Chili, Bolivia en Peru

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Chili Bolivia Peru 2019

Als je in Chili en Bolivia langs de flanken van het Andesgebergte omhoog klimt dan eindig je - boven aangekomen - op de Altiplano, de grote hoogvlakte die zich over het noorden van Chili, Bolivia en het zuiden van Peru uitstrekt. De top van de Andes is bijna het dak van de wereld. De Altiplano (alti= hoog, plano = vlakte) mag zichzelf een van de wonderlijkste en mooiste gebieden op aarde noemen. Veel mensen die er geweest zijn vinden dat, en wij vonden dat - geluisterd hebbende naar hun verhalen en hun foto’s gezien hebbende – ook. Het duurde desondanks toch nog een aantal jaren voordat wij deze reis ook daadwerkelijk aandurfden. Het is geen gemakkelijke reis en dat komt vooral door de bizarre hoogten waarop je verkeert en door de moeilijke bereikbaarheid en verlatenheid van sommige plaatsen. Wij waren altijd een beetje bevreesd voor de beruchte hoogteziekte, die niet onderschat moet worden.

Toch moest het er maar eens van komen, vonden wij en zo stelden wij begin 2019 deze reis geheel naar eigen wens en inzicht samen. We bepaalden de plaatsen die zeker niet gemist mochten worden: in het noorden van Chili het Lauca Nationale Park en de Atacamawoestijn, in het zuiden van Bolivia het landschap rondom de Laguna Colorada en Lagune Verde en in Peru Cusco en omgeving en de Amazonejungle. We verbonden al deze plaatsen tot een – niet heel logisch samenhangende – reis, maar wel onze eigen reis. We regelden de vele transfers (de vele vluchten, auto), hotels en sommige excursies van te voren en maakten er zo een doorlopend programma. Het is een in alle opzichten geslaagde en wonderbaarlijke reis geworden waarbij we ons soms bijna op een andere planeet waanden. Zuid-Amerika, toch al ons favoriete werelddeel, op zijn best.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Putre

 

In de zomer van 2019, op één van die bloedhete dagen waarop het kwik ook in Nederland naar 40 graden opliep, had Lione een ongelukje. Dit dreigde behoorlijk roet in het eten te gooien. Met een gebroken arm en gebroken voet is het niet handig om een op zich vrij pittige reis te gaan maken. De revalidatie verliep aanvankelijk niet heel goed, maar op het laatste moment werd toch het sein ‘groen’ gegeven: de reis kon, met aanpassingen, doorgaan. Zo moesten wij wel noodgedwongen Macchu Picchu cancelen omdat het terrein daar vrij moeilijk te belopen is voor iemand die eigenlijk zo weinig mogelijk mag lopen. Toch hebben we bijna alles wat we ons hadden voorgenomen, tegen de verwachting in, gewoon kunnen doen. Hier volgt ons reisverslag.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Arica - Putre

Arica is een middelgrote stad in het uiterste noorden van Chili, twaalf kilometer van de grens met Peru. Arica is misschien niet direct mooi, maar wel prettig. De benaming  ‘stad van de eeuwige lente’ heeft de plaats niet voor niets: het is er het hele jaar door aangenaam, tussen de 20 en 25 graden. Mist kan ’s ochtends nog wel eens voorkomen en heel soms de hele dag blijven hangen. De oceaan is immers koud, het land is warm en dat verschil bevordert het ontstaan van (hardnekkige) mist op het grensvlak van zee en land. Iets wat we in San Francisco ook gebeurt in de zomer. De middagen zijn echter bijna altijd zonnig en warm. Het regent hier nooit, wat best wel een unicum is. Arica is de droogste stad ter wereld en het is ook nog eens gezegend met mooie stranden.

In Arica begint onze trip door het noorden van Chili. We hebben er lang naar uitgekeken en de reis naar El Grande Norte, the Great North, is dan ook goed voorbereid.  Nu is het dan echt zo  ver: we staan aan de start van een trip over de Altiplano, de hoogvlakte (met de nadruk op ‘hoog’) die zich op de toppen van de Andes uitstrekt over het noorden van Chili, het westen van Bolivia en het zuiden van Peru. Het dak van Zuid-Amerika. Spannend vinden we het wel. Het is niet echt een  gebaand pad en soms is het ook geen gemakkelijke trip. We halen onze huurauto in Arica op. Een 4x4 in goede staat, geen overbodige luxe voor onze reis door dit ruige landsdeel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tussen Putre en Lago Chungara

 

De eerste twintig, dertig kilometer rijden we nog door vruchtbare rivierdalen. Een groen lint meandert door het geel en bruin van de woestijn.  Er zijn nog een paar kleine dorpen langs de weg maar op een  bepaald moment houden deze tekenen van leven gewoon op. Iedere kilometer wordt het landschap mooier, ruiger en spannender. Een klim van 0 naar 3500 meter over een relatief korte afstand van ruim honderd kilometer, dat belooft wat. De weg klimt en klimt met spectaculaire bochten en uitzichten. Van de woestijn zijn we ongemerkt in de echte Andes terecht gekomen: we rijden over de Ruta Desierto. Uiteindelijk zal de snel stijgende weg eindigen na 195 kilometer, bij de Chileens-Boliviaanse grens, waar de bezienswaardigheden Lago Chungara en de vulkaan Parinacota liggen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op weg naar Salar de Surire

 

