Voor foto's van deze reis:  renelione.magix.net

Voor praktische info en tips over deze bestemming: klik hier

ZUIDELIJK AFRIKA   (Zuid-Afrika, Namibie, Zambia, Botswana)

 

Van Kaapstad, dwars door Namibië naar Victoria Falls in Zambia, en via het enorme land Botswana weer terug naar Johannesburg, en dat in drie weken, kan dat? Ja, dat kan. Ruim 7.000 kilometer in een safaritruck door het landschap van Zuidelijk Afrika, maar dat betekent wel: heel vroeg opstaan, heel veel kilometers maken, eindeloze ritten door een soms onaards landschap, stof, hitte en soms niet zo lang ergens kunnen blijven als je zou willen. Maar ook, en vooral: veel hoogtepunten, bijna alle hoogtepunten die Zuidelijk Afrika te bieden heeft: fraaie landschappen, veel wildlife en een bijna zonder uitzondering vriendelijke bevolking: het echte Afrika. Het is vermoeiend, maar je krijgt er een onvergetelijke ervaring voor terug. Wij maakten deze reis in augustus 2009, met Kiboko Tours uit Kaapstad. Hier volgt ons reisverslag.

Amsterdam-Kaapstad/Kaaps schiereiland

Kaapstad heet één van de mooiste gelegen steden ter wereld te zijn. Dat kunnen we beamen, de stad ligt fraai in een halve cirkel tegen de Tafelberg aangevleid. Veel zien we hier niet van als we ’s avonds van het vliegveld naar de Breakwater Lodge rijden, onze eerste overnachtingsplaats. Gelegen in de opgeknapte havenwijk Victoria en Albert Waterfront, die fraai tussen de zee en de Tafelberg ligt. Het hotel is gevestigd in een oude, omgebouwde, gevangenis en is prima te noemen. 
De volgende dag worden we wakker met uitstekend weer: een onbewolkte zonnige dag en de temperatuur is aangenaam:  iets boven de 20 graden. Dat is, zeker omdat het winter is, een meevaller: vaak ligt de stad onder een grijzige wolkendeken en is de Tafelberg niet te zien. Vandaag is dat anders.  Overal is hij te zien; waar je ook bent in Kaapstad, je kijkt tegen die machtige berg aan. We rijden vandaag over het schiereiland, dat onder Kaapstad is gelegen, naar Cape Point en Cape of Good Hope (Kaap de Goede Hoop) op het uiterste puntje van het schiereiland. Cape Point is het meest zuidelijke stukje Afrika, er staat een vuurtoren. Je kunt het laatste stukje lopend doen (beetje klimmen) of met een treintje. Van hieruit heb je een mooi uitzicht over de woeste oceaan ver beneden je. Overal waarschuwingen om vooral niet buiten te eten vanwege de bavianen, die erg agressief kunnen zijn. We zien er een aantal langs de weg, maar ze blijven rustig.
’s Middags naar Simons Town, met een fraai strand (Boulders Beach), waar pinguins leven. Kirstenbosch is een uitgestrekte botanische tuin, op een glooiend terrein gelegen. We wandelen hier wat rond en gaan dan, na in het shopping centre in Waterfront onze boodschappen te hebben gedaan, terug naar ons hotel. Morgen begint de rondreis!


       

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Noordkaap/Calvinia

Het is druilerig weer vandaag; we hebben gisteren dus zeker geboft met het weer. Snel verlaten we Kaapstad richting het noorden. We rijden door een groen, golvend landschap. Weids met tafelbergen aan de horizon en rechts van ons. Bij Pikenberg volgt de eerste pas, daarna weer hetzelfde landschap, nu met de tafelbergen dichterbij. Citrusdal, de Cederbergen, van Rhijnsdorppas. Dan gaan we de provincie Noordkaap in. Een fraai landschap, dat ons onze eerste reis door Zuid-Afrika in 2003 in herinnering brengt. Dat het landschap in dit land bijzonder mooi is, was ons bijgebleven en wordt nu weer bevestigd. Niet voor niets gebruikt Zuid-Afrika de slogan: the world in one country. Bijna alles is hier, woestijnen, bergen, savannes, heuvels, bossen. Langzamerhand wordt het landschap droger en kaler. Het is nu nog winter, maar weldra zullen hier ontelbare woestijnbloemen (4.000  verschillende planten en bloemen) kort in bloei staan, iets is er al van te zien. 

