COSTA RICA
 
Costa Rica is een klein land in het zuidelijk deel van Midden-Amerika. Aan de zuidkant wordt het door buurland Panama van Zuid-Amerika gescheiden. In het noorden grenst Costa Rica aan Nicaragua, aan de westkant ligt de Stille Oceaan en aan de oostkant de Caribische Zee. Hoewel Costa Rica slechts zo groot als Nederland en Belgie samen is heeft het land enorm veel te bieden: 1/3 van het land is Nationaal Park, beschermd natuurgebied dus. In het midden van het land loopt een bergketen met vulkanen; links en rechts van de bergketen strekken zich uitgestekte nevelwouden, tropische regenwouden en mangrovebossen uit. Het dieren- en plantenleven is dermate rijk dat het land terecht de naam Rijke Kust (Costa Rica) kreeg.
Op het westelijk halfrond heeft Costa Rica samen met Canada de bezoeker het meeste te bieden aan natuur. Costa Rica is dan ook op weg om een vakantieland bij uitstek te worden. Het land heeft terecht een grote aantrekkingskracht op iedereen die van de ongerepte schoonheid en puurheid van de natuur, exotische planten, bloemen, bomen en dieren houdt. De kunst van het maken van tochten door de natuur, hetzij lopend, hetzij per boot, is het spotten van wildlife. Die kunst hebben wij geleerd, en je hoeft er niet eens zo veel moeite voor te doen om dieren te zien. Overal zijn ze.
Bij dit alles nog gevoegd dat het land vreedzaam en - voor Latijns-Amerikaanse begrippen – relatief veilig, zeer betaalbaar is en een vriendelijke bevolking en een tropisch klimaat heeft, maakt dat Costa Rica een absolute topper is als reisbestemming. Voor ons bleek het in ieder geval een uitstekende keuze.
San Jose
Na een lange vlucht, met een overstap en het nodige oponthoud in Miami, komen we vroeg in de avond aan in San Jose. Het vliegveld van San Jose heeft een korte landingsbaan, die bovendien vlak achter hoge bergen ligt. Als het zicht slecht is vanwege mist en regen (wat wel voorkomt) heeft de piloot enkele seconden om te beslissen of hij zal landen of om meteen een doorstart te maken om het later nog eens te proberen. Het laatste overkwam ons: we hadden het gevoel de grond al te moeten raken toen de piloot snel weer optrok. We hebben geluk gehad, want het oponthoud in de lucht duurde niet lang: na een uur rondcirkelen boven het vliegveld was het zicht verbeterd en konden we alsnog landen. Het komt wel voor, dat bij blijvend slecht zicht, wordt doorgevlogen naar Panama.
We zitten in hotel Balmoral, een goed hotel in het hartje van de stad. We zien (nog) niet veel van de stad. We zijn al 16 uur onderweg, voor ons gevoel is het midden in de nacht, en we gaan daarom maar vroeg (Costa Ricaanse tijd) slapen.
De volgende dag gaan we al vroeg op weg richting La Fortuna, naar het noorden van het land. San Jose is geen imponerende stad. Afgezien van het gezellige centrum zien we veel rommelige laagbouw, typerend voor Latijns-Amerikaanse landen. San Jose ademt een beetje een provinciaalse sfeer uit, hoewel het voor de Costa Ricanen (Tico’s) absoluut de ‘grote’ stad is. We rijden de stad uit.
San Jose ligt op de centrale hoogvlakte, in het midden van Costa Rica, omringd door bergketens. De stad ligt vrij hoog, meer dan 1000 meter, waardoor het hier relatief wat koeler is (20 tot 25 graden). Op de centrale hoogvlakte liggen nog drie andere ‘grote’ steden: Herredia, Alajuela en Cartago, dat vroeger de hoofdtad was van Costa Rica. Rond 1820 ontstond er een kleine burgeroorlog tussen de vier genoemde steden. Cartago koos de verkeerde kant (namelijk die van de uiteindelijke verliezer) en moest dit bekopen met het afstaan van de status van hoofdstad. San Jose, dat 20 km verderop ligt, werd de hoofdstad. Hier wonen de meeste Costa Ricanen.
Buiten de hoogvlakte komen we nauwelijks nog steden en dorpen van betekenis tegen. Hier overheerst de natuur. De Costa Ricanen zijn hun natuur gaan beschermen omdat buitenlandse initiatiefnemers hen er van wisten te doordringen dat een onaangetast land, vol met natuurschoon beter was en bovendien toeristen zou kunnen aantrekken. Toerisme is nu (na software (!) en export van bananen) inkomstenbron nr. 3 van het land. De meeste toeristen zijn Amerikanen, Spanjaarden en Nederlanders.