Het is een redelijk goede, zeer rustige weg. We nemen de tijd, want genieten wil je zo lang mogelijk volhouden. Na een klim van 141 kilometer zien we Putre liggen in een vruchtbaar dal. Putre is een klein plaatsje gelegen op 3.600 meter. Het heeft 1.200 inwoners en er is enig toerisme. Logisch want het is de grootste plaats in de wijde omgeving van het Lauca NP. Hoewel dit park steeds bekender wordt, is Putre zeker nog niet overlopen door het toerisme. Er zijn enkele restaurants en hotels. De inwoners van Putre hebben zeer duidelijk Indiaanse trekken en de invloed van Bolivia en Peru is zichtbaar. Het kerkje in Putre, met de beltoren los van de kerk, is typisch voor deze regio. De omgeving van Putre bestaat uit landbouwgrond (er wordt oregano verbouwd) en uit rotsen in roodachtige kleurtinten. We zien buiten het dorp de vulkanen ver weg liggen. Aangezien we een forse stijging hebben gemaakt deze dag doen we het verder heel rustig aan. De locals doen dit ook, en zij kunnen het weten. Do as the locals do, dan kan het niet fout gaan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Salar de Surire

Zodra je de doorgaande weg tussen Putre en de grens met Bolivia afslaat, bevind je je in een desolaat gebied, waar je soms niet over een weg of dirt road rijdt, maar over karrensporen die alle kanten op lijken te gaan. Hoe desolaat het hier is blijkt wel uit de cijfers voor deze provincie. De provincie heet Parinacota, is bijna de helft van Nederland en heeft 3.400 inwoners; de hoofdstad is Putre met 1.200 inwoners. Het ‘risico’ van hier gaan rijden zit hem hier niet zo zeer in het ruige landschap met nauwelijks iets van een weg en weinig oriëntatiepunten, maar in het feit dat er geen telefonisch bereik is en je vrijwel alleen rijdt (je komt echt niemand anders tegen), waardoor je bij pech of gewond raken niet geholpen kunt worden. Ook niet als je benzine op raakt, want dat is gewoon niet te koop. Ook niet in de stad Putre.  De tank goed vol laten lopen in Arica en wat geluk hebben (= geen al te grote tegenslag hebben) zijn hier een absolute noodzakelijkheid.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Salar de Surire/Vicuna reserve

 

We rijden de volgende dag het Vicuna Reserve in. De naam zegt het al: een gebied waar veel wilde vicunas rond lopen. Daarna zullen we via Guallatire (met zicht op de vulkaan Guallatire) naar Salar de Surire rijden, de zoutvlakte met een lagune, waar de flamingo’s zijn. We rijden nu echt op de Altiplano. Een redelijk vlak gebied, maar het bevindt zich wel op zeer grote hoogte, met vulkanen aan de randen van de vlakte, sommigen bedekt met sneeuw. De winters zijn hier, op deze grote hoogte, best koud. Soms valt er wel tot twintig centimeter sneeuw. Verder is het gebied heel surrealistisch: droog en dor met rotsen in grillige vormen en torens van zand en zout. Wat lage begroeiing, maar echt groen is het nergens. Het zijn meer de vage bruine en bijna paarse pasteltinten van de bergen aan de rand van de vlakte die het landschap kleur geven. Hier en daar ook verrassende kliffen en grillige rotsen, die een beetje aan Bryce Canyon in de USA doen denken (rotspieken).  Surire betekent ‘waar de nandoes spelen’. We hebben zelf overigens geen nandoes hier gezien. Wel lama’s, vicuna’s en alpaca’s. Je ziet ze hier overal, in het wild en op boerderijen. En niet alleen in Chili, maar we zullen ze ook in Bolivia en Peru veel zien. Een veel voorkomend dier dus en ze zijn eigenlijk wel fotogeniek.

 

   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vicuña's, lama's, alpaca's. Men heeft ons diverse malen proberen uit te leggen wat nu precies het verschil is. In ieder geval is de vicuña kleiner en geeft hij de allerbeste wol. De Inca's hadden dit door, maar toen de Spanjaarden de boel hier onder de voet liepen, maakten zij alleen maar jacht op de dieren om ze op te eten. Zoiets als de kip met het gouden ei slachten. De Spanjaarden van deze tijd (16e en 17e eeuw) waren alleen maar kortzichtig, verwoestend en daarnaast verbeten om alles naar Spanje te brengen wat het zojuist veroverde continent voortbracht en waar veel geld aan verdiend kon worden. Maar dit terzijde. De vicuna was bijna uitgestorven maar werd op tijd gered. Vicuna's, hebben een extra sterk hart en uitstekende rode bloedlichaampjes om op deze grote hoogte, ruim 4000 meter, te kunnen overleven.

De grote witte zoutvlakte van Surire bereiken we na ongeveer honderd kilometer. Het is ongelooflijk om te zien, hoe werkelijk honderden flamingo’s (het zijn er eigenlijk nog veel meer, vermoed ik) in de lagune staan en zich voeden, tegen een onwerkelijk en bijna onwerelds decor van paarsachtige bergen en de witte vlakte die het kleine meer omringt. De lama’s tegen hetzelfde decor doen het ook al prachtig. Wij rijden om de hele zoutvlakte heen en zien de prachtige panorama’s steeds uit een ander perspectief. De vlakte is nog best wel groot en het duurt zeker twee uur - met de nodige tussenstops natuurlijk - voordat we er helemaal omheen gereden zijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het kerkje van Guallatire

 

Aan de zuidkant van onze cirkel om de zoutvlakte komen we nog bij de warmwaterbronnen van Polloquere, waar je een bad kunt nemen in een surrealistische omgeving. Dan zetten we koers naar huis, nog zo’n 120 kilometer rijden. Op de terugweg passeren we het dorpje Guallatire, dat in de schaduw van de grote vulkaan met dezelfde naam ligt (6071 meter hoog). Het dorp is nauwelijks bewoond. De ouderen sterven, de jongeren zien geen toekomst meer en vertrekken naar steden als Arica. Het kerkje is onlangs nog gerenoveerd en terecht. Het is een schitterend kerkje dat destijds door de indianengemeenschap hier is neergezet met natuurlijke materialen, in die typerende stijl van hier. Er volgt een kleine regenbui aan het einde van de middag. Eenmaal terug in Putre is die bui gelukkig al lang weer over.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Putre – Nationaal park Lauca – Putre - Arica

