal met ongeveer 270.000 inwoners. De stad ligt aan het Phewa meer waar je met een roeibootje naar het eilandje met de tempel van godin Varahi kunt varen.  Je kunt  ook heerlijk relaxen op één van de gezellige terrasjes aan de oevers van het meer of je laten masseren in één van de massagesalons.  Het oude centrum ligt tien kilometer verderop. Pokhara is een bijzonder uitgebreide stad.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Pokhara

We bereiken de stad ergens in de middag. We hadden begrepen dat het hier, na Kathmandu, een oase van rust zou zijn en dat je hier heerlijk kunt relaxen. Wij rijden echter het centrum in en belanden in een grote wanordelijke file. Het is een herrie van jewelste. Niet het vredige plaatsje aan een mooi meer, dat we hadden verwacht. Uiteindelijk belanden we in Lakeside, waar ons hotelletje staat (vlakbij het meer) en waar het inderdaad iets rustiger, maar nog best wel toeristisch is. We wandelen door de straat die vier kilometer langs het meer loopt, met restaurantjes en winkels. We belanden in een schaduwrijke tuin aan het meer en drinken hier onze zoveelste lassi. Verder doen we niet zo veel meer deze dag.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Bandipur                                                                                                                                                Pokhara, Lakeside

De volgende ochtend bestellen we een taxi om ons naar Peace Dragon Lodge te laten rijden. Eerst halverwege bij het immigratiebureau een visum voor Mustang halen, dat ons na een half uur al verstrekt wordt. Zo snel hadden wij het niet verwacht! Tachtig dollar armer, rijden we met dezelfde taxi naar boven en de chauffeur zet op ons op een parkeerplaats halverwege de berg af. Hij vraagt ineens 2200 rupee voor de rit, terwijl 1500 was afgesproken (later horen we dat 800 de echte prijs is voor deze rit). Hier profiteren we toch wel van onze reiservaring. De chauffeur houdt voet bij stuk, maar wij ook en we lopen gewoon weg. De man heel boos achterlatend. Gewoon doen, want dit was pure afzetterij.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De klim naar Peace Dragon Lodge blijkt (althans voor ons) nog een behoorlijk forse en inspannende klim te zijn. Er komt geen eind aan en we zwoegen en hijgen. Het is daarbij ook nog eens bijna 30 graden. Dit valt even heel erg tegen.  Eenmaal boven aangekomen blijkt de aantrekkingskracht van deze lodge meteen al. Je hebt overal, dus 360 graden, een fenomenaal uitzicht op het meer ver beneden je, Lakeside en de besneeuwde toppen van het Annapurna massief. Het guesthouse word gerund door Juliette, een vriendelijke Engelse dame die een zeer huiselijke sfeer heeft neergezet. Naast de lodge ligt de World Peace Pagoda.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Mustang, Jomsom

Juliette praat graag met de mensen. Zo vertelt ze ons dat ze is gebeten door een van de straathonden beneden. Ze moet nu vervelende inenting tegen rabies gaan halen. De honden worden soms opgegeten door een sneeuwluipaard, dat niet te beroerd is om uit de nog hoger gelegen streken af te dalen om een hond te verschalken.  Terug in Nederland lezen we in de media dat een luipaard zelfs een kind van vier jaar heeft gedood in Nepal. Dit is dus de realiteit hier in deze afgelegen streken.

 

 

 

 

De dag erna dalen we weer af naar Pokhara. De chauffeur moet plotseling remmen voor de zoveelste kamikazeactie van een medeweggebruiker. Hij draait het raam open en begint hem uit te foeteren. Dan keert hij zich om naar ons: met rustige stem vertelt hij dat hij de weggebruiker vroeg ‘ if he was a monkey’  (als je zoiets doet, moet je wel een domme aap zijn). Hij excuseert zich tegenover ons voor zijn uitval van zojuist. Het tekent de mentaliteit van de Nepalees: meestal beschaafd en voorkomend, maar af en toe is boosheid, vooral in het verkeer, niet altijd te bedwingen, en daarna excuses aan andere mensen voor zijn uitval. We betrekken in de stad een zeer fraaie kamer in het Dhalia Boutique Hotel  en we wandelen wat, eten een hapje. Kortom, we doen het rustig aan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nog een opmerking over de algemene sfeer in Nepal. Nepalezen heten heel vriendelijk te zijn. Ik zou hen eerder bescheiden en onderdanig willen noemen, soms ook ronduit nors en gesloten. Nepal is een verzameling van een honderdtal etnische groeperingen met een eigen dialect en eigen subcultuur. Dat maakt dat de sfeer overal weer anders is, maar altijd wel prettig. Nepal heeft een bloedige geschiedenis. Nog kort geleden woedde er een guerrillaoorlog (maoïsten) en in 2001 werd het gehele koningshuis vermoord. Sinds de nieuwe grondwet gaat het de goede kant op in Nepal, langzaam. Het is een nog broze en zwakke democratie.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Mustang, Marpha

