De wereld op de foto

                         Reizen van Lione en Rene Kolsteren

                                       

                                       

 

 

In de loop van de tijd heeft Rene zo'n zeventig korte (reis)verhalen geschreven. Vijftig daarvan zijn opgenomen in het boekje ' Deining aan de Irrawaddy' dat in juni 2012 uit kwam. Dat boek is op dit moment niet meer verkrijgbaar (ik heb het uit de portefeuille van de uitgever laten halen). Enkele verhalen zijn ook gepubliceerd in het boek ' Waar ben ik nu verzeild?' , een verzamelbundel reisverhalen van diverse auteurs die ook in 2012 uit kwam.  Het verhaal ' Whatever happens, get on that train!'  is gepubliceerd in het reismagazine Columbus. Op deze websitepagina staan enkele nieuwe verhalen. Van tijd tot tijd zullen we er steeds nieuwe aan toevoegen.

 

Onderstaand verhaal werd door Columbus Magazine verkozen tot top blog. http://www.columbusmagazine.nl/noord_en_midden-amerika/canada/icefields_parkway/reisreporter/blogs/7645.html

 

 

 

 EEN BEER? DIE WIL JE ECHT NIET TEGEN KOMEN!

 

Jaren geleden was ik in Botswana. In ons reisgezelschap bevonden zich enkele Canadezen, ze kwamen uit Vancouver herinner ik me. Ik vroeg aan één van hen, waar in Canada je het beste naar toe kon om beren te spotten. Beren ontbraken nog op mijn lijstje ‘gespotte dieren in het wild’. Ik had filmpjes gezien waarin beren uiterst behendig de springende zalmen uit de woest stromende bergrivier visten. Die wilde ik zien. Dáár wilde ik heen.

Mijn reisgenoot bleef stil. Hij keek me doordringend aan met een blik die verraadde dat hij dacht dat ik gek geworden was. Dat zei hij uiteindelijk ook. “A bear? Are you crazy?”. Hij zweeg weer even en keek me toen nog strakker en verbaasder aan. “Een beer? Die wil jij helemaal niet tegen komen jongen, echt niet!” Ik was verbaasd over dit antwoord. Mijn reisgezel was serieus. Hij was als de dood voor beren en hij zou er alles aan doen om uit de buurt  van deze monsters te blijven. Veel locals bleken er net zo over te denken, daar kwam ik in de loop van de tijd wel achter. Gevaarlijk, onbetrouwbaar, dodelijk. Uit de enthousiaste reisverhalen die ik las kwam weer een ander beeld naar voren: niets zo leuk als beren op de weg. De bekroning van je reis naar Canada!

Ik moet aan het voorval denken als ik op de Highway 1A rijd tussen de plaatsen Banff en Lake Louise in de Canadese deelstaat Alberta. Dit is het gebied waar de beren leven en de kans dat we ze zullen gaan zien moet als groot ingeschat worden, heb ik begrepen. Hoop ik. Een dag of twee later rijden we over dezelfde weg en is er ineens een kleine file. Er staan een stuk of vijf auto’s stil en mensen lopen opgewonden langs de kant van de weg. Onze eerste reactie is om ook maar uit te stappen. Nog voordat we hebben gezien wat er werkelijk aan de hand was. Een elk denken we. Niet ongevaarlijk, maar uitstappen kan wel, denken we.

En dan zien we het. Er loopt…..een beer. Hij hobbelt langs de bosrand, enkele meters van de kant van de weg. Een meter of tien bij ons vandaan, er ligt nog een diepe greppel tussen. Alsof dat wat zegt… In Yellowstone Park hield een ranger ons ooit eens tegen, toen er op een afstand van 100 meter een beer liep. Paniek, paniek. Get away from here, get into your car! Quick, quick! Nog meer paniek. “De minimale afstand die je tot een beer moet aanhouden is 100 meter, de lengte van tien bussen”, stond er als waarschuwing in een folder die ik gisteren nog heb zitten te lezen. Maar op zo’n moment denk je nergens meer aan. Als Japanners beginnen we te fotograferen. Wat een moment. Hier heb ik jaren naar uitgekeken! De beer loopt – rustig zoekend naar paardenbloemetjes, daar zijn ze blijkbaar dol op – met de weg mee. En wij doen hetzelfde. Wat een prachtige positie hebben we, wat schitterend om hier te fotograferen. Ondertussen is de beer vrij ver vooruit en ik loop terug om de auto op te halen, met de bedoeling om Lione even verderop te laten instappen. Ik parkeer de auto verderop als ik bij Lione ben, en dan gebeurt het. De beer loopt niet langer door het bos, maar komt onze kant op……

En dan begin ik te beseffen, dat ik dom ben geweest. Een beetje dom misschien, maar wel dom. Enthousiasme kan het verstand blijkbaar wel degelijk op non-actief zetten. Ik sta vóór mijn auto en Lione staat aan de rechterkant. En van rechts komt het bruine monster aangekacheld. Ik hoor mijn reisgenoot uit Botswana (‘they’re lethal, definitely, you’ll be dead in just two seconds’), ik hoor de andere verhalen. Hoe kunnen we hier nu intrappen, denken we. Leeuwen gezien, olifanten, tijgers, en altijd wisten we ons beschermd door onze auto. Geen haar op je hoofd die edr aan denkt om dan ‘buiten’ te gaan staan. En nu? Daar staan we dan. De beer komt rechts van de auto. Lione schuift door naar achterklep. En ik van vóór naar links. Als ik nu het achterportier opentrek kan Lione er in springen. En ik? Ik weet niet of ik het nog red dan. En bovendien is de zitplaats achter geen ideale positie om de auto te starten en weg te scheuren…..

De beer loopt voorlangs. Heel langzaam en bedachtzaam. Hoe komt Lione de auto binnen en wat zal ik doen, denk ik met het linkerachterportier in mijn linkerhand en mijn camera in de rechter. Doorrennen naar achteren, naar de rechterkant? Wordt het dan geen onmogelijke strijd? In een cirkel lopen en weten dat je dit allebei verliest?

Ik denk dat we deze vakantie absoluut willen afmaken. We willen alles hier in Canada meemaken. Dit gaat me echt niet gebeuren. En dat geldt ook voor mijn Lione. “Beste brave beer” denk ik, en ik probeer dit over te stralen – wat gezien de te overbruggen afstand van nog geen drie meter wel moet lukken - , “ik leg je geen strobreed in de weg”.  Alsof dat een aanbod is dat de beer niet anders kan dan aanvaarden. Ik heb het hier helemaal niet voor het vertellen. Maar ik ga door. In gedachten dan. “Als ik mijn vakantie mag afmaken in jouw prachtige land, kun jij op je gemak over steken. Ik zal niet plotseling gaan rijden”. De beer kijkt een beetje mijn kant op. Het is alsof hij over zijn berenhart strijkt. Vooruit dan maar. Hij kijkt nog heel even naar die (een beetje domme), rare Nederlander, die het toch niet kan laten om nog één keer af te drukken – wat een slecht gelukte foto oplevert, steekt dan de weg over en verdwijnt in het bos aan de andere kant.

 

WE WERE ALL WOUNDED AT WOUNDED KNEE

Wall ligt in het uiterste zuidwesten van Zuid-Dakota. Het landschap in dit deel van deze prairiestraat is lieflijk en bijna onschuldig te noemen: groene golvende prairieweiden met sappig gras en dus grazende buffels. Buffels die zijn terug gebracht nadat ze bijna waren uitgestorven. Zuid Dakota, waar de zomers kort en heet zijn en de winters - als de blizzards, afkomstig van de Noordpool, geen weerstand ondervinden op hun weg naar het zuiden - vaak ijzig koud. Zo was het ook voor 1900. De Lakota indianen zwierven over de prairies van Noord- en Zuid-Dakota, jaagden op buffels, kenden in de warme zomers overvloed en probeerden de ijskoude winters te overleven. Tatanka. Buffels. Wie de film ‘ Dances with wolves’ heeft gezien, weet wat ik bedoel. Een hard maar mooi leven.

Wall is een doodgewoon gemiddeld Amerikaans stadje met houten huizen en een paar grote supermarkten plus de Mac. Toch is er iets dat Wall bijzonder maakt. Het ligt vlakbij Wounded Knee. ‘We were all wounded at wounded knee’ zong de (deels uit indianen bestaande) groep Redbone in 1973. Het plaatje haalde in Amerika de Top 100 niet. Het werd geboycot, men wist dit protest toen nog geen plaats te geven. Amerika was er nog lang niet klaar voor. In Nederland stond het drie weken op nummer 1. Wounded Knee is voor de indianen het symbool van het verzet tegen de blanken en vooral een symbool van de eerloosheid van de blanken. Dee Brown schreef in 1970 het boek ‘ Bury my heart at wounded knee’ over de strijd van de indianen tegen de blanken en in 1973 werd Wounded Knee bezet door leden van de American Indian Movement, die er een vrijstaat uitriepen. Na 71 dagen werd de bezetting door de autoriteiten gebroken. Vijftien Indianen werden veroordeeld. Maar vooral is Wounded Knee de zwartste bladzijde in de geschiedenis van de Verenigde Staten.