De dag erna stijgen we vanaf Putre nog verder naar een hoogte van boven de 4.600m voor een bezoek aan Lauca. Het Nationale Park Lauca geeft een goede indruk van de Altiplano. Het park begint al een paar kilometer na Putre en ook hier rijden we weer een schitterende panoramische route, hoger en hoger. Hier klimmen we soms langzaam vanwege het vrachtverkeer op weg naar Bolivia en vanwege de vele haarspeldbochten. Na tachtig kilometer bereiken we dan de Lagunas de Cotacotani, een reeks van onderling verbonden meertjes die met hun prachtig blauw- of (afhankelijk van de zonnestand) jadekleurig water en gele zwavelranden opmerkelijk zijn in een uitgestrekt zwart lavaveld. De meertjes zijn vaak omringd door bofedales, weidegronden tussen het moeras en het meer. Het einddoel van deze ochtend is Lago Chungara dat vlak na Cotacotani volgt. Dit is het doel van de meeste bezoekers en voor ons ook een van de redenen om deze tocht te ondernemen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Parinacota  met Chungarameer                                                                Lagunas de Cotocotani 

 

Het zicht op de Parinacota vulkaan, enkele kilometers over de grens in Bolivia gelegen, die weerspiegelt in het meer, doet je letterlijk en figuurlijk de adem benemen. Dit is echt zo onwerelds mooi. We blijven lang staan kijken, happen om de tien seconden naar adem, maken foto’s en stoppen steeds weer als we over de weg langs het meer rijden. Dan stopt het uitzicht op het meer, over enkele kilometers volgt de grens met Bolivia. We draaien om en we rijden de tachtig kilometer van Lago Chungara naar Putre terug. Wat is dit toch een prachtige weg om te rijden, ook terug weer. Eigenlijk, zo vinden wij nu, wordt hij nog mooier na Putre, als we de afdaling naar de kust weer inzetten. Na twee uur zijn we weer terug in Arica.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Arica

We doen het in Arica een dagje rustig aan. We gaan naar de wasserette om onze was te laten doen, doen wat boodschappen en wandelen door het centrum. Een markant punt in de stad is de rots Morro de Arica, een steile rots die zich 140 meter boven de stad en de oceaan verheft. Ik rijd (soms door verpauperde buurten, deuren op slot, this is South America…..) naar boven en ik heb er een schitterend uitzicht over deze stad, de havens en de omringende woestijn. Je kunt tot aan Peru kijken en er staan wat monumenten en een groot beeld van Christus. Goed te zien is hoe Arica en zijn 180.000 inwoners aan drie kanten omgeven worden door zand en rotsen. De huizen en gebouwen van de stad lijken achteloos in de woestijn te zijn uitgestrooid, tegen de Stille Oceaan (de vierde kant van de stad). Dit is zelfs voor de Chilenen zelf een beetje het ‘einde van de wereld’, die stad daar hoog in het noorden.  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zicht op Arica                                                                                                             Christusbeeld op de Morro de Arica

 

Na mijn bezoek aan de rots rijd ik terug naar ons bijzonder mooi gelegen hotel.  Het is zeer modern vorm gegeven, het ligt pal op het strand en we hebben een fraai eigen terrasje boven de zee om te zitten, een boek te lezen en een drankje te doen. We kijken uit op een meeuwenkolonie op het rotsige strand. Het zijn er honderden en ze maken een herrie van jewelste. Het hoort voor mij – net als het geluid van de aanstormende golven en van de wind – volmaakt perfect bij de zee. Tot nu toe is de reis al meer dan geslaagd, mijmer ik, maar er komt nog veel meer. Hoe rijk kun je zijn….

Het is overigens zo, dat niemand, maar dan ook echt niemand in Noord-Chili Engels spreekt. Nog niet 1 woord. Dat maakt het soms lastig, en snel maken we ons wat veel voorkomende Spaanse woorden (dingen die we denken nodig te hebben) eigen. Ook het ‘praten’ via Google Vertaal werkt goed.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Arica – Iquique 

Deze dag rijden we vooral door de fantastisch mooie Atacamawoestijn. Gemiddeld ligt deze op 1.100 meter hoogte. We rijden afwisselend omhoog (naar de hoogvlakte) en omlaag, naar de kust. Een zeer afwisselende route en we genieten weer volop.

Na 315 kilometer komen we bij Iquique. We komen ‘van boven’ de stad inrijden en we hebben dus een schitterend uitzicht op de modern ogende stad onder je, met veel hoogbouw. De rit vanaf de vier honderd meter hoge zandduin naar beneden, de stad in, is spectaculair. Iquique is vandaag de dag een redelijk moderne stad met 250.000 inwoners, maar het heeft een bewogen geschiedenis. Rond 1850 werd het gesticht als Peruaanse salpeteruitvoerhaven. Terwijl op de ‘vreselijke hoogvlakte’ onder mensonterende omstandigheden door arbeiders van vooral Europese afkomst gezwoegd bouwden de vaak buitenlandse salpeterbaronnen, die alle macht hadden, hun villa’s in deze stad en leefden een leven vol rijkdom en welvaart ten koste van de arbeiders. In 1884 won Chili de salpeteroorlog van Peru en lijfde een groot deel van zuidelijk Peru in, de Atacamawoestijn, de mijnen en ook de stad Iquique. Dezelfde oorlog was ook gevoerd met Bolivia, zodat Chili toen ook een groot deel van de Boliviaanse kuststrook, ten zuiden van Iquique, inlijfde. Dit is de reden dat Bolivia nog steeds geen zeehaven heeft en daarom druk gebruik maakt van de weg van Bolivia naar Arica, een weg die daardoor hier en druk nogal druk is met vrachtwagens.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Iquique