Mustang

Mustang ligt tussen Nepal en Tibet in, hoog in de Himalaya. Dit voormalige Tibetaanse koninkrijkje is, net zoals grote broer Tibet door China is ingelijfd, ingelijfd door Nepal. Veel invloed kon Nepal er nooit uitoefenen omdat het veel te excentrisch gelegen was (zelfs nu kost het nog moeite om er te komen), zodat de Mustangse koning en de bewoners min of meer hun gang konden  blijven gaan. De laatste koning overleed ruim een jaar geleden (medio 2017).  Nog altijd beschouwen veel  Mustangers Nepal als ' dat andere land daar beneden'. Het is een nogal moeilijk toegankelijk gebied. Je komt er alleen met het vliegtuig. Jomsom heeft een klein vliegveldje dat naast de (enige) dorpsstraat ligt, een hek scheidt de startbaan van de dorpsstraat.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voor wandelen moet je hier forse bedragen neertellen. Mustang wordt dan ook nog maar mondjesmaat bezocht. Tot 1992 was het voor buitenlanders zelfs helemaal verboden gebied.  Na de landing in het dorpje Jomsom (dat bestaat uit een lange stoffige straat) is er eerst nog iets van land- en tuinbouw te zien (veel appels), maar verderop is het een grote stoffige winderige steenwoestijn. De dorpen zijn bijna middeleeuws.  De stapels hout liggen al op alle daken, de winter komt er immers aan. In Marpha en Kagben en ook in de ‘ hoofdstad’  Lo Manthang is het heel fraai wandelen. Deze dorpjes zijn wel heel basic. Een bergstroompje kabbelt onder de straat door. Hier en daar is een straattegel weggelaten en daar kunnen de bewoners dan hun was in het beekje doen. Er zijn veel uitingen van het Tibetaans boeddhisme te zien. Het leven is hier bijzonder hard en in de winter is het bijna onmenselijk koud. Het is hier op en top Tibetaans wat cultuur en landschap betreft. Middeleeuws bjina, authentiek en de mensen nog zeer traditioneel en gelovig.  Het regent in deze dorre steenwoestijn bijna nooit, omdat Mustang in de regenschaduw van de Himalaya ligt. Dat maakt wandelen tot een bijzondere en aangename ervaring, ondanks het forse bedrag dat je voor een permit moet betalen, als je dit wilt doen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Na de inval door China in Tibet in 1950 vluchtten vele Tibetanen naar India maar ook naar Mustang. Daar hielden zij zich bezig met guerillatrainingen, die werden betaald en gegeven door de Amerikaanse CIA. Dit was China een doorn in het oog en onder grote druk besloten Amerika en Nepal om er een einde aan te maken en het gebied hermetisch af te sluiten voor bezoekers. In 1992 werd het beleid versoepeld. Trekking werd steeds populairder en kwam ook hier tot bloei. Het verschafte een aantal mensen werk, nog steeds. Geweldig loopt het niet. Er is veel aanbod: iedere Mustanger wil zo’n trekking wel organiseren of biedt een slaapplaats aan, maar de vraag is een stuk kleiner.  Er komen mondjesmaat toeristen. Om het in de hand te houden (er mochten ook niet weer te veel mensen naar binnen, men wil het ontmoedigen) betaal je vrij forse bedragen om binnen te komen. Wandelaars betalen zo’n 500 dollar. Zo haal je dus een selectief, oprecht geinteresseerd publiek binnen. Wij betaalden ‘ slechts’  80 dollar omdat wij niet wandelden (en dus niet overall konden ‘ potten kijken’), maar met de jeep een deel van het landje hebben verkend. Dit beperkte ons enigszins in onze actieradius (de ‘ wegen’  bereiken maar een paar dorpen), maar we hielden de kosten wel in de hand, en we hebben best veel  gezien.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wij vonden Mustang  een bijzonder landje met een ongeëvenaard mooi en woest landschap, waar de wind ons bijna omver blies. De sfeer is haast magisch. Dit is een compleet andere wereld. Het leven hier op grote hoogte is zeer hard, zo veel is ons wel duidelijk geworden. Samen met de Tibetaanse sfeer en mystiek, de stilte die slechts wordt onderbroken door de gierende wind en de bel van een yak, gaf Mustang ons een ver-weg-van-het-gebaande pad-gevoel. Jomson, Marpha, Dhumba Lake, Muktinath zijn met de jeep te bezoeken. Dat hebben wij ook gedaan. Voor het overige deel van dit landje moet je echt de benenwagen nemen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Jomsom