Het liedje van Redbone zingt rond in mijn hoofd als ik Wall binnenrijd. De volgende ochtend loop ik door Main Street en zie het Wounded Knee Museum liggen ,een beetje achteraf. Een klein maar mooi gebouw. Als ik er binnenloop vlieg ik razendsnel terug door de tijd, van juni 2014 naar 29 december 1890. Veel Amerikanen weten niet wat er die dag is gebeurd bij Wounded Knee. Op internet schrijft een Amerikaanse bezoeker: ‘ If you’re driving through western South Dakota, stop by the Wounded Knee Museum. It tells a story that we need to hear’. En zo is het. Gelukkig kan het verhaal nu verteld worden, maar nog altijd met de nodige schaamte. En het kan alleen maar met ontzetting aangehoord worden.

Wovoka, een Paiute-indiaan leefde bij een blanke boer, onder de naam Jack Wilson. Het grootste deel van de Verenigde Staten was toen al ‘ gepacificeerd’ zoals men het noemde, ‘tot vrede gebracht’ , wat niets anders betekent dan dat de Amerikanen de oorspronkelijke bewoners er eindelijk ‘ onder hadden gekregen’. Ze werden in reservaten gestopt. Wovoka kreeg regelmatig visioenen en het belangrijkste visioen was dat de Dans van de Geesten gedanst moest worden voor een vrije wereld, een wereld zonder blanken. Wovoka kreeg veel aanhang. De Lakota-indianen namen zijn ideeen over. Dit veroorzaakte angst en onrust onder de blanken. Zittende Stier was een machtig leider van de Indianen, een symbool van weerstand van zijn volk. Weliswaar leefde ook hij in een reservaat, het Standing Rock Reservation, maar hij bleef op zijn manier doorvechten voor zijn volk. Ook hij was geïnteresseerd in de Dans van de Geesten. Hij kreeg een conflict met de verantwoordelijke voor het reservaat, James Mc. Laughlin. Op 15 december 1890 werd Zittende Stier samen met 13 anderen op last van Mc. Laughlin vermoord.

De Lakota waren geschokt. Zij verlieten het reservaat, maar werden achterhaald door de Zevende Cavalerie van het Amerikaanse leger. Op 28 december moesten de Lakota kamp maken. De volgende ochtend ontstonden er spanningen. Een geweerschot was het startsein voor een vreselijke tragedie. Er werd geschoten op de indianen, het duurde uren. Ik zie op een foto die eerder op de dag is genomen: een groep haveloze indianen in een ijskoud landschap, mist en sneeuw. Geen van deze indianen heeft het overleefd. Urenlang duurde de slachtpartij. Er werd de hele dag nog gezocht naar mogelijk ontsnapte indianen. Iedere gevonden indiaan, iedere nog bewegende indiaan werd koelbloedig afgemaakt. Ik zie de lijst met namen van gestorven indianen: Gele Schildpad, Zij die een buffelhoorn met water vult. Ik zie een foto van de ‘heren’ die dit op hun geweten hebben, ze lachen. Zij zouden een half jaar later, in 1891, van de president een medal of honor krijgen, voor bewezen moed. Stel je voor. Vandaag de dag zou de wereld over de VS vallen, het zou als een oorlogsmisdaad bestempeld worden en Amerika zou diep door het stof moeten gaan. Maar in 1891 worden er medailles uitgereikt……146 mannen, vrouwen en kinderen komen om. Volkomen onschuldig. Later wordt een kleine baby gevonden, die het heeft overleefd. Op de foto van haar zie ik twee grote niet begrijpende ogen. Last Bird groeit verder op in Californie. Op 29-jarige leeftijd sterft zij aan de Spaanse Griep.

Amerika schaamt zich. Nog steeds. En heel diep. Heel integer wordt het verhaal verteld, maar het wordt niet aan de grote klok gehangen. Als ik naar buiten loop, verwarmt de junizon mijn armen. Ik heb er kippenvel op, ondanks de zon. ‘ Hoe was het?’, vraagt mijn vrouw. Ik zeg niets. Zij weet genoeg. Het liedje van Redbone zal nooit meer hetzelfde klinken. Na 40 jaar ken ook ik nu het verhaal. Een verhaal om niet en nooit meer te vergeten. We were all wounded at Wounded Knee, we were all wounded BY Wounded Knee.

Als ik Wall uitrijd zie ik om me heen het lieflijke groene heuvelachtige landschap van Zuid-Dakota. Heel even meen ik in de Big Sky een donkere wolk te zien hangen. Dan straalt de zon weer.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 ARE YOU GUYS ALL HAVIN’ FUN?

In een opwelling (‘ op reis moet je overal voor openstaan’) hebben we kaartjes gekocht voor de rodeo. In Cody, Wyoming zeggen ze zelf: wij zijn de Rodeo Capital of the World. In ieder geval hebben ze er speciaal een stadion voor gebouwd. Als we het parkeerterrein over lopen naar het stadion komt een geur van paardenpoep, popcorn en vette frites ons al tegemoet. De controleurs aan de ingang, met cowboyhoed uiteraard, hebben grote bekers cola in hun hand.

Rodeo wordt hier als topsport gezien. Het is ooit ontstaan uit verveling en om de skills van de koeienjongens te oefenen. Op een paard gezeten een kalfje vangen of zolang mogelijk op een bokkend paard blijven zitten. Daar gaat het dan om. Hoewel men in Amerika verzekert dat misstanden van vroeger niet meer voorkomen twijfelen we daar aan. Waarom bokt het paard anders zo? Als de berijder op de grond geworpen is, komen andere koeienjongens om bij de buik van het paard snel iets los te maken. Vermoedelijk te strak aangetrokken riem. Dierenmishandeling dus.

We besluiten – na een half uurtje van deze ‘ folklore’ te hebben meegemaakt – het stadion te verlaten. ‘ Are you guys all havin’ a good time?’ schreeuwt een man nog door een microfoon. En het volk schreeuwt enthousiast terug. Vreemd eigenlijk: het zijn dierenliefhebbers bij uitstek, Amerikanen, ze vertroetelen hun mini hondjes en trekken ze poppenkleertjes aan, maar een paard dat bokt van de pijn vinden ze geen probleem. Een dame op een paard met de Amerikaanse vlag in haar hand rijdt statig haar rondje door het station. Een stukje onvervalst Amerikaans patriottisme, dat dus nog wel degelijk bestaat, in ieder geval hier in het wilde westen. Het publiek zal toen wij vertrokken (wij stonden vooraan, dus het valt op) ongetwijfeld gedacht hebben: wie gaat er nu al weg? The party moet nog beginnen!

Over feestjes gesproken. Een week later.

Ik had de bui al zien hangen. Letterlijk. Ik hou wel van hangende buien. Ik kijk er graag naar. Zo ook deze keer, als ik over Highway 50 naar Gunnison, Colorado rijd. Ik stop, maak foto’s en blijf gebiologeerd staan kijken. In afwachting van de explosie. Ik besef dat ik niet te lang moet blijven staan, want spoedig zal ik me in de natte ontlading bevinden, waar ik nu nog tegenaan kijk. Ik tuur in bewondering naar de indrukwekkend opbollende bloemkolen in de steeds zwarter wordende lucht. 50 tinten zwart, soms wat grijs er bij. Een zonnestraal die nog een poging doet om al dit geweld te keren, waardoor de wolken door een vreemd buitenaards licht beschenen lijken te worden. Rollend over de heuvels van Blue Mesa komt het inktzwarte geweld onafwendbaar dichterbij.

Als we even later Gunnison binnenrijden, rijden we gelukkig al meteen op Main Street. Ik hoef dus alleen stapvoets rechtdoor te rijden. Ik zie namelijk helemaal niets. De ruitenwissers kunnen zelfs op hun snelste stand het waterballet buiten niet aan. Op goed geluk sla ik rechtsaf en ik zie door de zenuwachtig zwiepende ruitenwissers een man met een beslagen bril. Hij gebaart mij te stoppen. ‘Welkom in Gunnison’, zegt hij. Het is de eigenaar van ons motel.

Na de formaliteiten afgedaan te hebben, roept hij ons na, dat het vanavond feest is. ‘Er is een band en er is vuurwerk’ zegt hij trots. Gunnison is een klein typisch Amerikaans stadje, dat al eens decor was voor een science-fictionfilm en een rol speelde in een science-fictionboek. Dat trekt mij wel aan: SF. De filmfanaat in mij ziet in gedachten de vleesetende bonenplanten al omhoog kruipen in 3rd street en spoedig zullen zij 4th street overwoekeren. De inwoners die 4th of July vieren zijn nog onwetend van wat er komen gaat….