We bereiken uiteindelijk Calvinia, een onooglijk typisch Zuid-Afrikaans plaatsje, gelegen aan de voet van het Hantamgebergte. Veel oude huisjes in Hollands Kaapse stijl, uit de pionierstijd. Een goede indruk van die tijd krijgen we in het Calviniamuseum. Je beleeft hier de jaren 1850 – 1900 opnieuw, toen godsvruchtige hardwerkende mensen uit Europa hier een nieuw bestaan trachtten op te bouwen. Veel hadden ze niet en het moet een ongelooflijk hard bestaan geweest zijn, en vriendelijk zal het leven hier ook al niet geweest zijn. Het was nieuw onbekend land, dat nog volkomen onontgonnen was. Een vijandige omgeving, qua klimaat en vanwege de inheemse stammen die de blanke overname niet gewaardeerd zullen hebben. De verhalen die hier te lezen zijn en de voorwerpen uit deze tijd in het museum illustreren deze begintijd van het huidige Zuid-Afrika. 

Veel is er niet te beleven in Calvinia, het zijn slechts enkele straten waar overwegend zwarte mannen met op het eerste gezicht niet echt vriendelijke blikken, vaak onvast ter been, en met een blijkbaar onduidelijk doel rondhangen. Bedreigend is het niet, althans niet nu, overdag, het is het beeld dat we elders ook zullen aantreffen. Dit is the middle of nowhere.  We genieten van een heerlijk diner in zo’n oud Hollands Kaaps huisje, lekker kneuterig allemaal. Als we ’s avonds teruglopen naar onze lodge door een volkomen verlaten Calvinia is het behoorlijk koud, ook al een fenomeen dat we de hele reis zullen meemaken: overdag redelijk warm en ’s avonds vaak niet al te ver boven het vriespunt. We zetten de elektrische deken maar aan….

 

     


Augrabies

We gaan weer een flink stuk noordwaarts vandaag, 400 km, van Calvinia naar Augrabies Nationaal Park, aan de grens Zuid-Afrika/Namibië. Een lange rechte weg door Bushmenland (Bosjesmannen ofwel de San). Weinig te zien, droog land. Wat de San hier te zoeken hadden, en nog steeds hebben, is ons een raadsel: kaal land met uitsluitend lage droge bosjes, oneindig strekt dit landschap zich vóór en rondom ons uit. Hier en daar wat rotsen. Af en toe, om de 50 km, een klein dorpje, als het die naam al mag hebben. Brandvlei, Kernhardt, Kanoneiland, Keimoes. Fraaie namen, dat wel. Bij Keimoes worden druiven verbouwd, en we vragen ons af hoe dat in deze omgeving mogelijk is. Het antwoord volgt snel: we bereiken de Oranjerivier. Een vruchtbare vallei. Nabij Keimoes perst het water van de Oranjerivier zich door een nauwe kloof met veel geweld en geraas over een flinke breedte 60 meter omlaag: De Augrabies watervallen. De zesde waterval ter wereld, qua grootte. Een mooie plek om rond te wandelen. Dassen, eekhoorns overal, het eerste kleine wild, en vooral: veel vliegen! We overnachten in de nabijgelegen lodge Vergelegen (!).

 


 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Twee Rivieren
Alweer een lange rit via de middelgrote stad Upington naar Twee Rivieren, één van de ingangen van het Kgalaghadi Transfrontier Park, gelegen in het uiterste noordwesten van de provincie Noordkaap, ingeklemd tussen Zuid-Afrika, Namibië en Botswana. Kgalaghadi is een samenvoegsel van twee nationale parken in Zuid-Afrika en Botswana. Hierdoor ontstond in 1998 één aaneengesloten park, zo groot als België, waar mens en dier geen last hebben van de staatsgrens tussen deze twee landen. Het is het eerste park in Afrika, dat zo is ontstaan. Je bent hier in de halfwoestijn van de Kalahari, maar omdat het toch nog enigszins groen is, wordt het hier ook wel de Green Kalahari genoemd. Een eindeloos verlaten landschap met rode zandduinen, droge rivierbeddingen en vooral opvallend veel wild. Uiteraard vele vogelsoorten (zo’n 250), de meeste roofdieren (de leeuw met de zwarte manen die hier voorkomt is uniek!), maar vooral ook is Kgalaghadi het park van de gemsbok ofwel de oryx. Een schitterend dier, dat je hier in overvloed tegenkomt. De lodge bij de ingang Twee Rivieren is fraai gelegen. We lunchen buiten, vóór ons huisje, en worden verwelkomd door tientallen eekhoorns die haast aan je benen kloppen voor eten. Het bedelen is ze hier blijkbaar aangeleerd…… In de late middag maken we een gamedrive. We zien nog niet veel wild: verschillende soorten antilopen en vooral de oryx dus.
 