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De vlucht van Pokhara naar Jomsom met een klein vliegtuigje van Yeti Airlines duurt slechts twintig minuten, maar is spectaculair te noemen. De vlucht zouden we nog wel tien keer over willen doen. Nadat je in Pokhara bent opgestegen (en aanvankelijk hoog boven de grond vliegt) wordt het landoppervlak onder je alsmaar hoger (en wordt de afstand tussen vliegtuig en de ‘grond’  steeds kleiner) zonder dat het vliegtuig van hoogte verandert. Je schuift ongemerkt de vallei van Jomson binnen,  waarbij de toppen van de bomen bijna worden geraakt.  Eerst vlieg je langs de bergreuzen van het Annapurnamassief en daarna door een betrekkelijke smalle kloof. Bijzonder om hier doorheen te vliegen.  De aankomst (landing) is dan ook spectaculair te noemen. Het is een van de mooiste vluchten die we ooit hebben gemaakt. En dan te bedenken dat we hem op de terugweg ook weer zo mogen maken….

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Tashi Palkhel

 



 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Van Jomsom naar Pokhara.

De terugvlucht, vroeg in de ochtend, is weer even spectaculair als de heenvlucht. In Pokhara nemen we opnieuw onze intrek in Dahlia Boutique Hotel in Pokhara. ’s Middags brengen we een bezoek aan een nederzetting die wordt  bewoond door Tibetaanse vluchtelingen. Het oord heet Tashi Palkhel en er staat een mooi klooster, het Jangchub Choeling klooster. Het is zondagmiddag en er heerst een serene rust. Oude Tibetaanse vrouwen en mannetjes scharrelen er rond, doen hun gebeden of zitten rustig op een bankje. Enkele monniken (jonge jongens nog) krijgen les in tandenpoetsen (!) en in de tempel is een kleine ceremonie die we bijwonen. Een leuk middagje waarbij we de tijd nemen voor alles om het goed op ons te laten inwerken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Lumbini

Lumbini

De lange weg, die van Pokhara via de Middle Hills naar Lumbini voert, gaat weer door bergachtig – en dus landschappelijk mooi – gebied. Onderweg passeren we Tansen, een mooi bergdorp. De weg is wederom slecht en wordt eigenlijk steeds slechter wanneer we de bergen verlaten en de vlakte van het zuiden, de Terai,  in rijden. Zeker bij de nogal grote steden Butwal en Siddhartanagar, aan de grens met India.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Lumbini is een onooglijk plaatsje, enkele kilometers verwijderd van de grens tussen Nepal en India. Een verzameling kleine huisjes langs een doorgaande weg, met knusse rommelige erven, waarop altijd wel mensen en vee rondscharrelen. Enkele kleine hotels en winkeltjes completeren het oord. Lumbini zou totaal onbekend zijn gebleven als men rond 1970 niet bedacht had dat de geboorteplaats van Boeddha meer grootsheid en bekendheid verdiende.  Hier moest een indrukwekkende wereldplek van te maken zijn. Want zoals de Christenen hun Bethlehem hebben en de moslims Mekka, zo hebben de Boeddhisten recht op hun Lumbini, was de terechte gedachte.  Lumbini ontwikkelde zich – met behulp van veel buitenlands geld - tot de belangrijkste bedevaartplaats voor Boeddhisten. Vlakbij het dorpje verrees op een immens terrein een eerbetoon aan Boeddha, dat beslist de moeite van een bezoek waard is.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Lumbini is de plaats waar Siddharta Gautama Boeddha als prins werd geboren. De meningen over zijn geboortejaar lopen nogal uiteen, van 650 tot 480 vóór Christus. Maar over één ding is iedereen het eens: hij werd zeker wel tachtig jaar. Boeddha werd geboren in een tuin in Lumbini en woonde tot zijn 29e in de gemeente Kapilvastu,  twintig  kilometer ten oosten van Lumbini. Prins Siddharta Gautama leidde een zorgeloos leven. De verwende jongeman begon op zijn 29e na te denken over het leven. Zo vroeg hij zich af of ‘dit alles was’. Hij wilde zien hoe het 'echte' leven buiten het paleis was. Stiekem ging hij 's nachts met zijn bewaker de stad in.