Main Street is vanavond voetgangersland. Veel voetgangers zie ik nog niet. Een springkussen, een tent waarin de band aan het oefenen is. Na ergens wat gegeten te hebben, gaan we weer op Main Street aan. Aan een groot touw boven de straat hangt de Amerikaanse vlag. Als die even opwaait komt het logo van de Mac, iets verderop, tevoorschijn. Het klopt, denk ik, Amerika is echt zoals wij denken dat het is! Maar als we doorlopen is van een parade niets te bekennen. Ook de band lijkt er geen zin meer in te hebben, in de tent staan nog wat groepjes mannen met cowboyhoeden na te praten.

Dan maar naar het vuurwerkterrein. Mensen komen aanlopen vanuit hun auto die verderop geparkeerd staat, met klapstoeltjes in hun hand en positioneren die midden op Main Street. Zwijgend gaan zij zitten. Het vuurwerk begint. Zwijgend kijken de mensen toe. Na twintig minuten is het voorbij. Zwijgend pakken de mensen hun klapstoeltjes weer op en lopen weg. Wat een desillusie. Is dit 4th of July? Vieren Amerikanen zo ‘hun’ dag? Het is ronduit teleurstellend.

Heel even denk ik er over om burgemeester Robert Drexel van Gunnison een plan van aanpak aan te bieden: ‘hoe gaan wij het ECHTE 4th of July vieren, gebaseerd op Nederlands voorbeeld.’ Main Street wordt een brede gracht met versierde rondvaartboten, veel bier, iedereen krijgt gratis een training polonaise lopen, bierfietsen, coffeeshops (want het is legaal in deze staat), optreden van de Twee Pinten (‘Tasty is but one finger long!’) en Jan Smit (Je moet niet meteen het beste dat je hebt weggeven). Het zal niet meer stuk gaan hier.

De volgende ochtend , the day after, ziet alles er uit alsof het nooit 4 juli is geweest. Voor het plan van aanpak moet ik eerst nog maar eens een plan van aanpak maken, maar ik betwijfel of het er komt. Andere prioriteiten. Voorlopig zullen ook volgend jaar mensen op hun klapstoelen door de laatste knal wakker geschud worden en bijna omtuimelen. ‘ O my god, zijn ze al begonnen dan?’

Tja, ’s lands wijs ’s lands eer. Daar moet je niets aan willen veranderen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

EEN DRIJFNATTE WANDELING LANGS DE GRAND CANYON

Normaal gesproken maak ik me niet zo snel druk en ik word ook niet zo snel heel boos. Maar soms moet ik wel boos worden. Om het grote nieuws waar ik moedeloos van wordt en om de kleine pietluttige berichtjes. Boos over zo veel lompheid, domheid of ziek gedrag. Een combinatie van die drie zag ik eens in een filmpje op internet. Vermoedelijke Fransman, zo te zien fout figuur, korte broek, ontbloot bovenlijf, hoedje op, inderdaad heel fout dus. Lokt aan de rand van de Grand Canyon met wat broodkruimels een klein eekhoorntje; op het moment dat het toehapt, trapt hij met zijn schoen het arme beestje 1300 meter naar beneden. Het is flauw om nu te zeggen welke passende straf ik in mijn gedachten heb voor deze psychopaat. Maar iemand heeft er in ieder geval 17.000 dollar voor over om deze figuur op te sporen. Als ik het geld had, zou ik er persoonlijk nog een nulletje achter zetten!

De Grand Canyon. Ik heb hem uitgebreid mogen bezoeken.

We rijden door het Kaibab National Forest in Arizona. Een bos met een oppervlakte van vijf maal de provincie Utrecht. Dat is nog eens een bos waar je mee thuis kunt komen, hoewel ik de bossen in Utrecht, waar ik ben opgegroeid, ook altijd al van een behoorlijk formaat vond. Dit bos bestaat uit ‘ponderosa pine trees’ , een dennenbos dus. Een uitgestrekt bos, er lijkt geen einde aan te komen. Op weg naar de Grand Canyon. Het moest er toch maar eens van komen, vonden wij. En nu, binnen een half uur gaan we hem ook echt zien, deze grandmaster of nature.

Amerikanen zijn terecht trots op ‘hun’ Grand Canyon. Ze beschouwen het als iets waar je een keer in je leven geweest moet zijn. Een Mekka voor iedere Amerikaan. De meesten van hen maken deze droom, het bezoeken van deze canyon die voor hen de grootsheid van Amerika bewijst, wel waar. Ik geef ze geen ongelijk. Want de benaming Grand heeft deze scheur in de aardkorst zeker verdiend.

Bij Desert View stoppen we. Een keurig aangelegde parkeerplaats met wat voorzieningen en het onvermijdelijke bezoekerscentrum. We komen bij de kloof. Hier loopt een keurig pad, dat zich kilometers vlak langs de rand van de kloof voort slingert. Er is helaas niet veel te zien. Het is slecht weer, ongewoon slecht eigenlijk voor deze streek in dit jaargetijde (augustus). Wolkenflarden, nevels, grote dikke wolken, het trekt allemaal voorbij en bedekt de canyon voor de volle 1600 meter die hij diep is. Het miezert er ook nog eens bij. Hier blijven deuren gesloten, die voor veel anderen wel zijn open gegaan. Het is de pech die iedere reiziger kent: net als hij of zij er is, is het bewolkt, nat, mistig of winderig. Weken ervoor stralend weer, soms zelfs een heuse hittegolf, de weken erna zonnig en warm. Maar vandaag niet. O no, not today, sir. Stomme pech. Af en toe gaan de gordijnen even open en zien wij een glimp van de rode rotsen aan de overkant. De bodem is en blijft onzichtbaar.

We gaan wandelen, een kilometer of vijf langs de rand van de kloof. Af en toe kun je een vooruitstekende rots op klauteren, vanwaar je nog beter zicht zou moeten hebben op de immense canyon. Maar het helpt helemaal niets. En dan, alsof een onzichtbare grote hand met een droge doek over ons natte scherm poetst, komt de canyon alsnog tevoorschijn. Heel even maar wel helemaal. Zonnestralen, oplichtende kleuren, de canyon ontvouwt zich in al zijn grootsheid. We voelen ons heel klein. Het beneemt ons bijna de adem, wat een immens landschap. We genieten in het kwadraat, want voor je het weet zou het ook weer zo weg kunnen zijn. En dat gebeurt na een kwartier dan ook. Korte show vandaag. Nu wordt het menens met het weer. De miezerregen wordt gewone regen, de gewone regen wordt slagregen. De hemel scheurt open, donkere wolken vullen de canyon al weer op.

We wandelen verder. Het is nog zeker vier kilometer naar het eerstvolgende uitzichtpunt met alle faciliteiten. Het begint te onweren. Het bliksemt en het dondert. Lightning strikes in the valley. En niet zo’n klein beetje ook. We ontmoeten een dikhoornschaap. Het noodweer deert hem niet zo. Snel een paar foto’s van deze mooie jongen, en dan weer verder. Steeds natter worden we. Hoeveel kilometer nog te gaan?

We lopen vlak langs de rand van de canyon. We weten dat enkele meters naast ons een gat van 1600 meter ligt, maar we zien het niet. Overal bordjes: “ bij onweer niet verder lopen. Onmiddellijk een schuilplaats zoeken”. Schuilplaats? Waar hadden jullie die hier gedacht? We moeten wel verder. Heen of terug, in beide gevallen is het zeker drie kwartier lopen door de zeiknatte regen. Bliksemschichten links van ons, bliksemschichten rechts van ons. Ineens zie ik de zwart geblakerde bomen, overal om ons heen. Ze hebben het bijna allemaal, zo lijkt het. Het gebeurt dus vaker, dit noodweer en het slaat zeker heel vaak in. Nu wordt het menens. Scary. We beginnen meters om de bomen heen te lopen. Voor de zekerheid. We slalommen en hierdoor wordt onze weg meteen een stuk langer. Uiteindelijk komen we veilig bij de parkeerplaats.

We gaan het restaurant binnen. Druipnat zoeken we een plekje bij de warme open haard. Tja, op reis loop je wel eens risico’s, hoe goed je ook uitkijkt, hoe goed je je ook voorbereidt: onverwacht raak je in precaire situaties. Geen local die met dit verwachte weer aan een wandeling zou beginnen. Het engeltje was weer eens met ons mee....

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

EEN SCHUUR IN WYOMING

Ik minder vaart en sla af naar rechts. In spanning wacht ik af totdat ik dicht genoeg bij het straatnaambordje ben om het te kunnen lezen. Antelope Flats Road, yes!! Ik zit goed. Nu nog anderhalve mijl en dan ben ik op Mormon Row, mijn einddoel.  Een zekere opwinding maakt zich toch wel van mij meester. Maandenlang heb ik me hierop verheugd en nu ben ik er zo dichtbij. Ik was hier al een keer voorbij gereden, waarschijnlijk afgeleid door het ongewoon mooie landschap links van mij. En ja, dan vergeet je rechts, en mis je de Antelope Flats Road.