Kgalaghadi
De hele dag een gamedrive vandaag. Van Twee Rivieren naar de 75 km verderop in het park gelegen camping/lodge Mata Mata, en weer terug. We zien oryxen en andere antilopen, struisvogels, een jakhals, giraffen, leeuwen. Het landschap is een semi woestijnlandschap met toch wel wat groen omdat hier nog een beetje regen valt. Bij Mata Mata is een mooie drinkplaats, maar zo midden op de dag meldt zich niet veel wild. Pas als het donker is zijn we weer terug in Twee Rivieren.
Namibië, Fish River Canyon
Vandaag zullen we Namibië binnen rijden, ons eigenlijke reisdoel.  Voorbij Rietfontein gaan we voor de eerste keer deze reis een grens over, het zal nog vaak gebeuren. Het passeren van de grens verloopt vlot en probleemloos. Onmiddellijk valt het ongelooflijke lege landschap op. Een flinke rit naar de eerste stad in Namibië:  Keetmanshoop geldt met zijn 15.000 inwoners in Namibië als een vrij grote stad. We doen boodschappen bij een supermarkt en ook hier weer een vreemd sfeertje met rondhangende onduidelijke types: ze halen hun shirt omhoog en strijken over hun buik, armoe, honger; een enkeling vraagt op agressieve toon om sigaretten. Het besef dat we nu echt in Afrika zijn….
Verder gaat het weer. Vele kilometers door dit lege onbegrensde land. Rotsbergen in allerlei kleuren, verzengend heet landschap,keien, een stoffige gravelweg. Alsmaar rechtdoor naar de horizon om daar te ontdekken dat er weer een horizon ligt…. Hetzelfde en nog meer van hetzelfde, eindeloos. We slapen vannacht in de Canyon Lodge, al weer zo’n hele goede lodge. Fraai gelegen, de huisjes zijn in de halve ronding van een bergwand gebouwd. Tegen 5 uur ’s middags gaan we op weg naar de Fish River Canyon. 25 km rijden we door een leeg vlak landschap, als de truck ineens stopt. We zien geen canyon, zijn we er al dan? En jawel, bijna onzichtbaar, maar als je een paar passen naar voren loopt sta je ineens voor een enorme afgrond: de Fish River Canyon, de tweede grootste canyon ter wereld.  Ruim 500 meter diep, vele kilometers breed en zo’n 160 km lang. Diep uitgesleten in het vlakke landschap, vandaar dat de canyon tot op korte afstand aanvankelijk niet te zien is. Een onmetelijke diepte, en het maakt indruk. Ver beneden ons stroomt de Fish Rivier. We maken een korte hike langs de rand van de canyon, een mooie wandeling, zeker ook omdat de zon aan het ondergaan is. Hier is niets afgezet, geen hekken of paaltjes. Alles is hier zo natuurlijk mogelijk gelaten. We lopen vlak langs de rand en hebben een schitterend uitzicht op de diepe kloof. Een eerste echt hoogtepunt!! Het volgende zal al snel volgen.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Naar Sossusvlei
Sossusvlei, de tientallen kilometers lange keten van honderden meters hoge rode zandduinen, is een absoluut hoogtepunt van Namibië, samen met het Etosha Park. Vandaag rijden we er heen en we kunnen haast niet wachten om deze beroemde plek met eigen ogen te zien! De rit erheen is één van de langste dagritten van deze reis: via Seeheim en Goageb rijden we eerst naar Bethanië. 3 x 3 straten, leeg, rust, heet. Geen mens op straat. Na een uitstekende lunch kilometeren we weer verder: het landschap hier op de maan is overweldigend!! Verzengend en droog. Puur, een soort oerlandschap. Soms hoge granieten rotsbergen. De gravelroad gaat maar door, honderden kilometers. Het land van de San, Hottentotten, de Nama. The land where the spirits roam free….
Via Maltahöhe komen we dan uiteindelijk aan bij Guestfarm Weltevrede, en die naam lijkt ons meer dan toepasselijk. Vanaf ons terras lopen we zo de Afrikaanse savanne op. Het wild komt hier tot aan je voordeur! Een prachtige zonsondergang en na het avondeten zien we vanaf ons terrasje nog wat antilopen scharrelen bij de (verlichte) drinkplaats.