Hij zag daar een oude man, een zieke man en een dode man. Hij had dit nog nooit gezien en hij kreeg te horen dat alle mensen oud worden, ziekten oplopen en doodgaan. Het leven is dus eigenlijk lijden, dacht Siddhartha. Hij verliet het paleis en ging als een monnik in de bossen van India leven om te zien of zelfpijniging en geheelonthouding een einde van het lijden kunnen betekenen. Tijdens deze vrijwillige verbanning werd hij regelmatig nogal hinderlijk gestoord door drie mannen Twijfel, Pret en Trots en door drie vrouwen Lust, Genot en Dorst. Maar de prins hield dapper stand tegen deze aardse beproevingen. Toen bleek dat zijn zes jaar durende afzondering en onthouding niet hadden geleid tot het einde van het lijden, besloot hij te gaan mediteren onder een bodhiboom, totdat hij volledige verlichting zou bereiken óf zou sterven. Het werd het eerste en vanaf dat moment was hij de verlichte, de Boeddha. Hij begon zijn kennis en verworven inzichten te verspreiden onder de mensen.

Afstand kunnen doen van (al te veel) aardse bezittingen - hoe meer bezit, hoe meer ellende je er maar van hebt, zo was de gedachte - en een spiritueel leven leiden, het sprak velen aan. De leer van het Boeddhisme was geboren.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Om het hele complex in Lumbini te zien heb je echt een fiets nodig, of je huurt een riksja. De afstanden zijn namelijk groot. Wij gaan de ochtend na onze aankomst eerst wandelen. We lopen door een van de hoofdpoorten van het ruim opgezette complex naar binnen. We wandelen door een tropisch landschap, waar het rustig is. We horen alleen de vogeltjes kwetteren. Er liggen wat vijvers en het is er zo sereen en mooi dat we menen dat we iets van verlichting beginnen te voelen. Uiteindelijk komen we aan bij de plekken waar Boeddha iets beleefd zou hebben. In de Mayadevitempel vind je een markering die de exacte geboorteplek aangeeft. Bij de uitgang vind je veel religieuze souvenirs, die variëren van gebedsvlaggen en -rollen tot snowglobes met Boeddha erin. De bekende religieuze prullaria. Tja, spiritualiteit of niet maar de portemonnees en de magen moeten ook gevuld.

We varen met een bootje over een kanaal richting de World Peace Pagoda. De Japanse Peace Pagoda is een 41 meter hoge witte stupa die ontworpen is om mensen van alle rassen en geloofsovertuigingen bij elkaar te brengen en te helpen verenigen in hun zoektocht naar wereldvrede.  Er zijn er inmiddels zo’n tachtig gebouwd over de hele wereld.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De middag hebben we uitgetrokken voor een uitgebreid bezoek aan de hele tempelzone. Veel landen hebben hier hun paviljoen met Boeddhistische kloosters en tempels gebouwd, de één nog mooier en indrukwekkender dan de andere. Iets dat je niet wilt missen.