Na een mijl sla ik linksaf en zie dan na een paar honderd meter duidelijk enkele onbewoonde huizen en schuren opdoemen. Mijn ogen dwalen af naar rechts, want ik weet precies waar ik moet zijn, en daar staat hij dan: de TA Moulton Barn. Ik parkeer mijn auto langs de kant van de weg en blijf even zitten: precies voor me staat de schuur waarnaar ik op zoek was. Een half jaar geleden wist ik niet van het bestaan er van. Na 6 maanden, 8500 kilometer en twee weken reizen door dit onmetelijke land sta ik er nu dan tien meter van af. Moment supreme.

Lezers die denken dat ik eindelijk mijn verstand heb verloren moet ik teleurstellen. Het is nog niet zo ver. Ik beschik nog over al mijn vermogens. Hier heb ik naar uitgekeken. Tijdens de voorbereidingen van onze reis stuitte ik tussen de eindeloze stroom informatie ineens op een foto van deze ‘barn’. Een apart model schuur: het dak van de schuur wordt gevormd door twee halve bogen die naar elkaar toe lopen en dat geeft de schuur zijn aparte opvallende vorm. Ik raak gebiologeerd door het plaatje en ga verder op zoek naar informatie en foto’s. Het is niet zo maar een schuur, zo blijkt al snel. De TA Moulton Barn is een van de meest geliefde objecten voor Amerikaanse fotografen. Dat wil wel wat zeggen in een land dat New York heeft, de Niagara Falls, de Grand Canyon en Bryce Canyon en zo veel meer. De foto die ik zie is dan ook prachtig: de barn met op de achtergrond de grillige pieken van de Grand Teton Mountains, die zijn bedekt met een laagje sneeuw. De vroege ochtend geeft het geheel een sfeervolle omlijsting van zachte kleuren. Het is letterlijk en figuurlijk een plaatje. Hier moet ik naar toe, schoot het meteen door me heen.

Ik zocht op Google waar het moest zijn maar vond het niet echt. Het lag in ieder geval in een bergachtig gebied, dat wel lastig te berijden en bereiken zou zijn. Ik ging er meer over lezen. Het begon mij nu echt te intrigeren.  TA Moulton heet voluit Thomas Alma Moulton. Hij en zijn zonen bouwden de schuur tussen 1912 en 1945. De Moultons waren Mormonen die vijftig jaar eerder vanuit Salt Lake City naar het ruige noorden werden gestuurd, omdat ook de weinig bewoonde gebieden mormoons moesten worden. Het geloof moest verspreid worden. De familie Moulton wist in dit gebied, in Wyoming nabij de stad Jackson Hole, een bloeiend bestaan op te bouwen. De bijna tien huizen en schuren getuigen daar nog van. Het moet een hard bestaan geweest zijn, daar in het woeste noorden. Eerder op die dag had een inwoner van Jackson Hole mij nog gezegd: “ het lijkt allemaal heel mooi en aardig hier, en dat is het nu ook wel (het is juni), maar je moet sterk in je schoenen staan om hier te kunnen wonen in de winter. De winter hier is hard, koud en hij duurt enorm lang”. Die middag had mijn vrouw lachend gezegd: “ Ga jij nou maar naar die boerderij van je”,  want ze had me al vaker enthousiast horen vertellen over die ene mooie foto van zes maanden geleden.

En nu sta ik hier. Er zit een echtpaar te schilderen. Geen fotografen. Dat is logisch, want voor foto’s moet je hier toch echt ‘s morgens zijn. Dit keer kom ik echter niet voor de foto’s. Ik wil hier zijn en niets meer dan dat. Ik zie een hond lopen en stel me voor hoe de hond van Thomas Alma hier  achter zijn baas aanliep. Hoe Thomas zwoegde en er het beste van probeerde te maken. Ik zie ergens een foto van Thomas, een keurig verzorgde heer, zeker geen onbehouwen ruigmans.  De Moultons hebben het geprobeerd, de harde winters trachten te overleven, het eerste huis dat hier stond was niet meer dan een cabin met als vloer wat aangestampte grond. De wind zal hier gegierd hebben, gebruld, geblazen, de sneeuw hoog opgewaaid, de familie zal gebibberd hebben. Hier hebben enkele generaties geleefd en nu is het voor altijd stil.

De Moultons zijn door een simpele schuur ineens beroemd geworden. Dat geldt zeker voor TA. Een afstammeling van TA staat op een foto uit 2012 bij de schuur: 100 jarig bestaan van de schuur, staat er onder. De schuur zelf blijkt inmiddels bijna een icoon van Amerika geworden. De visualisering, het tastbare bewijs dat een bestaan opbouwen onder moeilijke omstandigheden in Amerika altijd mogelijk is. Ik loop Mormon Row nog een stukje af. De andere huizen en schuren staan er net zo verlaten bij. De film van het leven van de Moultons is bevroren. Het is over en uit hier.

‘ A landmark to a nation and a mecca to photographers’, las ik ergens. Thomas Alma moest eens weten. Hij zal nooit hebben kunnen vermoeden dat er  102 jaar later in het verre Nederland een artikeltje over zijn schuur zou verschijnen. Ik weet zelf met een zekerheidspercentage van 100 dat er over mij geen artikel zal verschijnen in het jaar 2116. Nergens. In 2116 zal niets meer aan mij herinneren. Maar ja, ik heb dan ook geen schuur gebouwd aan de voet van een ruig gebergte in een waanzinnig woest mooi landschap. TA wel en zal voorlopig nog niet vergeten zijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Ook onderstaand verhaal werd door Columbus Magazine uitgeroepen tot Top Blog.

 

OP ZOEK NAAR DE UITGANG

Tegen zes uur ’s avonds rijden we Cheyenne binnen. Cheyenne, de bruisende hoofdstad van Wyoming. Dacht ik. Maar ik zie slechts nat glimmend asfalt, glinsterende koplampen van tegenliggers, zwiepende ruitenwissers, grote onregelmatige druppels op mijn voorruit, zwarte wolken, grijze wolken, donkerwitte wolken. Een triest stadje met wat industrie en een lege hoofdstraat en vooral een heel groot, zeg maar gerust enorm, rangeerterrein waar donkere wagons piepend en krassend onophoudelijk voorbij denderen. Er tegenover ligt ons al even trieste motelletje. Cheyenne in the rain, het overtuigt niet. Evenmin als de Chinees die wij ’s avonds nemen. Ik was gewaarschuwd. Maar ja, eigenwijs....

Van Denver naar South Dakota was ons plan. Van te voren had ik bedacht dat je dan in ieder geval via Cheyenne zou moeten. ‘Cheyenne, ik zou het niet doen’, had een vriendelijke Amerikaan ons die ochtend gezegd, toen we hem desgevraagd informeerden over onze voorgenomen route naar het noorden. De vraag waarom niet, kon ik niet eens stellen. Want omdat ik ook de naam Nebraska had laten vallen, voegde hij er onmiddellijk aan toe: “En Nebraska al helemaal niet. Nebraska, waarom zou je daar heen willen? Niemand gaat vrijwillig naar Nebraska…’. Desondanks zette ik het plan door om niet de doorgaande drukke highways 25 en 90 te nemen, maar een bypass: de 71, die dwars door Nebraska leidde en uiteindelijk ook in South Dakota zou moeten uitkomen. Een rustige route touristique, zo was mijn gedachte. ‘Ik hoop dat je in Nebraska de uitgang weet te vinden’ riep de Amerikaan me hoofdschuddend na.

De volgende ochtend ziet er, zoals zo vaak, heel anders uit. De goederentreinen uit Chicago, op weg naar Californie en Seattle, denderen lustig door. Er schijnt een vriendelijk junizonnetje. Maxima van 25 graden volgens The Weather Channel, met ’s middags kans op thunderstorms. Hij bedoelt gewoon: tornado’s denk ik, want Nebraska is tornadoland. Dat maakt de rit nog interessanter voor mij. De eerste twintig kilometer gaan we nog door de bewoonde wereld. Dan passeren we de staatsgrens: Nebraska, here we come.

Nebraska. Amerikanen gebruiken het alleen, als ze iemand nooit meer willen zien, hem ver weg wensen. Nowhere land, Nergenshuizen. Een verbanningsoord. Ik vind het allemaal wel meevallen. Nebraska heeft op zijn eigen manier schoonheid. Het is leeg, heel leeg. Golvend prairieland, wuivend gras, glooiende akkers, onder een blauwe junilucht, gelardeerd met een fris briesje. Hier en daar een boerderij nog, met de bekende boogvormige daken. Boerderijen zoals ik die voor het eerst in mijn leven zag bij Oma Duck, want die woonde in zo’n barn. Mogelijk woonde ze zelfs in Nebraska en was Duckstad gebaseerd op Cheyenne, denk ik bij mezelf.