Het land is een democratie, wat haast een unicum in dit deel van de wereld is, en heeft nauwelijks opstanden en oorlogen gekend. Het leger werd in 1948 afgeschaft. Costa Rica is vreedzaam en ademt idt ook uit. Door het ontbreken van oorlogen was het land in staat zijn krachten te wijden aan de opbouw van een goed functionerende economie. Het land kende geen tot weinig grootgrondbezitters en het grootste deel van de bevolking behoort tot de middenklasse. Het toerisme is, vreemd genoeg, grotendeels in handen van buitenlanders (Amerikanen), waardoor de prijzen helaas stijgen. Je kunt in Costa Rica overal, maar dan ook echt overal, betalen met Amerikaanse dollars.
Naar La Fortuna
We rijden door een groen landschap de provincie San Jose uit, de provincie Alajuela in. We stoppen bij een koffieplantage en zien ook suikerriet, bananen, sinaasappels, ananas, dat overal groeit. Koffie en bananen komen oorspronkelijk niet uit Costa Rica. Het zijn geimporteerde produkten, die hier echter goed bleken te groeien. Nu is het land een van de grootste exporteurs van tropisch fruit. Let er maar eens op als je een blikje fruit (Delmonte) of gewoon fruit koopt in de supermarkt.
We maken een koffiestop met prachtig uitzicht op het nevelwoud en de waterval van La Paz. Een nevelwoud is een tropisch woud dat zo hoog ligt dat er vrijwel voortdurend mist en nevelflarden tussen de berghellingen hangen. Hele fijne regendruppels komen voortdurend neer. Het is er ook een stuk koeler dan in het tropische laagwoud. Het uitzicht is adembenemend. Er vliegen kolibries heen en weer, die worden gelokt door potjes met een zoetige vloeistof, die hier zijn opgehangen. Kolibries maken enorm veel vleugelslagen in korte tijd. Daardoor blijven ze in de lucht op dezelfde plaats. Desondanks zijn ze snel, zo snel dat het moeilijk wordt om ze te filmen en te fotograferen. Met enig geduld lukt dat echter wel.
Halverwege de dag arriveren we in La Fortuna. Vlak bij dit dorpje ligt de vulkaan Arenal. Lange tijd werd gedacht dat dit een “gewone” berg was, totdat hij in 1968 plotseling tot leven kwam. Dit verrastte iedereen. De vulkaan is nog altijd actief en ’s avonds zijn de gloeiende lavastromen te zien. Als er tenminste geen wolken rond de vulkaan hangen. La Fortuna (Het Geluk) dankt zijn naam aan het feit dat het het geluk had aan de “goede” kant van de vulkaan te liggen, waardoor het niet onder de modder- en lavastromen terecht kan komen. Diezelfde vulkaan bezorgt het dorp nu toerisme op bescheiden schaal. Het is een klein plaatsje “under the volcano”.
Onze Luigi’s Lodge ligt aan het einde van het dorp met uitzicht op de vulkaan. Vanaf de deur van onze kamer is het 2 meter naar het koele zwembad. Er valt kort na onze aankomst een plensbui, onze eerste in Costa Rica. Over het algemeen zal het met de regen tijdens onze vakantie wel meevallen, ondanks de regentijd. Door de hevige regenbui is de vulkaan absoluut niet te zien. We gaan daarom terug naar onze lodge en gaan daarna in het dorpje lekker eten. Vanavond hoeven we geen helder zicht op de vulkaan meer te verwachten.
Om half vijf ’s middags vertrekken we naar de heetwaterbronnen op de helling van de vulkaan. Het water wordt verwarmd door de vulkaan en de baden varieren in temperatuur van 50 tot 70 graden. Het regent gestaag door, maar in het warme water merk je daar niet zo veel van. Het is heerlijk ontspannen in deze baden. Na een uurtje of twee houden we het voor gezien, we kleden ons weer om en vertrekken naar onze lodge, 10 kilometer verderop. Daar aangekomen voelen we ons moe, nemen nog een borrel en gaan vroeg slapen. Voor ons (echte avondmensen) iets bijzonders, maar in Costa Rica doe je niet anders. Het is erg vroeg licht en de natuur is ’s morgens vroeg op zijn mooist. Je staat dus vroeg op en gaat – na iedere dag weer een enerverende dag – (meestal) vroeg naar bed.