 

De werkomstandigheden in de mijnen bleven slecht. In december 1907 hadden duizenden werknemers met hun gezinnen zich verschanst in de Santa Mariachool in Iquique. Het leidde tot een ongelooflijk drama: het leger schoot zonder pardon alle 2000 mensen in de school dood. In 1920 zakte de salpetermijnbouw in. Nu is Iquique vooral een werkstad en badplaats met de nodige hotels langs de mooie kust. Wij logeren eveneens in een hotel aan de kust. Voor ons is het slechts een doorgangsplek, een slaapplaats op onze lange reis van Arica naar San Pedro. Wij lopen wat door de straten in de omgeving, maar het ziet er hier allemaal wat minder modern, eerder vervallen en verlaten, uit.

 

Iquique – San Pedro de Atacama  (490 km)

Dit is een vrij lange reisdag. We rijden de kustweg naar Tocopilla, wederom een fraaie route. Aan de ene kant ligt de Stille Oceaan met haar (vaak) ruige kustlijn en aan de andere kant ligt het steil omhoog rijzende gebergte van de Atacama woestijn. We dalen en stijgen al naar gelang we vlakbij de kust of wat verder weg van de kust rijden. Na het plaatsje Tocopilla, waar we even stoppen, begint de lange route naar San Pedro, dwars door de Atacama woestijn. Ook deze route  is weer schitterend en het maakt iedere kilometer rijden hier tot een waar genot. Hier en daar is sprake van mijnbouw.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Salpeter is een belangrijke delfstof, die hier werd en wordt gewonnen en dat maakt het gebied ook aantrekkelijk voor anderen dan natuurliefhebbers. De stad Calama, die we op iets meer dan 3/4e van de route aandoen dankt zijn bestaan aan de mijnbouw, in 1882 startte hier de Chuquicamata, de grootste kopermijn van de wereld (de groeve is 5 km lang, 3 km breed en 1 km diep! en er werken nu 12.000 mensen) en de arbeiders moesten natuurlijk ergens ondergebracht worden. De hete stoffige stad heeft ook niets met de schoonheid van de Altiplano te maken. Hier werd en wordt gewerkt. Het hele gebied is vanwege de grondstoffen in het verleden ook inzet geweest van conflicten. De Atacama is ongelooflijk droog. Doorgaans valt er niets of 1 mm per jaar. En dat tientallen jaren lang. Het zijn echter maar delen van deze woestijn die zo droog zijn. In San Pedro hoorden we dat er geregeld echt wel iets meer valt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Straatbeeld San Pedro 

 

San Pedro de Atacama

Drie volle dagen in San Pedro de Atacama. Misschien wel de drie mooiste dagen van de reis, hoewel de schitterende dagen zich hier allemaal aaneenrijgen. San Pedro ligt aan de voet van de 5916 meter hoge vulkaan Licancabur en is omgeven door een zandkorstgebergte. Het plaatsje oogt een beetje shabby, een typische rommelige oase in de woestijn, waar je veel backpackers en  natuurliefhebbers in het straatbeeld ziet. Sommige straten zijn verhard, de meeste zijn niet geasfalteerd. Je loopt hier over roodlemen straatjes, wat de nodige stof met zich meebrengt. De sfeer is wat ouderwets, hippieachtig en onconventioneel. In het kleine centrum is een mooi pleintje met schaduwrijke bomen, en in de kleine adobe huisjes zijn de nodige restaurants en winkels gevestigd. Die vind je ook in de ‘ hoofdstraat’ Caracoles (als je deze straat 5 km door loopt, fietst of rijdt kom je vanzelf bij de ingang van de Maanvallei).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het dorp waar tot voor kort uitsluitend de indianen, de Atacamenos, woonden, is uitgegroeid tot big business, hoewel het ons zal opvallen dat we buiten San Pedro bijna geen mens meer zien. Waar zijn die dan heen?, zo vragen wij ons af. Maar dat er veel bezoekers naar San Pedro komen staat buiten kijf. We zien ze ’s avonds ook in het stadje. Het is iets waar de reiswereld en het toerisme altijd mee zullen blijven worstelen: het is ongekend mooi en het liefst zou je zien dat dit exclusief blijft, maar juist door die schoonheid ben je er nooit alleen. Iedereen wil het nu eenmaal beleven en ervaren. De natuur van de Atacamawoestijn rond San Pedro is betoverend, een surrealistische woestijn met vulkanen als decor, het is bijna niet te beschrijven, maar het is wel heel begrijpelijk dat dit ontdekt is en veel wordt bezocht door de reiziger.

Het is namiddag als we aankomen en het is bloedheet. Een warme deken valt over ons heen, iets dat we tot nu toe in Chili nog niet hebben ervaren. De vele straathonden liggen loom voor de huizen en op straat. Zij komen tegen de avond weer tot leven, samen met de rest van het stadje.