Ondertussen geniet ik van ons ritje. Nog steeds zachtjes wiegend gras op de mooie groene prairies met af en toe een boerderijtje bovenop een klein heuveltje, begroeid met gele en paarse bloemen. Soms wat rotsen. Een idyllisch en leeg landschap. The little house on the prairie. Op de een of andere manier fascineert die leegheid me.
We moeten hier nog honderden kilometers door heen. Het ziet er, nu in juni, lieflijk uit, maar ik stel me voor hoe het hier ’s winters is. Snoeiharde en ijskoude poolwinden die - ongehinderd door wat dan ook- vanuit de Noordpool enorme hoeveelheden sneeuw op deze vlakte deponeren. Het waait dan door alles heen. Wat beweegt een mens om hier te gaan wonen? Of te gaan rijden? De weg is kaarsrecht, honderd kilometer, tweehonderd kilometer, geen enkel teken van leven. Hier op de Great Wide Open zijn we voor vierhonderd kilometer alleen.

Nebraska. De titel van een prachtig liedje van Bruce Springsteen. Maar dat gaat, zo weet ik, niet over een lieflijk leeg eindeloos landschap, maar over een killersduo: hij 19 jaar en zij, zijn vriendinnetje, 14 jaar, die zwervend door Nebraska dood en verderf zaaiden. Voorbij Scottsbluff, het enige stadje dat we tegenkomen, gaat het op dezelfde manier verder. Dan ineens splitst de 71. Een vertakking naar links is de 71 verder volgen, volgens Tom Tom en volgens het grote bord langs de kant van de weg. Maar die vertakking is een weg zonder asfalt, een weg van aangestampte klei en zand. Dat kan de 71, waarover we nog tweehonderd kilometer moeten, toch niet zijn? We nemen de rechtertak, dat is tenminste asfalt. On and on gaat het. Er komt geen einde aan. 70 km, 100 km. Geen bord te zien. Heb ik weer. Eigenwijs. Lione vindt het ineens niet zo ontspannen meer. 130 km, 150 km. Niets, helemaal niets. Oglala National Grassland, zegt een bordje. Zelfs het gras hier maken ze tot een soort beschermd park, denk ik. Veel beekjes: de Short Branch Creek, de Cow Creek, en de False Creek. Een creek die zich als creek voordoet, maar eigenlijk stiekem iets anders is?, denk ik.

Toch nog menselijke activiteit, zo blijkt ineens. Ardmore zegt een bordje. Een verzameling half vergane huisjes, schuurtjes en afbrokkelende bouwseltjes. Autowrakken op alle erven en mobile homes die hun beste tijd gehad hebben. Geen mens te zien, alleen vervaarlijk uitziende valse honden. White trash, schiet het door me heen. Veel blanken uit de sociale onderklasse wonen op veraf gelegen plaatsen. Zo veraf mogelijk. Nu snap ik wel waarom. In de States houdt 50 kilometer van een stedelijk gebied de beschaving op, zei een Amerikaan mij ooit eens. Daar wordt eerst geschoten en dan pas gepraat.

Plotseling voel ik me heel even spijtig dat ik deze weg moest rijden. De locals hier zullen ongetwijfeld vinden dat onschuldige burgers hier niet komen. Een kruispunt. Ik geef extra gas, er zal van rechts echt niets komen. Stilstaan is hier geen optie! Even meen ik uit een van de trailers de loop van een geweer te zien, die zich langzaam weer terug trekt. Nu dringt de betekenis van de zin van de Amerikaan tot me door: “Hope you find the way out of Nebraska!”. Hij bedoelde: "alive"....

In de verte zie ik het mooiste bordje dat ik op dit moment kan bedenken: South Dakota welcomes you. And I welcome South Dakota......

 

   

HORROR HOTEL OVERLOOK

Hoewel ik er altijd het beste van heb proberen te maken in het leven, ben ik, zoals de meeste mensen, niet 'brandschoon'. Ik ga hier niet alles onthullen maar 1 ondeugd bekennen durf ik wel. Ik heb er lang over nagedacht, maar hier is-ie dan. Sometimes a man has gotta do, what he has gotta do.

Colorado, USA, Rocky Mountains. Toen ons volgende reisdoel vaststond, legde ik onmiddellijk de link met het Overlook Hotel in Estes Park, Colorado. De film ‘ The shining’ , een van mijn favoriete films. Jack Nicholson speelt schrijver, die een betaalde baan nodig heeft en huisbewaarder wordt in het Overlook Hotel. Hij neemt samen met zijn vrouw en zoontje de intrek voor de winter. Een eindeloos lange winter waarin het gezin door de overvloedige sneeuwval compleet van de buitenwereld zal zijn afgesloten. Jack moet de verwarmingsinstallatie aan de praat houden en kan zo eindelijk eens tot het schrijven van zijn boek komen. Veel ga ik er verder niet over vertellen. De film is bloedstollend spannend. Jack’s vrouw ontdekt na een paar weken dat hij al die tijd niets anders heeft opgeschreven dan ‘ Iedere dag werken en niet betaald krijgen, maakt van een man een saaie jongen ‘. Korte tijd daarna wordt Jack psychotisch, gewelddadig en….Nee, hier stop ik even.

Dat hotel dus. In 1997 is er een mini TV-serie opgenomen. Ik wil hier heen. Dwalen door de gang waar Jack met zijn bijl schreeuwend rondrende. Het sfeertje proeven bij een kop koffie. Kijken of de levende doden in het hotel ook aan mij verschijnen. Paar foto’s maken. Als we in Estes Park aankomen, doen we eerst de dingen die altijd eerst moeten. Wat eten, pinnen, hotelletje zoeken en dan begint de opwinding bij mij toe te nemen. Het is een paar straten omhoog vanuit de hoofdstraat en dan ligt het er echt: het Overlook Hotel. Een groot wit hotel met rode daken en met de kolossale bergen op de achtergrond. Op het grasveld voor het hotel zie ik in gedachten Jack (‘ Here comes Johnny!’) met zijn sneeuwscooter in razernij rondjes over de meters hoge sneeuw draaien. We willen naar binnen. Ah, daar is een parkeerplek vrij. Achterwaarts insteken, nee wacht, dat plekje is nog beter. Eerst even omdraaien. En dan gebeurt het.

Een zachte boem, iets zit mijn achterkant in de weg, nog een beetje gassen, misschien een kei waar ik overheen moet. Nog een boem. Uitgestapt. En ja hoor. Onze grote stoere Amerikaanse SUV heeft het met het grootste gemak voor elkaar gekregen. Het was geen kei die hij had weggewerkt, maar een paal van zeker een meter hoog. Een gele markeringspaal. In plaats van 1 meter hoog is hij nu 1 meter breed. Een grote lelijke gele kras op mijn huurauto. Weg is de illusie, weg is het enthousiasme, weg enchanted moment. Hier geldt maar 1 oplossing: wegwezen!! In nog geen twee seconden flitst het door mij heen: hotel ingaan, opbiechten, iemand loopt mee, schade opnemen, meteen betalen of anders in jail, borgtocht misschien niet kunnen betalen, schade in Nederland zien te verhalen, oponthoud, misschien wel uren lang. Vandaag geen zin in.

Ik scheur weg, het pad af richting de grote weg, vergeet bijna voorrang te geven (wat hier heel erg opvalt, want Amerikanen zijn heer in het verkeer) en schiet de weg op, de bergen in, in volle vaart. Fantasie neemt het zoals wel vaker bij mij over. Ik zie mezelf al als fugitive zitten in de bergen totdat een peloton van Estes Park Vice mij dwingt mijzelf over te geven. ‘ Come on out with your hands right up, mister!”. En op het nieuws van Estes Park Channel Two: “ Breaking news, ladies and gents, we’ve got him”. Ik kijk geregeld achterom om te zien of de sherrif mij al in de picture heeft.

Later die middag doen we de plaatselijke Wallmart aan. Op zoek naar een schuursponsje. Waarom onthouden we nooit woorden in een andere taal die er echt toe doen? Schuursponsje, wat is dat in godsnaam in het Engels. We vinden er eentje en met wat water uit onze flessen proberen we voorzichtig de grote kras weg te poetsen. Niet te hard natuurlijk. Als dieven in de nacht werken we op een afgelegen parkeerplaats aan onze macabere missie: er mag geen spoortje geel meer te zien zijn! Maar onze scourer (natuurlijk: scoure, schuren) doet niet wat wij willen.


‘s Avonds parkeren we onze auto, met grote gele streep die steeds groter lijkt te worden, in het centrum van het stadje. In een parkje treedt een countryzanger op die verdacht veel op John Denver lijkt. Nee hij is het niet, hier geen levende doden. Geroutineerd deelt hij handtekeningen uit aan zijn fans. En dat zijn er nogal wat. Meestal oudere dames met mooi aangeklede hondjes in hun arm. Lione wil een foto van de man nemen en glimlachend en bereidwillig poseert hij. En mijn gedachten gaan uit naar het Estes Park Police Department. De sheriff zal ongetwijfeld het parkeerterrein gecontroleerd hebben en de gele vlek over mijn hele achterkant onmiddellijk in verband gebracht hebben met het Overlook Hotel. Er is immers maar 1 hotel dat die kleur geel gebruikt. Op zoveel sheriffslimheid zal die dader vast niet hebben gerekend…..