Het heeft de hele nacht gegoten van de regen. We gaan vandaag een tocht maken naar Cano Negro, een gebied met mangrovewouden, dicht bij de grens met Nicaragua, zo’n 80 kilometer naar het noorden. Tussen Costra Rica en Nacaragua botert het niet echt. Costa Rica is een rijk(er) land, Nicaragua is arm, mede omdat dit land relatief vaak door natuurrampen wordt getroffen. Daardoor is dit land niet in staat zich te richten op het opbouwen van een goed draaiende economie. Veel Nicaraguanen komen naar het noorden van Costa Rica. Ze verrichten zwaar seizoenwerk (oogst), werk dat de meeste Costa Ricanen zelf niet willen doen. Veel gastarbeiders uit Nicaragua blijven hangen, legaal of illegaal. Er zijn er nu zo’n 800.000 op een bevolking van 4 miljoen Costa Ricanen. De Cano Negro is een tropisch laag regenwoud. Het is er erg vochtig en heet. Een drassig gebied ook. Er zijn veel diersoorten te zien. De rit erheen voert door een groen landschap, er wordt suikerriet verbouwd. Veel landbouw, tropische vegetatie. We stoppen bij een grote groep leguanen, die heerlijk liggen te zonnebaden onder een brug. Het weer knapt langzaam op. Eenmaal aangekomen bij onze bestemming breekt de zon door en wordt het snel heet.
We gaan met een boot het drassige gebied in. We zien een weelderig landschap. Brulapen, kapucijnerapen (twee van de vier apensoorten in het land), vleermuizen, de Jezus Christushagedis (dankt zijn naam aan het feit dat hij met beide achterpoten rechtop over het water kan lopen), luiaard, slangehalsvogel. In het begin moeilijk te spotten, maar oefening baart kunst. Lione heeft de kunst in elk geval snel door. Het is benauwd, heet. We picknicken in de bush en varen daarna weer langzaam terug naar ons beginpunt. Daarna weer terug naar La Fortuna. Onderweg betrekt de lucht steeds meer. Het is trouwens opvallend hoe elk gebied hier weer zijn eigen micro-klimaatje heeft. Soms, als je van hoog- naar laagland rijdt, kan het in 10 minuten zo’n 10 graden warmer worden en kan regen ineens plaatsmaken voor een brandende zon. Daarom is het maken van een weersverwachting in Costa Rica ook onbegonnen werk. Iedere dag kan men je zon, regen en een milde tot hoge temperatuur verwachten; meestal zit je met deze omschrijving dan wel goed.
Terug in La Fortuna is de lucht donker, de vulkaan ligt in de zware bewolking. ’s Avonds rijden we de vulkaan op, waar we heerlijk eten. Lava hebben we echter niet gezien.
In de stromende regen verlaten we de volgende dag La Fortuna, op weg naar de provincie Guanacaste, het meest noordwestelijke deel van het land.  Over het algemeen droog, zonnig en heet. Ook vandaag blijkt dat zo te zijn. De verandering van miezerig regenachtig weer naar de hitte voltrekt zich tijdens onze tocht in luttele minuten. Eerst rijden we nog door het woud rondom het stuwmeer van Arenal. Dit stuwmeer is overigens een van de beste plaatsen ter wereld om te surfen.
Het bos is een waar sprookjesbos. De bedenker van de Droomvlucht in de Efteling heeft iets bedacht dat nergens ter wereld kan bestaan, zo dachten wij lange tijd. Hier in Costa Rcia blijkt het dan toch te bestaan. Het is hier zo adembenemend mooi, dat we nauwelijks geloven dat het echt is. Overigens zullen we in de gebieden waar nevelwouden voorkomen nog veel meer van dit soort Lord of the Ring-achtige landschappen zien. De film had evengoed hier in plaats van in Nieuw-Zeeland opgenomen kunnen worden. Het is imponerend: waar iets kan groeien, groeit ook iets. Zelfs op dood hout groeien weer nieuwe planten en bomen. Zoveel verscheidenheid in planten en bomen hebben we nog nooit eerder gezien!
Inmiddels maken onze medepassagiers zich drukker over de vele gaten in de weg, en inderdaad, als we weer tot de werkelijkheid komen merken we dat het wegdek wel erg slecht is hier. Weliswaar probeert de overheid de gaten te repareren, maar dit wordt met zulk inferieur materiaal (goedkoop, gekocht in Mexico) gedaan, dat korte tijd na reparatie dezelfde gaten weer in de weg vallen. De bus, een goede coaster, rijdt dan ook gemiddeld niet sneller dan 20 km per uur. Het geeft ons de mogelijkheid om nog langer van het fascinerende landschap te genieten. Jimmy, onze chauffeur, rijdt uitstekend. We rijden om het stuwmeer heen, in 1970 aangelegd. Er is een dorp verdwenen in het meer en er wordt beweerd dat heel soms het topje van de kerktoren nog te zien is. We spotten een gifkikker, zo ongeveer het symbool van Costa Rica.
Na het stuwmeer dalen we af. We komen nu in laagland, een veeteeltgebied. De overgang is abrupt. Het is ineens bloedheet. In de stad Liberia (nou ja, stad, het is er niet aan af te zien dat hier 30.000 mensen wonen) pinnen we en lunchen we in een modern restaurant. Die zie je hier overal wel, het eten is bovendien zonder uitzondering voortreffelijk! De relatief goede levensstandaard valt op in Costa Rica: goede restaurants en grote goed voorziene supermarkten.