 

                                                                                                       

 

De maanvallei (Valle de Luna)

 

De maanvallei ligt ongeveer vijf kilometer van San Pedro, te bereiken over een goede weg (zie hiervoor). Vanaf de ingang kun je ongeveer tien kilometer het park in rijden. Het park is overdag te bezoeken, voor avondbezoek (vanaf 16.00) moet je ter plaatse even een afspraak maken. We rijden een korte maar prachtige route, met diverse stops om omhoog te klimmen. Het grillige rood/bruinachtige grillige rotslandschap met de vreemdste  ‘sculpturen’ van de rotsen, en de zoutkristallen op de bodem zijn ontstaan door tektonische bewegingen. De felle wind, de hete zon en enorme temperatuurschommelingen vormden dit landschap en maakten het verder af.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

We rijden met een slakkengangetje, zo’n twintig kilometer per uur, over de gravelweg, om zo alles goed te kunnen zien en uiteraard te kunnen fotograferen. Na iedere honderd meter ligt er weer een nieuw beeld van dit maanlandschap voor en naast je, een beeld dat imponeert en steeds weer verwondert. We gaan twee keer: een keer overdag, waarbij we daarna de maanvallei ook vanaf de ‘andere kant’ (langs de weg San Pedro – Calama) bekijken. Tegen de avond is het licht weer volkomen anders en geniet je in dit onwerkelijke landschap van de zonsondergang en van de steeds vager worden grillige donkere silhouetten in dit landschap, gevolgd door de complete duisternis.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Laguna Colorada en Laguna Verde

Vanuit Chili ‘ zo maar’ even een dagje naar Bolivia is lastig. Daar doen de reisbureautjes het niet voor. Ze bieden wel veelvuldig de driedaagse tochten naar de grote zoutvlakte van Uyuni aan. Toch is dit wat wij wilden: wij wilden wel de lagunas zien maar niet de grote zoutvlakte verderop in Bolivia (richting Uyuni). Sendaandina uit Potosi maakt het wel mogelijk. Het kost wel wat, omdat de auto met chauffeur helemaal uit Potosi moet komen, chauffeur vooraf en naderhand twee nachten moet overnachten omdat in 1 keer naar Potosi te ver is, en omdat er zowel vervoer in Chili tot aan de grens en in Bolivia vanaf de grens geregeld moet worden. Vandaag is het zo ver: een van de belangrijke redenen om deze reis te maken is een volledige dag naar Laguna Verde en Laguna Colorada in het zuidwesten van Bolivia.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Laguna Verde                                                                                                                Dali Desert 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

We vertrekken heel vroeg, om zeven uur, vanaf onze hostel in San Pedro. We rijden in een uur tijd naar de grens met Bolivia. Dit punt heet Hito Cajon. Het ligt 41 kilometer van San Pedro op een hoogte van 4300 meter. Naar het noorden toe ligt de majestueuze vulkaan Licancabur, 5,916 meter hoog. Uiteraard moeten we hier wachten, samen met enkele andere reizigers. De grensposten zijn nog gesloten. Het is bitterkoud hier: min tien graden met een ijzige wind. Als uiteindelijk de hokjes en gebouwtjes opengaan, moeten we wel vijf keer hetzelfde formulier met allerlei (dezelfde) vragen invullen: een keer voor het uitrijden van Chili, na een korte afstand weer voor het nu echt verlaten van Chili, een keer omdat we Bolivia binnen rijden, even verderop omdat we het nationale park binnen rijden en tenslotte weer omdat we nu echt Bolivia binnen rijden. Al die tijd wachten we in de bittere kou. Een persoon tegelijk mag naar binnen om het formulier in te vullen, de rest moet buiten in de felle kou blijven wachten. Als we deze vooroorlogse toestanden hebben gehad rijden we dan echt het Eduardo Abaroa National Park binnen.

 

 

 

          

 

 

 

 

 

 

 

 

We bezoeken Laguna Verde (groen meer), de Dali Desert (die zo heet omdat het landschap lijkt op de surrealistische landschappen die de Spaanse kunstschilder Dali schilderde), de Termas de Polques (hot springs), de "Sol de Manana" geiser, Laguna Colorada (rood) met de sodium sulfaat eilanden in het noordoosten en zuidoosten.  We bevinden ons op 4250 meter. Het ademen gaat wat moeilijk maar verder hebben we nergens last van. Het is wel van belang je stappen rustig te zetten, en op die manier is het niet zo heel moeilijk om stukken te wandelen. Rustig aan is hier het devies. En rustig word je hier vanzelf wel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het wordt een geweldige dag, die eigenlijk bijna niet met een pen te beschrijven is. Iedereen zal het er over eens zijn dat dit buitenaardse landschap tot een van de mooiste ter aarde gerekend mag worden. Het is stil, oorverdovend stil. We zijn alleen met de wind. We wandelen en fotograferen, gebruiken een prima lunch in een soort ‘berghut’  en rijden dan ’s middags dezelfde route weer terug naar de grens. Een fantastische reisdag!!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Salar de Atacama tot Piedras Rojas inclusief Miscanti en Miniques

Na het ‘succes’ van onze Boliviaanse dag, waren onze verwachtingen van de tocht naar de Salar de Atacama, grofweg het gebeid dat zuidelijk van San Pedro ligt, hoog gespannen. En we zijn hier achteraf zeker niet in teleurgesteld, integendeel. Deze route is eigenlijk de tweede grote activiteit die je vanuit San Pedro kunt ondernemen (de eerste is de 1- of 3 daagse Boliviatour en er zijn natuurlijk ook nog de Maanvallei en de Tatio geisers).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het is een lange rit maar hij is prima te rijden. Een prachtige weg, waar je bijna niemand anders tegen komt, leidt vanaf San Pedro naar het zuiden. We krijgen hier al snel weer helemaal het ‘Atacama-gevoel’. Na vijftig kilometer volgt de woestijnoase Tocanao. Het is bijzonder rustig, alsof het een spookstad is. Die liggen hier wel, maar Tocoano is nog wel degelijk een bewoond dorp. We rijden een klein stukje van de weg af richting de Laguna Chaxa, over een goede zoutweg. Een mooi leeg landschap, maar omdat hier op dit moment van de dag nog weinig te beleven is draaien we even verderop de 23 weer op richting Socaire. Dat dorp volgt na honderd kilometer. Ook dit dorp is nog bewoond. Na 131 kilometer bereiken we wat voor de meeste bezoekers het eindpunt van deze route is, de twee meren Lago Miscanti en Lago Miniques. Ze liggen bij de twee vulkanen Miscanti (5622 meter hoog) en Miniques (5910 meter hoog). De meren steken diepblauw af tegen de wazige omgeving. Ze liggen naast elkaar. Flamingo’s staan ook hier weer in grote aantallen in het water. Het is het ultieme plaatje van de Altiplano.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Laguna Miscanti                                                                                                            Piedras Rojas 