Terwijl pseudo John Denver aan een nieuw stuk begint, dwalen mijn gedachten af naar San Quentin, de uiterst beruchte en gewelddadige gevangenis ten noorden van San Francisco. ‘ San Quentin, you’re al living hell to me’ , zong Johnny Cash ooit. Ik wil niet naar een Amerikaanse gevangenis, nu niet, nooit niet. Ik heb eens beelden gezien van het publiek van Johnny in die gevangenis. Wat een woeste rauwe koppen. Ze lusten je levend, zo veel is wel duidelijk. En daar moet je dan iedere ochtend mee douchen. Een koude douche, ongetwijfeld.

Na een rusteloze nacht rijden we de volgende dag de staat Colorado uit, Wyoming in. ‘Howdy stranger, this is Wyoming, the last of the wild west’, vertelt een bord ons. Maar ja liever nog het wilde westen dan een douche in San Quentin. We gaan er voor.

 

 

TOT OP DE BODEM EN DAN WEER TERUG

Ik zit in een busje in een schaars verlichte ondergrondse parkeergarage in Las Vegas. Het is ‘s morgens vroeg, vijf uur. Ik wacht……Het lijkt of ik een rol heb in een spannende Amerikaanse actiethriller, maar de werkelijkheid is ontnuchterend. We wachten op enkele gasten die meerijden naar Boulder City, waar zich een klein vliegveld bevindt. Vandaag vliegen we naar het westelijke deel van de Grand Canyon (West Rim).

We hebben maar een paar uur geslapen, maar ja, dit is Vegas. Hier pak je iedere minuut mee. Slapen is hier een beetje zonde van de tijd. De stad zelf lijkt echter om vijf uur wel in slaap gesukkeld te zijn: de meeste restaurants – niet alle - zijn dicht, de goktafels en gokautomaten in de hotels zijn nog wel in bedrijf - enkelen gokken nog lustig door - ,de lichten en neonreclames flikkeren - maar niet overtuigend meer - en verder is het tamelijk stil op straat. Een enkeling, nog niet uitgegokt of uitgedronken, zwalkt doelloos door de stad. Verder wat zwervers, onduidelijke figuren en dames die beroepsmatig op straat aanwezig zijn. Het is broeierig warm.

Jeff is de piloot van ons kleine toestel. Routineus stuurt hij het vliegtuig tot ongeveer 800 meter hoogte. We zien het weidse woestijnlandschap onder ons voorbij glijden, roodbruine bergen in de ochtendzon, de Hoover Dam en Lake Mead. Als een zilverblauwe slang kronkelt het meer, in feite een met water volgelopen canyon, door de geelbruine woestijn. Na 35 minuten landen we op het kleine vliegveldje van Grand Canyon. De helikopter even verderop gaat ons naar de bodem van de Canyon brengen!

De helikopter stijgt op en maakt een flauwe bocht richting de Canyon. We vliegen boven het vlakke land van de hoogvlakte en dan ineens duikt onze heli een gat in, een scheur van flink formaat in Moeder Aarde. Ik krijg een licht weeïg gevoel in de maag, dat al snel overgaat in een euforisch, gelukzalig en ‘licht’ gevoel. Als een vlinder zweven we naar beneden totdat we de bodem van de kloof raken. Overdonderd door deze afdaling stap ik uit en ik voel me nietig als ik opkijk naar de enorme wanden van de Canyon. We dalen nog iets verder af om de traag stromende Coloradorivier te gaan bevaren. Jimmy is onze bootsman.

Hij vertelt: “de bruine kleur van de Coloradorivier wordt veroorzaakt door klei, dat van de oevers van de rivier af komt. De kleiwand aan de oevers erodeert eigenlijk. In feite is zo de Canyon ontstaan: uitgesneden door dit kleine riviertje tot een canyon van 1500 meter diep, en op sommige plaatsen 20 kilometer breed. Het water in de rivier staat vijf meter lager dan enkele jaren geleden”. En terwijl Jimmy routineus zijn verhaal afsteekt neem ik deze grootse omgeving gulzig in me op. Rustig klotst het water als we over de rivier op de bodem van deze immense kloof verder varen. De wanden van de canyon links en rechts van ons zijn bijzonder imposant, de geërodeerde lagen zijn mooi te zien. Wat een schitterende plek om te zijn. Er zijn hier overigens weinig dieren: in het water vind je de meerval en de forel en op het land de ratelslang. Als hij je bijt, dan heb je 45 minuten om bij een ziekenhuis te komen. Gelukkig staat onze helikopter vlak bij….

Daarna gaan we weer omhoog met helikopter. En het is alweer een spectaculaire ervaring. Het is alsof je in razendsnel tempo de steile wand beklimt en er tegelijkertijd vlak langs scheurt in horizontale richting. Als een nietig insect langs een enorme rotswand vliegt onze heli, langzaam maar zeker steeds hoger. Dieper en dieper wordt het dal onder ons, totdat de top van de kloof is bereikt. Als de helikopter boven de canyon uitstijgt, vliegt hij in feite op de “ begane grond”. Een vlakke wereld in de wijde omgeving om ons heen. Een fascinerende overgang. Het IMAX- theater kan dit niet verbeteren….

Daarna gaan we naar de Skywalk. Een Amerikaanse zakenman kwam met het idee van de Skywalk: een hoefijzervormig glazen platform dat twintig meter van de canyonrand uitsteekt. Het kostte destijds aardig wat moeite om de Indianen van de Hualapaistam, op hun grondgebied moest deze Skywalk immers komen, te overtuigen. Daarna moest nog 30 miljoen gevonden worden om het geheel te financieren. Als je op het platform loopt zie je door het doorzichtige glazen pad van tien centimeter dik de bodem van de canyon, 1200 meter beneden je. Voor wie stalen zenuwen heeft, is dit een attractie die niet valt te missen.

De schoenen moeten uit, op onze sokken betreden wij het glazen platform. We schuifelen voorzichtig, alsof we bang zijn door het glas te zakken, iets dat – natuurlijk weten we dat – onmogelijk is. Het glas is berekend op een gewicht van 35.000 ton, dat is gelijk aan 72 volgeladen Boeings! Voorzichtig kijken we naar onze voeten en naar de peilloze diepte onder die voeten. Stalen zenuwen, ja, die moet je zeker hebben, vinden wij. Blij dat we dit hebben aangedurfd en hebben mogen meemaken nemen we daarna de lunch, een Indiaans gerecht: kruidig draadjesvlees, puree en groente. Daarna wandelen we nog wat langs de rand van de canyon. Dit is een minder bekend, maar zeker fascinerend deel van de Grand Canyon! Een vlucht van 35 minuten brengt ons tenslotte weer veilig terug in Las Vegas. Vegas moet verder ontdekt worden. De adrenaline van deze spannende dag zit nog steeds in ons lijf.

Amerikanen zijn terecht trots op ‘hun’ Grand Canyon. Ze beschouwen het als iets waar je een keer in je leven geweest moet zijn. Een Mekka voor iedere Amerikaan. De meesten van hen maken deze droom, het zien van deze canyon - die voor hen de grootsheid van Amerika bewijst - wel waar. Ik geef ze geen ongelijk. Ik zou eigenlijk alle Nederlanders hetzelfde advies willen geven: eerst de Grand Canyon zien en dan sterven. Dat laatste zou ik overigens zo lang mogelijk uitstellen. Het eerste niet.

 

 

 

VENICE BEACH, KLEURRIJK AMERIKAANS

Als je langs de beach communities van Los Angeles naar het zuiden rijdt, gaat Santa Monica naadloos over in Venice Beach. De bebouwing en de sfeer veranderen echter meteen. Santa Monica mag je chique noemen, met een brede door bomen omzoomde wandel/fiets/sportboulevard langs de oceaan, en met een duur winkelcentrum. Venice Beach is er voor de gewone man en vrouw, voor jongeren vooral die weinig te besteden hebben. Er zijn veel goedkope hotelletjes, restaurants en winkeltjes aan een kilometers lange boulevard, en de sfeer heet er iets te hebben van artistiek, bohemienachtig.

We lopen over het mooi aangelegde brede zandstrand en we zien jongeren, in alle soorten en maten. Vreemde vogels, kleurrijke mensen, white americans met hun witte lijven en overvloedige tattoo’s, maar vooral veel Mexicaanse en zwarte jongeren. Hippies, huisvrouwen, bendeleden, motorrijders, zakenlui, fitness fanaten, sportievelingen met spierballen als de bergen die LA omringen. Straatartiesten, pensionados met de verkeerde shirts en foute witte sokken in de sandalen. Skatende dames met wapperende haren. De geur van wiet, hiphopmuziek. Kleurrijk beschilderde gevels, graffiti, veel stalletjes met goedkope prullaria, eettentjes, een grote skatebaan, een ruim strand. Optredens, demonstraties. Dit is een plaats om gezien te worden en voor de mensen die niet per se gezien willen worden is het een plaats om te zien, om rond te kijken en de sfeer op te snuiven.