Rincon de la Vieja NP
We gaan na Liberia al snel weer een weg (pad is een betere benaming) op, die meer dan 1500 meter klimt. We geven een lift aan enkele schoolmeisjes, die daar erg blij mee zijn. Ze moeten iedere dag 10 kilometer lopend de berg af en ook weer op. Boven gekomen arriveren we op onze volgende bestemming: de hacienda Buena Vista Lodge, in het natuurpark Rincon de la Vieja. Het is hier erg fraai, in the middle of nowhere. Overal om je heen natuur. Je kunt hier wandelen, paardrijden en heerlijk tot rust komen. We wandelen het bos in. Een oorverdovend lawaai boven ons: de papegaaien. ’s Avonds zitten we voor onze lodge, het is nog geen 5 meter naar het pad, dat de jungle ingaat. Overal hoor je geluiden, je weet niet wat en waar het is. De brulapen laten luid en duidelijk merken dat we in hun territorium zitten. Een gelukzalig gevoel neemt bezit van ons. Dat zoiets bestaat!
We staan de volgende dag vroeg op, tegen zes uur. We wandelen de jungle in. Eerst is het pad nog eenvoudig begaanbaar, maar al snel klimt het pad en moet er regelmatig over bomen en struiken geklommen worden. Het pad wordt smaller en smaller, en de diepte naast ons steiler. Net als we denken dat we helemaal verkeerd zitten, zien we een heerlijk frisse waterval. Boven ons horen we allerelei geluiden, de dieren van het bos. We zijn helemaal alleen, niemand tegen gekomen. Je voelt je hier helemaal alleen met de natuur. Het is warm en van de tocht zijn we behoorlijk gaan transpireren. We hebben zin in een frisse duik, maar we hebben geen badkleding bij ons. Een duik zonder kleren kan heel goed, je ziet geen sterveling. Alleen omdat we niet weten welke dieren we in het water kunnen tegenkomen zien we er van af.
We lopen terug. Als we door het gebied van de brulapen lopen horen we een oorverdovend gebrul. Zodra we zijn gepasseerd wordt het weer stil. Hetzelfde geldt voor de Amazonepapegaaien. We zijn om 10 uur terug en nemen een welverdiende duik in het zwembad. De zon breekt door en hoewel we erg voorzichtig zijn met de zon (langer dan een half uur in de zon is niet aan te raden) verbranden we toch nog licht.
Na de lunch op naar de volgende activiteit. De Hot Springs, de modderbaden. Wij besluiten er heen te gaan lopen met twee lokale gidsen. Het is geen gemakkelijke wandeling, de gidsen nemen geen prachtig gebaande paden, maar gaan door de dichtbegroeide jungle. Hier ervaar je de jungle pas echt. We spotten een prachtige toekan, knalgeel met een rode punt op de staart, een giftige spin in haar nest en een enorme mierenhoop, waar we maar snel aan voorbij lopen.
Erg warm en bezweet komen we uiteindelijk aan bij de baden, die erg mooi liggen midden in de jungle, en we zijn blij om het (warme) water in te kunnen. We smeren ons in met modder, laten het opdrogen en spoelen het na enige tijd weer af. Een aardige ervaring. We worden gelukkig comfortabel door een pick-up weer teruggebracht naar onze lodge. ’s Avonds zien we de mooiste zonsondergang die we ooit hebben gezien. Per seconde verschiet de kleur van de lucht van rood naar nog roder naar wel-heel-erg-rood.
Die nacht worden we uit de slaap gehouden door de brulapen. We vertrekken ’s morgens vroeg op tijd. Stop in Liberia, lunch nog ergens onderweg (we zagen daar een brulaap met jong in de boom) en vervolgens door naar de Golf van Nicoya. De Ensenada Lodge is onze volgende bestemming. Een prachtig gelegen landgoed, met een fraai uitzicht op de zee (Grote Oceaan). Een Italiaanse familie kocht het landgoed in de zeventiger jaren. Sinds kort is het verhuren van lodges aan toeristen, op bescheiden schaal, een nieuwe activiteit van de familie. Wij zijn blij dat zij deze mogelijkheid bieden. Het is hier namelijk goed toeven! We hebben een erg fraai huisje met veranda, met uitzicht op de zee onder ons.
We zien wederom veel dieren. De rest van de middag wandelen we wat rond en zwemmen we. Na het diner, opgeluisterd door een marimbaband - plaatselijke vissers , gaan we op vogelspinnenjacht. Het veldje voor onze huisjes blijkt helemaal bezaaid te zijn met holen van vogelspinnen. Door het web voor het holletje zachtjes met een stokje aan te raken komt de spin, denkend dat hij een prooi heeft, razendsnel naar buiten springen. Als hij door heeft dat het hier om een nepprooi gaat schiet hij even razendsnel weer naar binnen.