 

Maar het kan nog mooier. 43 kilometer verderop, steeds meer in de richting van de grens met Argentinië ligt Piedras Rojas. Eenzame lange weg, en het is echt iets voor de doorzetters. Net als we denken dat we helemaal verkeerd gereden zijn, en we overwegen om maar om te keren en terug te rijden, slaan we een bocht om en hebben dan volkomen onverwacht een onbeschrijfelijk mooi panorama voor ons liggen. We zijn er stil van: we weten niet wat we zien. De bergen lijken te vlammen in rode, bruine, oranje en paarse pasteltinten. De omgeving is puur, leeg, ijzingwekkend stil. We wandelen hier en staan in verrukking overal rond te kijken. Wat is dit gaaf!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Socaire

De totale afstand van San Pedro tot aan Piedras Rojas is 174 kilometer, en dus moeten we ook weer 174 kilometer terug naar San Pedro. Het is geen straf, het landschap blijft boeien, de weg is goed, het weer is goed. Dit is roadtripping op zijn best. We nemen een late lunch in Socaire (lekker eten!) en komen tegen de avond in San Pedro aan. We kijken terug op een fijne dag, we zijn bijzonder tevreden!

 

 

San Pedro de Atacama – Calama - Santiago

Vandaag vertrekken we vroeg, om half acht. We rijden terug naar Calama, een afstand van ruim honderd kilometer, waar ons vliegtuig op ons wacht. We nemen afscheid van de familie van onze hostal (wat een vriendelijke familie!), rijden naar de luchthaven, waar we de huurauto inleveren. Via Santiago zullen we naar La Paz (Bolivia) en vervolgens naar Cusco (Peru) vliegen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Cusco, Plaza de Armas                                                                                                Cusco, Calle Plateros

 

Santiago – Cusco

De korte vlucht van Santiago naar La Paz verloopt prima. We hebben hier een wachttijd van vier uur, maar mede door de aangename transferruimte met goede stoelen en een restaurantje, en natuurlijk een goed boek (eindelijk tijd voor!) verstrikt die tijd snel. Het is vanaf La Paz maar een klein stukje naar Cusco, waar we laat in de middag aankomen. We vliegen over de Andestoppen en zien enkele meren, waaronder het Titicacameer onder ons voorbij glijden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ons hotel in Cusco voor de komende drie dagen heet Oblitas. We krijgen aanvankelijk een kamer in postzegelformaat. Na ons protest krijgen we een grotere en iets luxere kamer. Het hotel is op zich niet onaardig, maar wat het vooral zo prettig maakt is de locatie er van. Het ligt aan de Calle Plateros, een zeer levendige straat met vele reisbureaus en trendy restaurants. Om de hoek ligt het mooie Plaza de Armas.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Cusco was de oude hoofdstad van het Incarijk. In 1533 wordt de stad door de Spaanse conquistadores (veroveraars) onder leiding van Pizarro veroverd, verwoest en opnieuw opgebouwd en gemodelleerd naar Spaanse christelijke maatstaven, zoals zoveel gebeurde in Zuid- en Midden-Amerika in die jaren. Toch is er nog wel iets van Inca-invloed gebleven. In de Heilige Vallei, de vallei vlakbij Cusco, zijn nog overblijfselen uit de Incatijd en even ‘verderop’  is in 1911 het nu wereldberoemde Macchu Picchu ontdekt. Dit heeft Cusco, ondanks dat het in 1950 volledig is verwoest door een aardbeving, het centrum van toerisme gemaakt. En dat is – op een positieve manier – te merken in de stad. Overal lopen de backpackers en nieuwsgierige reizigers en de sfeer is vrij relaxt. Het aanbod aan voorzieningen is hoog. De stad - met 450.000 inwoners - is levendig en buiten het historische centrum ook redelijk modern.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Omgeving Cusco: de Sacred Valley

Wij hebben de Sacred Valleytour geboekt (volledige dag, zeer aan te raden). Bij toeval lopen we een reisbureautje in tegenover ons hotel en een zeer vriendelijke en (naar later blijkt) ervaren gids biedt ons een tour op maat aan voor een zeer schappelijke prijs.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