Dat laatste doe ik ook. Een zwarte jongen biedt mij een cassettebandje te koop aan: “hip hop music from the real ghetto boys of LA” zegt hij er bij. Alsof dit mij moet overtuigen om te kopen: een echt live gerapt stukje muziek, rechtstreeks en vers uit de buurt waar het vandaan hoort te komen. De buurt – niet zo heel ver verwijderd van Venice Beach - waar je niet wilt stoppen met je auto, laat staan wilt uitstappen. Even denk ik aan mijn zoon (die hip hop producer en dj is), voor wie dit wellicht een ultiem authentiek en historisch muzikaal document kan blijken te zijn, maar waarschijnlijker nog wordt ik flink genept. (Die waarschijnlijkheid heeft mijn zoon later – toen ik hem dit vertelde - omgezet in een zekerheid). Ik weiger beleefd en dan voegt de jongen mij toe: “The ghetto boys of LA don’t like you now”. Normaal had zo’n opmerking mij bijzonder moeten verontrusten, met ghetto boys uit LA wil je sowieso niet zo veel te maken hebben, maar dat ze openlijk tegen je uitspreken dat ze je niet mogen….. Ik maal er niet om, want ik kijk al weer verder.

Zo veel te zien hier. De Vietnamveteraan die met een grote vlag van de VS rondloopt en na al die jaren nog altijd zwaar miskend zijn erkenning zoekt. Het inmiddels oude en bejaarde hippievrouwtje dat, in een rolstoel gezeten, liefdevol wordt rondgereden door haar al even oude en verlopen hippievriendje. Veertig jaar na dato zijn ze in hun levenshouding nog geen spat veranderd. Will you still need me, will you still feed me when I’m sixty four? Ja hoor, in dit geval wel.

De voorbij vliegende skaters en joggers. ‘ Blurred lines’ schalt uit een draagbare radio. Typisch Amerikaanse families: Pa, Ma en de kinderen allemaal kogelrond en van plan om er vandaag nog heel wat calorieën aan toe te voegen. Big, bigger, biggest. Allemaal mensen, en allemaal komen ze hier om zich te vermaken, om te sporten, om te relaxen, om te eten of drinken, om op te vallen, om helemaal niets te doen, om te kopen of om te verkopen. Venice Beach is, ondanks het feit dat het hier bijna altijd zonnig en lenteachtig warm is, met zijn wuivende palmbomen en een spierwit strand, geen plek om de zee in te gaan. De Stille Oceaan is hier met een gemiddelde temperatuur van 12 graden gewoon te koud. Hier gaat het om het ‘er zijn’. Om het strand, een bekend strand waar het vanuit het aangrenzende Hollywood gemakkelijk was om naar toe te gaan voor filmopnamen. Venice Beach figureert dan ook in menige TV-serie en Hollywoodfilm.

Bij de kusten van Californie had ik vroeger een beeld voor ogen dat leek op een onbezorgd paradijs voor levensgenieters. De Beach Boys, die zo harmonieus de California Girls bezongen. De West Coast, stranden met palmbomen, altijd zon, harmonieuze vrolijke popmuziek en mooie onbezorgde mensen. Dat is Venice toch net niet helemaal, afgezien van de zon en het strand, en het is tegelijk toch ook weer wel een beetje het Amerika, zoals ik het vandaag de dag had verwacht. Een mooie dwarsdoorsnede van Los Angeles, van Californie. Het Californie, dat voor veel Amerikanen nog altijd een beter leven belooft en waar het in veel opzichten ook beter is dan in veel andere Amerikaanse staten. Venice Beach, het strand waar volgens de overlevering Jim Morrison – die destijds in Venice Beach op 14 Westminster Avenue woonde – in de zomer van 1965 Ray Manzarek ontmoette, wat leidde tot de geboorte van de legendarische rockband de Doors.

Maar vooral is het hier anno 2013 gewoon gezellig en we vinden iedere seconde, iedere meter leuk. En dat lijken de meesten hier te doen. Het is hier zoals het is bedoeld. Ongecompliceerd zonder al te veel pretenties, en het is voor iedereen. Het is een prettige variant van Amerika, in het klein. The place to be of in ieder geval: the place where you should have been….. Al is het maar voor 1 keer in je leven.

 

 

 

PARKEREN IN SPANJE

“Niets is onmogelijk”. Het zijn vooral Amerikanen die hierin geloven. Ik moet zeggen, ze brengen soms ongelooflijke dingen tot stand. Maar alles mogelijk? Stel dat dat zo is, dan is er in ieder geval één uitzondering. “Niets is onmogelijk, behalve parkeren in Spanje”.

Parkeren is iets waar je in Spanje eigenlijk niet eens aan moet beginnen. Don’t even think about it. Wat al voor parkeerplek kan doorgaan staat altijd vol geparkeerd. Nog nooit heb ik meegemaakt dat ik ergens keurig achterwaarts kon invoegen. Hé fijn, er is nog een plekje vrij. Dat is nog eens mazzel hebben. Nou vergeet het maar. Hoe die plekken dan zo bezet komen is mij ook een raadsel, want ook deze chauffeurs zijn ooit aan komen rijden; toen was het plekje blijkbaar wèl vrij. Als er al een auto weg rijdt, staat de auto die zijn plaats in wil nemen er haast eerder dan de wegrijdende auto! Er zijn trapveldjes, modderveldjes, braakliggende terreinen en onkruidveldjes, die door slimmeriken uitgebaat worden en waar je tegen betaling je wielen de modder in mag rijden. Maar ook die blijken vol! Barstens vol.

Parkeergarages, natuurlijk zijn die er. Ze zijn blijkbaar gebouwd voor opvouwwagentjes of rollators, maar zeker niet voor auto’s….. Ik moet zeggen: veel Spaanse autootjes zijn kleiner dan de gemiddelde auto in Nederland. Maar ook die Spaanse rotkarretjes (ze glippen op de weg met een noodvaart overal tussendoor en bezorgen mij geregeld bijna een hartstilstand) moeten voorzichtig in parkeren in deze miniholen. Ik sla de meeste parkeergarages over. Ik heb ze uitgeprobeerd en ben er met heel veel moeite weer uitgekomen. Achterwaarts omhoog rijdend in een bocht van 270 graden, omdat ik onmogelijk rechtdoor kon. Vijfmaal steken om een bocht te kunnen nemen. Nee, laat maar. Dank u wel. Ik rijd wel even verder. Inmiddels ken ik in de dorpen waar ik geregeld kom de geheime plekjes wel. In ken zelfs een enkele parkeergarage waar de automobilist zich op een vrij normale manier in kan bewegen. Als u tot de vergevorderden autorijdenineenSpaanseparkeergarage behoort.

Ik zie er inmiddels niet meer tegenop om de auto te pakken om in het dorp een boodschap te doen. Eigenlijk zie ik nergens meer tegen op sinds mijn auto Sevilla heeft overleefd. Zonder ook maar een schrammetje of krasje. Wat hier voorzichtig al El Milagro de Sevilla, het Wonder van Sevilla, wordt genoemd. De aanvraag is al onderweg naar het Vaticaan.

We moeten in Sevilla op de Castellar zijn. Zo heet de straat. Tom Tom, onze gids op het Spaanse wegennet, die ons in ongeveer 80% van de gevallen op het juiste adres aflevert, herkent de Castellar meteen als ik hem vlak voor Sevilla in tik. 10,4 km. Mooi. Daar gaan we. Even later rijden we over een brede drukke weg de stad in. Maar eenmaal bij het centrum aangekomen, dirigeert Tom ons al snel een onooglijk kleine straat in. OK, dat kan. Even later rechts, links, links, rechts, allemaal kleine straten. Maar het is nog te doen. Het gaat zo minuten lang door. Het schiet allemaal niet op. Nog 6,4 km. De straatjes lopen omhoog, omlaag, in bochten, nauwe bochten, onmogelijke bochten, ze zijn donker en de huizen zijn oud en hoog. Middeleeuws Sevilla. Het zal best mooi zijn. Maar als je uren hebt gereden, honderden kilometers, dorst en honger hebt, dan mag het wel sneller gaan.

Inmiddels hebben we het vermoeden dat we steeds verder een wespennest in rijden, een mierenhoop, een spinnenweb, waar we nooit zo maar meer uit kunnen. Ik moet denken aan de laatste regels van het liedje van de Eagles, Hotel California: “You can check out any time you like, but you can never leave”. Obstakels zoals bankjes, boompjes, muurtjes, containers, scooters, honden, paaltjes, verkeersborden ‘verboden te parkeren’ (parkeren? waar dan?), hekken, gaten en oude vrouwtjes omzeilend ga ik langzaam door de steeds smaller wordende straatjes.

Tom blijft onvermoeibaar optimistisch. Als ik nu maar gewoon naar hem luister (hier links graag), dan komt alles goed. Wat Tom niet kan weten is dat in sommige straten waarin hij ons wil hebben het eenrichtingverkeer is omgedraaid. Het wordt een niet te ontwarren kluwen. De straatjes worden steegjes, spleten. Ik zie mensen kijken, wat doet die Nederlandse auto hier? Maar Tom zegt dat ik er toch echt mag rijden. Soms is het verboden in te rijden, maar Tom zegt…..