De volgende dag al weer vroeg op, om 6 uur. We maken een boottocht vlakbij het landgoed. We zien weer veel: pelikanen, krabbetjes, veel andere vogels. Iemand van het landgoed vaart mee om een boa constrictor vrij te laten. Deze slang is op het landgoed gevangen. Verdwaald, want hij hoort thuis in de mangrovebossen. Eenmaal daar aangekomen wordt de slang vrijgelaten. Het tekent het gevoel voor de natuur van de Costa Ricanen: op deze manier wil men bijdragen aan het behoud van de soort. Voor het overige aarzelt de Costa Ricaan die op het land aan het werk is en een slang ziet geen moment. Veel soorten zijn giftig en er vallen nogal wat doden door slangebeten. Hij zal dan geen enkel risico nemen en de slag onmiddellijk dood slaan.
Bij terugkomst zien we verschillende leguanen bij ons huisje scharrelen. We zwemmen daarna wat, want het is behoorlijk warm. Na de lunch en een korte siesta vertrekken we voor een tochtje met een tractor over het landgoed. Lopen is toch echt te warm en de afstanden zijn groot. Alweer een overweldigend mooi landschap. Veel vogels weten te spotten (Lione wordt er nu wel erg goed in!). We komen langs een prachtig meertje, onwerkelijk mooi dit landschap. Pelikanen, een brulaap (die net zoveel belangstelling had voor ons als wij voor hem), een ratelslang. We bereiken de top van een heuvel en hebben een adembenemend uitzicht over de Pacific. We hopen de rest van de avond op een verfrissend buitje, want het is erg benauwd, maar deze blijft uit.
Manuel Antonio
We starten de volgende dag met de rit naar Manuel Antonio, in het zuidwesten van Costa Rica. Deze plaats heeft zich ontwikkeld tot een badplaats van enig formaat, voor Costa Ricaanse begrippen dan. Het is een kleinschalige plaats, dat zijn bekendheid mede dankt aan het prachtige National Park dat hier ligt: een gebied dat gelukkig van de kap door projectontwikkelaars werd gered.
Onderweg spotten we een groep van tientallen krokodillen aan de oever van een riviertje. We komen vroeg aan, rond een uur of 1. Het hotel ligt prachtig, de jungle komt hier tot aan de hotels en aan zee. Manuel Antonio ligt 7 kilometer van de wat grotere plaats Quepos, met de nodige winkels. Je moet over een bergtop heen om er te komen. Manuel Antonio ligt prachtig aan de Stille Oceaan. Het zeewater is erg warm, bijna 30 graden! Er is hier wat mee toerisme dan we tot dusver gewend waren. Het blijft gelukkig kleinschalig. Veel Amerikanen, dat wel.
De natuur is weer fascinerend mooi. We zitten een paar honderd meter van de ingang van het National Park, die sinds een week verplaatst is naar het strand. Vlakbij het hotel spotten we leguanen, witkop kapucijneraapjes en een luiaard. Dit merkwaardige dier hangt 20 uur per etmaal stil te relaxen aan een tak. Slechts zelden beweegt hij Hij knabbelt wat aan blaadjes en dat is alles wat hij doet. Eenmaal per week komt hij van zijn plek af om zijn behoefte te doen en klimt vervolgens weer terug naar zijn tak om daar verder te gaan met hangen. De naam luiaard mag meer dan terecht genoemd worden. Ze hebben grappige kopjes.
De rest van de middag lopen we wat rond. We worden hier “gek” van de muggen. Je kunt het je hier niet veroorloven om je een keertje niet in te smeren met antimuggenmiddel (Deet) of om daarbij een plekje van je lichaam over te slaan. Zo’n vergissing wordt genadeloos afgestraft door de altijd hongerige muskieten. Ondanks goede maatregelen hebben we beide, als we terug zijn in Nederland, verspreid over ons lichaam zo’n 100 tot 150 jeukende plekken zitten. Maandenlang. Maar ja, de tropen zijn nu eenmaal de tropen, vergis je daar niet in. ’s Avonds valt een kort mals buitje, de rest van de tijd is het drukkend warm.