We rijden Cusco uit via een soort ‘ hoge pas’  en komen dan in de Heilige Vallei. Allereerst Tambomachay, een oude Incalocatie. Even verderop bezoeken wij een dorp waar vrouwen aan het spinnen zijn. Het is een  beetje een toeristisch gebeuren maar wij laten ons graag het hele proces van wol maken en kleding maken uitleggen en de vrouwen zien er in hun lokale klederdracht mooi uit. We vermaken ons wel op deze locatie. Even later rijden we naar Pisac, waar boven het dorp zelf een  archeologisch park met ook weer Incaoverblijfselen te vinden is. We wandelen langs en over terrassen die door de Inca’s gebouwd zijn in een natuurlijke krater. Ze probeerden allerlei landbouwproducten uit op deze verschillende terrassen om er achter te komen op welk terras (welke hoogte) een bepaalde aardappel bij voorbeeld het best gedijde. De ronde cirkels in het landschap tegen een dramatisch decor van de ruige bergen leveren een prachtig gezicht op.  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Via Ollantaytambo rijden we naar Moray, waar vlakbij – in Maras – zoutmijnen liggen. Het zoute bronwater uit het binnenste van de bergen stroomt in de aangelegde zoutpannetjes die tegen een berghelling aan liggen. Het water droogt door de warmte van de zon en het zout komt ‘bloot’  te liggen en kan gemakkelijk opgeschept worden. Het wordt als zoutbergjes opgeslagen en later weggehaald. Er zijn honderden van die zoutpannen. Ze schijnen al te bestaan sinds de Incatijd en wederom moeten we concluderen dat die Inca’s verdraaid slim waren. Om dit aan te leggen op de berghellingen moet toch wel veel inspanning hebben gekost. Vandaag de dag bezit iedere familie wel zo’n zoutpan. Van bovenaf is het een fraai, buiten surrealistisch gezicht, al die witte zoutpannen op de helling. Ook deze dag vonden wij weer bijzonder geslaagd. We eten wederom heel lekker in een van de trendy restaurants in oud historisch Cusco (Morena is b.v. een heel goed restaurant).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vliegen van Cusco naar Puerto Maldonado

Wij vinden een hop on hop off bus altijd een goede manier om veel van een stad in weinig tijd en op een gemakkelijke manier te zien. De volgende ochtend nemen we dan ook zo’n bus op het Plaza de Armas. De rit zal bijna drie uur gaan voeren en ons behalve in het oude centrum ook in het nieuwe centrum en zelfs buiten de stad brengen. In een dorpje vlakbij de stad mogen we zelfs een heuse ceremonie door een Indiaanse sjamaan meemaken……

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Cusco 

 

De volgende dag vliegen we in één uur tijd naar het oosten van Peru. Puerto Maldonado is een tropenstad die er een beetje shabby bij ligt. Het is een boomtown geweest, maar die enorme groei lijkt nu weer wat afgevlakt. Om inwoners te trekken konden mensen tegen lage prijzen in dit stukje jungle grond kopen en huizen bouwen. Erg planmatig werd het niet gedaan. Maldonado is nu een vrij uitgestrekte stad met stukjes grond en vrijstaande huizen en huisjes, die betere tijden gekend lijken te hebben. Je vraagt je af wat 75.000 mensen in deze uithoek doen, je verwacht ook geen stad in een stuk jungle, waar het het hele jaar door zo’n 38 graden is en het enorm kan regenen, maar goed: het is er wel. Veel te beleven is er niet. Ons hotel is zeer goed. Er is een goed restaurant annex ijssalon beneden het hotel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Verblijf in de jungle lodge Cayman Lodge

We hebben uitgekeken naar ons vierdaagse verblijf in de jungle. We worden op 6 oktober om 12.00 uur opgehaald bij ons hotel. De jungle lodge ligt zeventig kilometer van de stad verwijderd, in het hartje van de jungle (Tambopata National Reserve). Het is een klein uurtje rijden totdat we de stad helemaal uit zijn en dan stappen we over in een gemotoriseerde kano, om nog eens twee uur te varen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het is een ontspannend verblijf in de junglelodge. We hebben een kamer die niet zo heel veel voorstelt, er is ook geen electriciteit, maar het verblijf, de activiteiten en de maaltijden zijn goed verzorgd. De belangrijkste reden om hier te zijn is de kleilik, waarover straks meer. Daarnaast doen we de dingen die je zoal in de jungle kunt doen en die we elders ook wel gedaan hebben. Maar leuk is het allemaal wel. Een nachtelijke zoektocht naar capibara’s en kaaimannen langs de oever van de rivier, een nachtelijke wandeling door het bos (verbazingwekkend hoeveel er ’s nachts in zo’n oerwoud te zien is), een gewone wandeling van drie uur door de jungle. Verder liggen we geregeld in de hangmatten, van waar we een mooi zicht hebben op de traag stromende Tambopatarivier. We hebben een zeer goede, vriendelijke en attente persoonlijke gids, die ons deze vier dagen bij alles helpt, met ons meewandelt en vaart, uitleg geeft etc. Heel goed geregeld.

 

 

Verhaal:  Kleilikken in het Amazonegebied

Ver weggestopt in het uiterste oosten van Peru ligt het deel van de Amazonejungle, dat daar het Tambopata National Reserve heet. Het strekt zich uit aan beide kanten van de Tambopatarivier. Je komt er door te vliegen naar de junglestad Puerto Maldonada, waar de rivieren Tambopata en Madre de Dios samenvloeien. Van hieruit moet je nog zo’n vijftig kilometer per kano over de Tambopata om een junglecamp te bereiken. Als je dan nog zeventig kilometer verder vaart kom je bij één van de ‘kleilikken’. Het is niet op één dag te doen, dus verblijf in het kamp is onontkoombaar, en ook nog eens erg leuk.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kleilikken zijn wanden van klei nabij de rivier, ontstaan door een hoogteverschil in het landschap. Zij bevatten veel gezonde mineralen. De ara’s en papegaaien van het Amazonewoud hebben dit ontdekt en zijn er zelfs van overtuigd dat dit goed is  voor hun gezondheid (de klein neutraliseert onder andere gif dat zij binnen krijgen) en dat ze dit dus nodig hebben. Bijna iedere morgen, het weer moet natuurlijk wel meezitten, komen zij in groten getale naar deze kleilikken, waarvoor ze wel veertig tot vijftig kilometer hebben moeten vliegen. Niet alleen papegaaien hebben ontdekt dat kleilikken interessante plekken zijn, ook de mens heeft het, zij het vooralsnog in beperkte aantallen, ontdekt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Toen wij hierover enkele jaren geleden lazen, was onze eerste gedachte: hier willen wij heen!! Het ligt allemaal wat excentrisch en je moet er dus wel iets voor over hebben. Maar als je echt voor iets gaat, zet je vooral door en je zult het bereiken. Onze passie voor het onbekende, het exotische en bijna onbereikbare en moeilijk begaanbare won het van praktische bezwaren (ver weg, heet). De kleilik ging het worden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