In de hoofdstraat van Lumbini is het overdag een gezellige drukte. Mannen van onduidelijke signatuur hangen hier rond. Als wij laten merken op zoek te zijn naar een riksja, komt de meute mannen sneller dan ik ze had ingeschat in beweging en er verzamelen zich binnen no time zo’n tien tot vijftien van die mannetjes om ons heen. ‘ All temples, only 500 rupees’,  ‘Three temples, 200, and one temple for free’  klinkt het. Ik roep in dit pandemonium dat ik toch echt maar naar één mannetje tegelijk kan luisteren en er mee kan onderhandelen, maar dergelijke Hollandse domheid gaat er niet in bij de druk om ons heen springende mannetjes. Als we uiteindelijk een riksja uitkiezen, zegt iedereen dat we de voorste riksja in de rij moeten nemen! Al die tijd dus commotie om niets. We hadden meteen naar deze eerste man kunnen stappen. Het tekent de armoede hier: de ongeschreven regel is ‘je passeert niet de man die vooraan in de rij staat’, maar men probeert het toch.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

We rijden met onze riksjaman van de ene bezienswaardigheid naar de andere en we lopen er telkens een tijdje rond. Je hebt hier heel wat uurtjes voor nodig.  Het is gelukkig niet druk. Bijna overal lopen wij alleen onze rondjes met de klok mee om de stupa heen en bewonderen de Boeddhistische kunst die hier in overvloed aanwezig is. Bijna nergens zie je het mooier, schat ik zo in. Veel landen hebben geinvesteerd, lees: geld gegeven, om hun paviljoens hier te bouwen: Cambodja, Myanmar, Thailand, China, maar ook westerse landen. Het Duitse paviljoen b.v. is oogstrelend mooi!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 ’s Avonds is het doodstil in het plaatsje. Er lopen een stuk of tien zwerfhonden over de hoofdstraat en verder is alles donker en verlaten. Hier geen gezelligheid, kroegen of wat dan ook ter vermaak van bezoekers. Hier heerst volkomen rust en absolute stilte. En misschien hoort dat ook gewoon zo in de geboorteplaats van Boeddha.

 

 

 

Lumbini – Chitwan   

De weg naar Chitwan is een stuk beter dan we gewend zijn. Het kost dan ook niet zo veel tijd om in Chitwan te belanden. We hebben hier een mooie lodge in een prachtige omgeving.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Chitwan

Chitwan is het bekendste natuurreservaat van Nepal. De natuur is adembenemend mooi en heel afwisselend. Dit gebied is ook de habitat van de zeldzame Indiase neushoorn. Vlakbij Chitwan ligt het dorpje Sauraha, langs de rivier, aan de rand van het park. In dit rustieke plaatsje kun je je laten rondrijden in een ossenkar. Je kunt ook een fiets huren om de omgeving te verkennen en om één van de kleine boerderijen te bezoeken. Natuurliefhebbers kunnen hier in theorie volop aan hun trekken komen: in Chitwan Nationaal Park leven diersoorten, zoals krokodillen, herten, apen, neushoorns, olifanten en tijgers.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Om het park te verkennen maken we naast een jeepsafari (waarover hierna meer) een jungle walk met een gids. De wandeling, ’s morgens heel vroeg, is uiterst ontspannen. De dorpen zijn nog rustig, en we wandelen naar en langs de rivier de Rapti. Onze gids vertelt dat bijna ieder jaar in de natte moessontijd de boel wel overstroomd, soms met catastrofale gevolgen. Nu is het uiterst rustig. We genieten van de sfeer op het platteland. Eigenlijk kwamen we hier voor de vogels, maar de dorpen en velden zijn o zo leuk om doorheen te wandelen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op de dagen die wij in Chitwan spenderen wordt  het Tihar feest gevierd. Tihar, ook wel Diwali genoemd, is het feest van het licht en duurt vijf dagen. Licht is het belangrijkste kenmerk van dit feest. Overal worden olielampjes buiten gezet om het huis, de winkel of de straat te verlichten. En er wordt veel geofferd aan Laxmi, de godin van welvaart en voorspoed. Op de markten van Kathmandu en Pokhara worden gedurende Tihar typisch Nepalese vruchten, voedsel, snoepgoed en goudsbloemen verkocht. Vooral in de avonduren zijn de markten hier erg sfeervol. In de dorpen viert men overal  op straat feest met zang en dans. Wij wandelen door het kleine dorp nabij onze lodge en kijken toe hoe de mensen op hun erven of de straat voor hun woning dansen, lachen, klappen, zingen en natuurlijk eten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het lijkt allemaal heel idyllisch maar ook hier is men natuurlijk arm. Olifanten vallen soms dorpen en mensen aan, stukken land worden door de dieren vernield. Voor de mensen zelf heeft het wonen hier dus ook nog een andere kant dan alleen rustig en vredig en mooi. Dat is vooral onze beleving als toerist. Het is goed om te zien dat deze mensen soms ook ontspannen hun eigen feesten kunnen vieren.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

REISVERHAAL.