De dag daarna slapen we lekker uit (voor het eerst). Om 11 uur vertrekken we naar de haven van Quepos, waar een Amerikaan met een boot ons belooft dat we vandaag dolfijnen gaan zien.  In Nederland hebben we de verhalen gelezen van reizigers die tijdens deze tocht erg ziek zijn geworden. Met de motorbood waar wij mee gaan is die kans klein. En dat blijkt te kloppen. Ondanks een vrij woelige zee (zo stil is die Stille Oceaan niet!) hebben we nergens last van. Eerst varen we nog vlak onder de kust, in de fraaie baai van Manuel Antonio. Er kan worden gesnorkeld. Na de lunch gaat het full speed ahead de volle zee op. Het idee is om op de plaatsen waar de dolfijnen vermoed worden hard te gaan scheuren over het water om op deze manier te dolfijnen te prikkelen om “met ons mee te spelen”. Het lukt. We zien regelmatig dolfijnen, soms in groepjes van 3 of 4 uit het water springend en met de boot meezwemmend. Hen te fotograferen en filmen lukt ons echter niet. Om half 5 keren we terug en relaxen we op onze veranda. Om 5 uur een kort heftig regenbuitje. We zwemmen daarna nog wat en eten voortreffelijk.
Alweer vroeg op. Vandaag niets op het programma en we besluiten er een heerlijke relaxte dag van te maken. We ontbijten buiten de deur en gaan daarna meteen door naar het National Park. Een klein, maar erg waardevol park. We zitten even aan het mooie strand en volgen daarna een trail, een wandelpad door de jungle. We blijken niet de gemakkelijkste trail gekozen te hebben. Het pad gaat steil omhoog. We transpireren enorm. We zien een luiaard van erg dichtbij, leguanen, een miereneter in de boom. Boven gekomen hebben we een adembenemend uitzicht op de dichtbeboste baai en een onvervalst bounty-strand. Op dit strand is een Palmolivereclame opgenomen. De Stille Oceaan is vandaag kalm en fonkelt in de zon. Terug op onze kamer voelt Lione zich niet helemaal in orde. De rest van de dag doen we het rustig aan.
De volgende dag de noodzakelijke rit naar San Jose. Noodzakelijk omdat dit de enige manier is om naar de andere kant van het land te komen. Aan die kant, de oostkust, zullen we de hele volgende week doorbrengen. San Jose is een drukke stad, niet groot, niets bijzonders eigenlijk. We doen wat inkopen, eten en gaan vroeg naar bed.
Tortuguero NP
Om half 6 de dag erna loopt de wekker af. We vertrekken om half 7 naar Tortuguero. Volgens sommigen het allermooiste stukje Costa Rica. We steken de bergen ten oosten van San Jose over en rijden weer door een prachtig nevelwoud (Braulio Carillo). We ontbijten onderweg, dalen weer en bereiken het Caribische laagland. Wederom een totale verandering van landschap en van het weer, in nauwelijks een kwartier tijd. Het is hier meteen weer warm en vochtig, en dat zal zo blijven.
We stoppen even bij een bananenplantage. Eigendom van de United Fruit Company. De arbeiders moeten hier erg hard werken. De bananen worden aan een lopende band rechtstreeks van de plantage de dozen in geleid, klaar om naar Limon gereden te worden, zo’n 50 kilometer zuidelijker, vanwaar ze naar de VS en Europa gaan. De afgekeurde bananen zijn bestemd voor Nicaragua. Het werk is zwaar en wordt slecht betaald. De mensen hier kunnen niet anders, ze wonen vlakbij de plantage en zitten hun hele leven aan United Fruit Company vast.
De weg houdt ineens op, verder gaan over land is onmogelijk. De enige mogelijkheid om in Tortoguero te komen is per boot (of vliegen, maar per boot is toch leuker). De boot laat een uurtje op zich wachten en om kwart voor 1 vertrekken we.
Tortuguero dankt zijn bekendheid aan het National Park en aan de zeeschildpadden die hier op het strand hun eieren komen leggen. Tortuga is Spaans voor schildpad. Het National Park, in 1970 opgericht, bestaat uit een netwerk van rivieren en kanalen door de zeer dichte en erg natte jungle. De tocht naar onze lodge, vlakbij de nederzetting Tortuguero (300 inwoners, 50 houten huisjes en een paar winkels), is 70 kilometer lang en is ongetwijfeld een van de mooiste ervaringen voor de bezoeker van Costa Rica. Soms is het water nog geen meter diep, soms enkele meters diep en de breedte van de vaarwegen varieert van enkele meters tot soms wel 100 meter. Overal vliegen de prachtigste vlinders en vogels rond, de tropische vegetatie is weelderig. Het regenwoud is zo dicht begroeid, dat zelfs gidsen zich er niet in wagen. Alles kan echter vanaf het water goed worden bekeken.
Het eindpunt, Laguna Lodge, is een paradijs. Een plaatje. Gelegen op een smalle strook land van nauwelijks 100 meter tussen de rivier (waar krokodillen zitten) en de Caribische Zee (waar haaien zitten). De enige mogelijkheid om te zwemmen is dus in het zeer fraaie zwembad in de tropische tuin van het hotel. In het zwembad spotten we de roodoogboomkikker. Een zeer klein, wat gek beestje om te zien. Met zijn uitpuilende ogen, blauwe strepen aan de zijkant en oranje voetjes lijkt hij op een mini-alien. Het spotten van deze diertjes wordt al snel voor iedereen een voortdurend tijdverdrijf. Terwijl ik dit opschrijf zit ik ’s avonds op de veranda met uitzicht op de rivier en het achterliggende oerwoud. Tientallen geluiden van vogels klinken overal om ons heen. Wie zou hier nog ooit weg willen?