En daar zitten we dan op een mooie dag in oktober 2019. ‘s Ochtends om half vier in de gemotoriseerde kano. Met een behoorlijke gang er in scheuren we over de Tambopatarivier. Het heeft de afgelopen dagen flink geregend en iedereen die de jungle kent weet dat het dan redelijk onbegaanbaar is in het bos. De regen lijkt echter plaats te maken voor mooi onbewolkt weer en door deze overgang van vochtig naar warmer weer hangt een dikke brij mist boven de rivier. In eerste instantie gaat het nog wel: zelfs wij kunnen de groene oevers (in het nachtelijk donker een zwarte vlek links en een zwarte vlek rechts) nog ontdekken. De rivier zelf wordt een witte vlek.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Niet lang daarna wordt het een dikke mistvlakte: links en rechts zijn de oevers niet meer te zien. De wereld is een schimmige vage grijswitte vlek geworden. Wij zien geen hand voor ogen en zelfs elkaar bijna niet meer. We voelen ons als een blinde die niet weet waar hij is en alleen maar razendsnel vooruit geduwd wordt. Het verbaast ons hoe de schipper hier zijn weg weet te vinden. Wij twijfelen er niet aan, dat hij de rivier ter plaatse goed kent, maar zelfs voor hem moet het onmogelijk zijn om hier nog iets te zien. Bovendien kan hij onmogelijk alle hobbels en bochten van de zeventig kilometer lange rivier kennen. En vooral niet de vele boomtoppen, boomstronken en rotsige eilandjes in de rivier.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vooralsnog vaart hij door. Soms minder hij vaart en dan blijken we vlak langs een oever te varen, ik zie de kant snel op me afkomen en kan hem bijna aanraken. Snel corrigeert hij dan weer en we gaan door de witte schimmenwereld weer verder. Dan ineens, voordat we het goed beseffen, liggen we stil. Met een harde klap en flink gekraak landen we op een rots in de rivier. Lione roept meteen: “ We gaan in het water belanden, let maar op, nu gaan we, hou je vast”.

Ik voel instinctmatig op de vloer van de boot maar ik voel gelukkig (nog) geen water. Nu nog los zien te komen. Met veel power lukt het om achteruit het water weer in te varen. Het duurt tergend lang voordat de zon het een beetje begint over te nemen van de mist. Maar de zon wint de strijd hier altijd. Ik zie de oevers weer, en de rivier. We landen bij Chuncho, een eilandje midden in de brede rivier. We stappen aan land en wandelen via een modderig en zompig pad naar de kleilik. We positioneren ons op ongeveer dertig, veertig meter van de kleilik. Er zitten al papegaaien in de toppen van de bomen, klaar voor het feestmaal dat straks zal beginnen.

 

    

Er zijn veel roofdieren in de buurt, die denken hun kans schoon te zien zodra de nietsvermoedende vogels aan hun dagelijkse likje beginnen. Maar de papegaaien zijn natuurlijk niet gek. Ze weten dit en ze sturen eerst de dapperste naar beneden, richting kleilik. Steeds een takje lager gaat hij, totdat hij het veilig genoeg vindt om op de kleilik te springen. Er volgen nog een paar vogels, ze blijven het angstig vinden.

Dan ineens, op een voor ons onzichtbaar teken, nemen alle vogels bezit van de lik. Tientallen zitten er en nog eens tientallen komen er aan vliegen. Het is een kleurrijk spektakel. Als er ook maar eentje onraad meent te ruiken, fladdert hij schreeuwend weg en de rest volgt onmiddellijk. Het is meestal loos alarm en allen keren weer terug. Totdat het genoeg is. Alle vogels vliegen op hetzelfde moment weer op en verdwijnen hoog boven het oerwoud uit het zicht om niet meer terug te keren. Het is klaar.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het is geweldig om dit zeer bijzondere verschijnsel te mogen meemaken. Van ver weg komt de mens en weet door te dringen tot dit pure stukje natuur. Een soort ‘ geheim van de jungle’. We mochten getuige zijn van iets exclusiefs en wat ons betreft blijft het ook zo (kleinschalig). We zitten nog even na, we ontbijten hier en stilletjes lopen we dan over het bemodderde eiland weer terug naar de boot.

Een filmpje van 39 seconden is hier te vinden: https://www.youtube.com/watch?v=g4FZXLitN6k

 Aan alles komt een einde

We hoeven pas om half een ’s middags te vertrekken uit de lodge. We varen en rijden terug naar Puerto Maldonado en nemen daar het vliegtuig naar Lima, dat ’s avonds om acht uur vertrekt. In Lima slapen we nog een nacht en we vliegen dan terug naar Amsterdam in ongeveer 11 uur tijd. We ontdekken dan pas de tientallen (veel meer nog eigenlijk) muggenbulten die we waarschijnlijk op onze avondwandeling hebben opgelopen. Het jeukt allemaal enorm en het was pas zo’n beetje na een week of drie verdwenen. We kijken terug op een bijzonder gevarieerde reis: onwereldse landschappen, zoutvlaktes, bergen, vulkanen, meren, historie (Inca’s), oerwoud, natuur. Een reis die we al heel lang wilden maken en die we nu gelukkig kunnen bijschrijven als ‘ daar zijn we ook geweest en daar zijn we heel blij mee’. We kunnen dit iedereen alleen maar aanraden.