Even later zijn de straten zo smal dat ik met mijn armen beide kanten zou kunnen aantikken. Stapvoets gaat het. Zou het lukken? Omdat ik beide spiegels heb ingeklapt lukt het net. Maar verderop lijkt de straat al weer smaller te worden. Als een ware Houdini, de boeienkoning van weleer, worstel ik om los te komen uit deze boeien. Nauwelijks manoeuvreerruimte. Zweetdruppels bungelen aan het stuur. Ik zit vast. Straks moet ik helemaal terug, in zijn achteruit. Weer door die smalle spleten maar dan in omgekeerde volgorde.

Ik draai met vier keer steken nog eenmaal naar rechts. Castellar!!! Saved by the bell. Nu het nummer nog. Nr. 24. Langzaam worstel ik me door de Straat van de Redding. 18, 22, 24. Stop. Ik zie geen hotel. Lione ook niet. Op 24 is een bakkerswinkel. Ik stap uit om te gaan vragen. Achter me staat het verkeer te ronken en toeteren, maar ik moet eerst informatie hebben voordat ik verder wens te rijden. “Castellar 24” zeg ik in mijn beste Spaans tegen de dame achter de toonbank. En meteen begint ze hard te lachen. Nee, dit spreek je uit als Casteljar. Casteljar is met 2x l. Castelar is met 1 x l en daar moet u zijn. Daar is uw hotel. Cas-te-lar 24.

Ik spring de auto weer in. Ja ja, ik ga al… Tranquilo, ja!!! (Je moet ze een beetje aanpakken, die Spanjaarden…). Ik geef het nieuwe adres aan Tom. Even zoeken, ja gevonden. 6,4 km door de nauwe binnenstad. 23 minutos. Helemaal aan de andere kant van het centrum. Door een wirwar van dunne kronkelende spinnendraden, zegt het plattegrondje. Ik druk op de startknop en rijd zuchtend weg…….

Naschrift:

Natuurlijk is het deel van het verhaal dat over de slechte parkeergarages en parkeermogelijkheden gaat wat ironisch bedoeld. Er zijn inderdaad weinig parkeerplekken te vinden en de garages zijn ook klein en oud, maar niet altijd en niet overal natuurlijk. Er zijn ook een aantal mooie en moderne garages te  vinden, zoals bv in Alicante en Valencia.

                                                                                                                       

LEVEN IN EEN   ' INFORMAL SETTLEMENT'          

Een vrouw toont ons twee geitenkoppen uit een hele serie koppen, die zij verkoopt tussen de rommel van de straat. ‘ Hier kunnen vier of vijf grote mannen van eten”, zegt zij. Vol afgrijzen kijken we toe. Het is onvoorstelbaar dat hier nog een stukje vlees van af gegeten kan worden, laat staan door vier grote mannen, die over het algemeen niet genoeg hebben aan een kleine portie. We zijn in Langa, een van de townships van Kaapstad. Het contrast met het straatbeeld in het centrum van Kaapstad is enorm.  De townships van Kaapstad liggen aan de andere kant van de stad, achter het bergmassief. Capetown Flats heet dit gebied, een vlakte die zich tientallen kilometers uitstrekt vanaf het centrum naar het oosten. Sommige townships, zoals Khayelitsa, hebben bijna 1 miljoen inwoners.

Informal settlements noemen ze het hier. Dat geeft al aan hoe er nog steeds naar deze woonwijken gekeken wordt: het is er wel, maar eigenlijk (liever) ook niet. Delen van townships zijn illegaal, ook de stroom wordt b.v. illegaal afgetapt. Het zijn verzamelingen armoedige bouwsels, veelal ongeschikt om in te wonen, maar dat gebeurt toch. Kleine hutten, bouwsels van golfplaat, karton, papier, stof. De armoede druipt er vanaf. Er zijn wel gradaties in armoede, want we zien ook kleine flats en kleine stenen huisjes, vooral in Langa dat het oudste township is.

Townships zijn het overblijfsel van de misvatting van een kleine groep blanken om een multicultureel land alleen te willen besturen. Als je onderdrukt, ben je bang. Bang dat de onderdrukten ooit de macht krijgen. De zwarte bevolking is in de meerderheid. Die meerderheid kan op een goede dag zo maar over je heen lopen. Om dit te voorkomen, om de stille meerderheid in het gareel te houden en om je eigen angst te kanaliseren, om grip te krijgen op je eigen angst, zet je ze bij elkaar. Je verdrijft ze uit de steden naar de randen van die steden. Zo heb je maximale controle. En dan noem je ze ‘ informele’ nederzettingen.

Townships waren er al in de jaren twintig omdat ook toen de politiek van gedwongen gescheiden wonen van blank en zwart al werd gevoerd. Later werd dit voortgezet onder de ‘apartheid’  die rond 1950 steeds meer een stempel op dit land ging drukken en in een verregaande vorm werd doorgevoerd. Zo werd in de zestiger jaren van de vorige eeuw de grote multiculturele volkswijkdistrict 6 in het centrum van Kaapstad met de grond gelijk gemaakt en werden de bewoners gedwongen richting de townships op de Cape Flats gedirigeerd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De townships groeiden ook na de afschaffing van de apartheid in 1990 gewoon door, met een ongekende snelheid zelfs. Nu iedereen overal vrij was om te gaan, te staan en te wonen trokken vele zwarten naar de townships, omdat zij niet in ‘ blanke’  wijken wilden wonen. Zo bleef en blijft ondanks het theoretisch niet meer bestaan van de plicht om gescheiden te wonen, het gescheiden wonen in Zuid-Afrika in de praktijk nog overal in stand. In bijna alle steden en dorpen zie je naast het oorspronkelijke dorp of stad een tweede dorp of stad liggen (vaak veel groter dan het eerste), de sloppenwijken. De tweedeling is er eigenlijk nog steeds, evenals het wantrouwen dat blank en zwart hebben, de angst die vooral blank nog heeft. En toch gaat het beter.

Als we in Langa onze truck uitstappen, valt het eerst nog mee. Er staan op het oog ordelijke huisjes en kleine flatgebouwen. In deze bouwsels wonen op iedere verdieping meerdere families. Iedereen heeft 1 kamer en een gedeelde keuken. Op straat veel mensen. Dit zie je overal in het land. Er hangen veel mensen, vaak mannen, doelloos rond op straat. Logisch, als je bijna geen thuisruimte hebt, dan ga je naar buiten. Bovendien is het belangrijk om zich te laten zien: wellicht kan er een baantje of korte werkopdracht gescoord worden. Het straatbeeld is dan ook overal ‘levendig’  maar soms kan het bedreigend overkomen, al die rondhangende en rondslenterende mannen. Wat het overigens, zeker overdag, niet is. We kijken in een van de ‘flats’  binnen en bezoeken daarna een schooltje. We wandelen door de township: huisjes van bordkarton, golfplaten, sommige bouwsels vallen bijna van de heuvels af waarop ze opgepropt staan. De mensen zijn over het algemeen vriendelijk en ze stralen ook uit dat deze manier van ‘samenleven’  (dicht op elkaar) veilig is. Dit laatste is schijn. Er is bijzonder veel criminaliteit en een leven is hier weinig waard.

Maar wij worden, als buitenlandse bezoekers, toch vriendelijk ontvangen. Het rommelige op straat (ook letterlijk, je ziet overal veel rommel in de townships) geeft een ‘ derde wereldland-indruk”  en misschien is het hier ook wel de derde wereld. Overal probeert men eigen zaakje op te zetten: men begint een kapsalon of cafeetje met zelf gebrouwen bier in de golfplaten rommelhokken. Een klein jongetje van nog geen twee loopt op blote voeten. Niemand lijkt zich om hem te bekommeren. Hij loopt er gewoon en iedereen laat hem lopen.

Zaken die bij ons ondenkbaar zijn. Een heel andere wereld en eerlijk gezegd vinden wij de omstandigheden allerbelabberdst. Er is weinig hoop dat dit snel gaat veranderen. Alleen in het oosten van het land zullen wij later wat meer ordelijke townships zien, met kleine stenen huisjes. Hier, in de grote steden, lijkt iedereen neer te ploffen met wat bouwmateriaal, tussen de anderen. Of er nu plaats is of niet. Het is niet vreemd dat de criminaliteit hier hoog is. Een paar dagen eerder zijn hier bij een schietpartij maar liefst elf mensen omgekomen, en een mensenleven lijkt hier niet veel waard. Toch proberen de mensen hier hun leven te leven en er het beste van te maken. De glimlach is overal aanwezig.  Later rijden wij ook door enkele andere townships, zoals Bonteheuwel, Mitchells Plain en Khayelitsa, en we schrikken van de massaliteit van de armoede. Een indrukwekkende ochtend.

Het houdt niet op als ik me inmiddels weer in mijn eigen comfortzone bevind; ik moet er nog geregeld aan denken.