De volgende dag, om half 6 wakker! Zo vroeg wakker worden iedere ochtend kost ons geen enkele moeite. Er valt zoveel te zien en te genieten dat iedere minuut langer slapen verloren tijd zou zijn. Om kwart voor zes beginnen we aan de eerste boottocht door het regenwoud van Tortuguero van vandaag. We varen door een prachtig oerwoud. Er valt hier zo enorm veel regen (5000 mm per jaar, dat is 7 keer zoveel als in Nederland per jaar aan regen valt!) dat alles wat de wereld aan groeiende planten en bomen te bieden heeft zich hier verzameld lijkt te hebben. We zien voornamelijk vogels: roerdomp, ijsvogel, zilverreiger. ’s Middags zullen we meer zien: slingerapen, luiaards, zoetwaterschildpadden, brulapen. Tussendoor zitten we bij het zwembad om de roodoogboomkikkers te spotten. Ze slapen overdag, soms heb je geluk en zie je ze bewegen.

Zeeschildpadden
’s Avonds maken we de tocht naar het strand waar de zeeschildpadden komen broeden. We betalen 10 dollar per persoon voor wat een mooie ervaring moet gaan worden, maar wat voor ons toch wat teleurstellend blijkt te zijn. Je betaalt de 10 dollar voor een “gids”. Dat is een bewoner van het dorp die een vergunning heeft om ’s avonds het strand op te mogen. Omdat dit voor meerdere mensen in het arme dorp een aardige bron van inkomsten is bieden velen zich als gids aan. Het idee is dat de wandeltochten onder begeleiding van deze gidsen gecoordineerd en gedisciplineerd plaats vinden. De schildpadden mogen in hun zware werk immers niet gestoord worden. Dit gebeurt echter niet. Iedere gids wil zijn of haar groep “waar” voor het geld geven. Mede omdat de toestroom zo groot is (blijkbaar wordt niet op het aantal mensen, dat het strand op gaat, gelet), rennen de gidsen elkaar voorbij en struikelen toeristen bijkans over elkaar heen op het zeer smalle strandje om maar als eerste een schildpad te ontdekken. Het gevolg is dat wat een prachtig schouwspel kan zijn (in stilte en op gepaste afstand te beleven) verwordt tot een kermisachtige attractie. De schildpad zou in alle rust haar eieren moeten kunnen leggen, maar omdat toeristen van nature ongeduldig zijn (ze zijn immers gekomen om iets te zien) kan niet gewacht worden totdat de schildpad haar moeizame tocht over het strand heeft afgemaakt, om aangekomen op de juiste plek met grote inspanning en veel pijn een grote kuil te graven en tot slot haar 90 eitjes te leggen. Mensen maken lawaai, gaan niet opzij om de schildpad ruim baan te geven, wat tot gevolg heeft dat het dier in uiterste paniek naar zee terugkruipt om haar eieren daar te dumpen.
Een zeeschildpad moet 25 jaar in de voor haar gevaarlijke oceaan zien te overleven om op het strand haar eerste eieren te kunnen leggen. Deze onderneming is uitputtend en pijnlijk. Te moeten aanzien dat dit dier dit dan door de grote drommen (gillende Amerikaanse) toeristen niet kan doen is verschrikkelijk. Als we uiteindelijk zien hoe een andere schildpad met veel pijn haar eitjes in de kuil dropt beseffen we dat het geen leuke attractie is om naar dit ellendige schouwspel te moeten kijken. Het strand zou ‘a avonds volledig voor mensen verboden moeten worden. Tegelijkertijd beseffen we dat door zo’n maatregel de helft van de bevolking hier haar broodwinning zou verliezen en er wellicht nog minder prettige dingen gebeuren met deze schildpadden. 
Caribische kust
De volgende dag varen we van Tortuguero naar Limon, de havenstad van Costa Rica. Een vier uur durende boottocht door het regenwoud. Halverwege maken we een stop, waar op het drassige land een klein dranktentje staat. Een enthousiaste visotter komt ons tegemoet rennen om het water in te duiken en met ons te “spelen”. Hij heet Famous, en hoewel de otter in het wild leeft lijkt hij erg gesteld op het gezelschap van mensen. Langs de oevers zien we opvallend veel krokodillen, wat luiaards en buffels. Na 4 uur varen komen we aan in Limon, een armoedige - typisch Caribische – stad, die 10 jaar geleden gedeeltelijk werd verwoest door een vrij zware aardbeving. Hier stappen we over in de bus, die ons naar het 42 kilometer zuidelijker gelegen Cahuita brengt, bijna aan de grens met Panama.