But in Holland you’ve got many….

En weer gaat de wekker veel te vroeg. Zes uur.  Dat gaat hier iedere dag zo. Maar het is absoluut tijd om op te staan. De dagroutine op reis is anders dan thuis. Slapen doe je daar maar. Of in de tijd van je baas. Reistijd is kostbare tijd, die laat je niet zo maar in dromen opgaan. We gaan vandaag een klein stukje Chitwan verkennen. Chitwan, het tropische deel van Nepal, in de Terai, met moerassen, jungles en rivierlandschappen. Vergeven van wildlife, zo wil men ons laten geloven. Olifanten, neushoorn en zelfs de Bengaalse tijger! We gaan het zien….

Het is koud. Vochtige klamme dampen hangen een beetje mysterieus boven het zompige moerasland. Boven de toppen  van de bomen komt de vaagrode bol al tevoorschijn, die ongetwijfeld de boel weer zal gaan opwarmen en de dampen in rook zal laten opgaan. Maar het gaat langzaam, dus nog even doorbijten in de open jeep. Aanvankelijk is er niets te zien, zelfs geen vogel. 

Maar dan ziet onze gids een pauw.  Hij is blij en trots tegelijk. ‘ Look, a peacock!’.  Pauwen komen oorspronkelijk uit Nepal, India en Sri Lanka. Als wij ze niet in grote getale hadden gehand in Nederland, zouden wij nu heel opgetogen zijn geweest. Want pauwen zijn onmiskenbaar mooi, maar voor ons, Nederlanders, zijn ze zo vreselijk saai en gewoontjes. Ieder park of kinderboerderij heeft er wel een paar.

Ik denk aan dezelfde situatie in Sri Lanka, meer dan twintig jaar geleden. De gids wijst mij en mijn kinderen tijdens een wandeling op een pauw, maar mijn kinderen reageren daar niet op. Ze zijn veel meer onder de indruk van het platgetrapte huisje van een oude vrouw. Enkele dagen daarvoor was een boze olifant langs gelopen en tegen boze olifanten doe je nu eenmaal niets. ‘ Kunnen olifanten dit bij ons ook doen, pap?’ had mijn dochter van tien gevraagd. ‘ Maar bij ons lopen toch geen olifanten op straat?”  antwoord ik.  “ Ja, maar het zou toch zo maar kunnen, pap?”

Toen ik deze zomer met mijn kleinzoon van drie jaar naar de plaatselijke kinderboerderij ging, liep daar ook een grote pauw. Kleinzoon vond het eerst nog wel apart, en met zijn aangeboren kinderlijke nieuwsgierigheid naar alles bekeek hij dat gekke beest. Maar toen pauw de veren opzette en een ijselijke kreet uitstootte, vloog hij naar opa, die hem hoog boven het ‘monster’  veilig in zijn armen hield. Sinds die tijd wil hij niet meer naar de kinderboerderij. ‘ Wel naar de speeltuin, maar NIET naar de diertjes’  zegt hij heel vastbesloten tegen Opa als hij op Opa- en Omadag zijn wensen voor die dag kenbaar maakt. Dat Opa dat maar heel goed in zijn oren knoopt. Maar goed, de pauw, het hoort bij Nederland zoals de mus en het koolmeesje zal ik maar zeggen.

We zeggen tegen de gids: ‘ Yes, a peacock, in Holland we’ve got many’. Pauwen noemen we ze, leggen we uit. Dat laatste vindt onze gids interessante info. ‘ Pauwen’,  zegt hij steeds als we er eentje tegen komen. ‘ STOP, a pauw!’ Hij krijgt er geen genoeg van. ‘ But then again….in Holland you’ve got many’  mompelt hij er steeds zachtjes achteraan. Zo veel bijzondere pauwen en de Hollanders hebben ze in overvloed. Ik zie hem denken: pauwen paraderen in Nederland vast en zeker op straat,dat kan niet anders. Op de stoepen, in de winkels, en ze krijgen ruim baan, net zoals de koe in Nepal en India geen strobreed in de weg wordt gelegd. Want ze hebben er zo ‘ many’  in Holland, dan moeten ze bijna ook wel door de Nederlanders vereerd worden als heilig.