Cahuita is een slaperig plaatsje, het leven hier is relaxed. De bevolking is overwegend negroide en stamt af van arbeiders die uit Afrika hier naar toe werden gehaald om te helpen bij de aanleg van de spoorlijn San Jose-Limon (deze enige spoorlijn van Costa Rica wordt thans niet meer gebruikt vanwege de vele aardverschuivingen langs de lijn). Het werk in de ondoordringbare jungle was te zwaar voor de Costa Ricanen zelf. De Afrikanen zijn blijven hangen in de streek rond Cahuita. Er lopen veel Bob Marley’s rond en overal klinkt reggaemuziek. De toeristen dankt het plaatsje aan de goede mogelijkheden om te surfen, aan het mooie Caribische strand en aan een National Park. Dat park is op zichzelf niet zo heel bijzonder, maar dankt zijn bestaansrecht weer aan een fraai koraalrif.
We hebben al weer een prima hotel. We wandelen na het inchecken door het dorpje. Het is echt te warm en benauwd voor een flinke wandeling. Zwembad, ’s avonds uit eten, heerlijk eten: Cajun.
De hele nacht daarna tropische regen zoals we die zelden hebben horen en zien vallen: veel, hard en langdurig. De stroom valt uit, we liggen volkomen gedesorienteerd in het pikkedonker. Er valt van alles op ons golfplatendak: vruchten, palmtakken, wat het - naast het geluid van de aanhoudende waterval buiten en de duisternis binnen – een beetje angstaanjagend maakt. De volgende ochtend druppelt het nog steeds. We besluiten toch maar een wandeling in het Nationale Park te gaan maken. Het park is op zich niet zo spectaculair, maar de wandeling is erg prettig. We lopen via het dorp weer terug, eten wat onderweg (erg lekker) en strijken bij ons zwembad neer. Een uur later begint het al weer te regenen. De rest van de middag zitten we lui en loom te genieten met een glaasje Rum op onze veranda. ’s Avonds barbecuen we met de hele groep. Een bandje speelt typisch Caribische muziek. Het eten smaakt voortreffelijk en er wordt gedanst. Een gezellige avond!
Laatste dagen
We gaan op weg naar San José, de derde keer dat we deze stad zullen aandoen. We weten dat dit betekent dat het vertrek naar Nederland dichter bij komt. We rijden door het prachtige Braulio Carillopark. Ik lees in de reisgids dat dit het meest ontoegankelijke oerwoud van het land is. Er zijn slechts enkele paden en de ongeoefende wandelaar moet slechts 1 of 2 kilometer het park ingaan en zeker niet van de paden af gaan, want dit is levensgevaarlijk, zo luidt het advies. Als ik zo naar buiten kijk en ik zie het woud in de dalen en op de berghellingen aan me voorbij glijden kan ik me dit levendig voorstellen.
In San José de hele middag en avond vrij. De stad begint vertrouwd te raken. Het is zaterdagmiddag en op en rond het Plaza de la Cultura is het druk op straat en erg gezellig. Er zijn winkelstraten, maar het ontbreekt – een enkele uitzondering daargelaten – aan echt karakteristieke gebouwen. ’s Avonds een afscheidsborrel met de groep bij het News Cafe, pal tegenover het hotel. Om 10 uur besluiten we er nog wat te gaan eten. Zelden zo lekker gegeten. Voor eenieder die er nog eens komt: bestel de nacho’s bij het News Cafe, het is smullen!!
Om 2 uur ’s middags de volgende dag vertrekken we naar het vliegveld. De ochtend gebuiken we echter goed en we hebben een trip naar de Irazu-vulkaan geboekt. We bestijgen de 3432 meter hoge berg, een klim van 30 km over de weg. Boven aangekomen is er mist, het zicht is enkele tientallen meters. We staan ergens, er wordt ons verteld dat dit de rand van de krater is. Beneden ons moet een prachtig kratermeer liggen. We zien echter niets, helemaal niets. We wachten nog even of het weer verbetert, maar het is koud, het waait en het is 8 graden. We besluiten terug te keren. Het enige dat ons niet heeft meegezeten is tweemaal een vulkaan die in mist en regen was gehuld. Maar that’s nature en dat moet je accepteren.
De terugreis verloopt spoedig. Als we aankomen in Nederland is het daar 33 graden. We kunnen ’s nachts niet in slaap komen vanwege de hitte. Met ons hoofd en ons hart nog helemaal in Costa Rica bekijken we onze videofilm, een film van 3 uur. We kunnen er geen genoeg van krijgen.