Langzamerhand spotten we wat meer vogels: ijsvogel, bijeneter, parkiet, kingfisher. Herten ook. Het landschap is fenomenaal mooi. Een zonnig bos, de rivier Rapti, mistflarden boven de velden.  Dan zien we apen. Ze vechten elkaar bijna de boom uit en er vallen zo veel bladeren door hun gekrakeel dat het bijna herfst lijkt. De herten blijven er rustig onder. Makaken doen dit nu eenmaal, daar zijn het makaken voor.  De herten doen waar ZIJ goed in zijn, stil blijven staan en elegant en breekbaar tegelijk zijn.  Alle verwijzingen, teksten en hotels over en in Chitwan hebben het over neushoorns, tijgers, olifanten. Wij hebben ze niet gezien. Ja, de olifanten natuurlijk wel. Met vier vaak corpulente toeristen in een bakje op hun rug. Foute boel, de olifant is hiervoor niet gemaakt, ze lijden pijn en het is gewoon pure mishandeling, maar voor de locals is het ook weer een bron van inkomsten. Moet je het dan willen afschaffen of verbieden? Een moeilijk dilemma met een lichte voorkeur voor: ja, dit moet eigenlijk stoppen.  

We weten dat de natuur zich niet laat dwingen: een zien-garantie heb je bij wildlife nooit. En we hebben natuurlijk al genoeg neushoorns en olifanten gezien in ons leven. Alleen nu net deze eenhoornige neushoorn niet. Wij genieten evengoed op deze prille ochtenduren. Van de stilte, het landschap, het bos, en van de krokodillen die we lui op de oevers van de Rapti zien liggen. We rijden hier als enige rond, want onze gids heeft een route gekozen, die afwijkt van het standaard-rondje.

‘ Look sir, a pauw’. De gids veert op en wil het zeggen. ‘ Look….’. Maar hij houdt verder zijn mond. In Holland hebben ze er immers zo veel. Hij gaat weer zitten en zwijgend gaan we verder.

 

Nagarkot   (190 km)

De dagen in Chitwan zijn bijzonder ontspannend en verfrissend na alle hectiek van midden Nepal. We rijden terug naar Kathmandu, een rit van zo’n vier tot vijf uur. Voorbij Kathmandu is het nog 28 kilometer naar Nagarkot, dat hoog in de bergen ligt. We doen er zo’n twee uur over. De weg stijgt na Bhaktapur, maar wordt – hoe hoger we komen – tegelijkertijd steeds slechter. Ik kan het zeer smalle niet geasfalteerde stoffige bergpad, dat omhoog kronkelt langs diepe ravijnen, niet anders noemen dan desastreus en volkomen geruïneerd. Maar uiteindelijk komen we toch bij ons laatste hotel uit. Drie kilometer buiten Nagarkot op 2185 meter ligt hier het designhotel Mystic Mountain. Het uitzicht dat je hier hebt (ook vanaf het balkon van onze kamer) is een uitzicht waarvan je nauwelijks kunt geloven dat het echt is. Het is een plaatje, waarnaar je blijft kijken. Dit was voor ons de voornaamste reden om hier te komen, want voor het overige vonden wij het een beetje tegenvallen: in ieder geval relatief veel te duur eten en drinken en de beloofde voorzieningen, zoals gym, spa en zwembad vielen ook behoorlijk tegen. Maar zoals altijd: het personeel weer heel vriendelijk, voorkomend en ‘ zorgzaam’.  Op de terugweg zijn we opvallend snel weer beneden over een relatief goede weg. Ons vermoeden is dan ook dat de chauffeur van de heenweg de weg niet kende en zo maar naar boven is gereden, wat dus erg lang duurde!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Nagarkot

Dan zijn ook deze drie weken weer voorbij. We vliegen naar Abu Dhabi waar we een fijn hotel hebben en vliegen de volgende ochtend door naar Amsterdam. Nepal, het heeft onze harten niet gestolen zoals b.v. Birma, maar het is zeker de moeite waard. We hebben drie avontuurlijke weken gehad. Er is veel moois te zien en te beleven en je hebt beslist een mooie reis om op terug te kijken. Dat doen we dan ook maar!