  
                                                 
Sossusvlei
Het is nog donker als we naar de Sossusvlei rijden, want juist vlak na zonsopkomst zijn deze immense rode zandduinen het mooist. Eerst 40 kilometer naar de ingang van het park, en na tien minuten wachten gaan om klokslag half 7 de hekken open. Je bent hier bepaald niet alleen: tientallen busjes en jeeps stromen naar binnen. Vanaf het hek is het nog 66 km naar de Sossusvlei, maar de meesten stoppen al na 45 kilometer, bij Duin 45. Duin 45 is het meest beklommen duin, maar ook andere duinen worden beklommen. Een hele stoet klimt over de smalle duinrug naar boven, het lijkt van beneden gezien wel een lange kolonne mieren. Wij klimmen ook omhoog. De klim door het rulle zand is vrij inspannend. Halverwege maken we prachtige foto’s, het uitzicht is fenomenaal, met de overal om je heen langzaam rood kleurende duinen. 

Dan gaan we weer terug. We ploffen lekker snel naar beneden en wandelen door dit fraaie landschap. Het is vanaf hier nog 5 km naar Dead Vlei, een uitgedroogde pan met honderden jaren geleden gestorven bomen. Een surrealistisch landschap met een harde gebarsten bodem waar de silhouetten van de dode bomen fraai afsteken tegen de strakblauwe lucht. De uitgedroogde camelthorn bomen lijken op abstracte kunstwerkjes. De weg houdt hier op, dus de 5 km zullen gelopen moeten worden, maar er zijn ook 4x4’s die je kunnen brengen. Bij het eindpunt is het nog 1.5 km door het rulle zand, en enigszins stijgend, naar Dead Vlei. Het is erg warm geworden en er is hier geen schaduw. Na de nodige foto’s wandelen we terug. Overal de steeds roder worden duinen, enorm van afmeting en je voelt je hier nietig. Deze omgeving is overweldigend en eerlijk gezegd raak je niet snel uitgekeken. Een attractie van formaat, vinden we. Het is inmiddels heet geworden en dat terwijl het hier officieel “winter” is!
Zestig kilometer verderop ligt de Sesriemkloof, een kleine, 30 meter diep gelegen canyon. Beneden aangekomen lopen er honderden toeristen, de meesten Italianen, wat behalve een oorverdovend lawaai ook een file oplevert. We kunnen niet zoveel mooie plaatjes schieten, schuifelend lopen we een stuk door de kloof. Na een lange enerverende dag gaan we tegen de avond terug naar de lodge. Na een uitstekend diner is het nog even chillen met het Afrikaanse landschap vóór ons terras. Enkele springbokken lopen langs, op weg naar de waterplaats. De sterrenhemel is onbeschrijfelijk: intens en zoveel sterren zie je niet snel…..
                                                      

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Swakopmund
Swakopmund is voor de meeste reizigers een noodzakelijke stop. De afstanden zijn zo groot dat je vanuit Sossusvlei wel in Swakopmund moet stoppen, verder kom je niet op één dag. Voor veel mensen staat dit kleine stadje aan de Atlantische kust gelijk aan allerlei lawaaierige en spannende outdoor-activiteiten zoals sandboarding en quadbiking. Van hieruit kunnen ook vluchten boven de omgeving gemaakt worden. Het is 300 kilometer rijden via Walvisbaai (een saaie stad met brede lege lanen, die geheel door de woestijn is omringd en waar het behoorlijk waait). Ook Swakopmund zelf is weinig inspirerend: het is een erg Duits stadje en je waant je haast aan de Noordzeekust, ware het niet dat ook Swakopmund aan drie kanten is omsloten door eindeloze zandvlakten. Via Solitaire door de badlands van Namibië bereiken we Swakopmund in de middag. De teleurstelling is groot als blijkt dat de excursie Living Desert Tour (waarbij je in de woestijn wandelend de dieren van de woestijn krijgt te zien) helemaal volgeboekt is. Hier hadden wij ons in Nederland al op verheugd! Een alternatief is er niet: ook de vluchten zijn volgeboekt of veel te duur. Gelukkig kunnen we de Township Tour nog wel maken.
’s Avonds wandelen we door de volledig verlaten straten van Swakopmund naar een druk bezocht restaurant, waar we heerlijk eten. De lodge (Dunedin Star) is ver onder de maat, qua onderkomen en qua service, of liever gezegd: geen service. Als we bij de eigenaar klagen over het feit dat er geen handdoeken zijn, kijkt hij 5 minuten omhoog en zegt dan eindelijk: Towels, ah…let me see, no towels, en draait zich zonder iets te zeggen om en loopt weg. De deur van de badkamer hangt er half uit, geen warm water, sloten die niet sluiten etc.  Als de volgende dag bij het ontbijt (2 personeelsleden en 50 hongerige gasten) geklaagd wordt over de service, houdt de bedienende dame het voor het gezien: ze serveert, boos als ze is, geen ontbijten meer. Dat kan hier zo maar. Een absolute afrader, maar dat is dan ook de enige keer dat wij het niet treffen. 

               

De volgende dag is het (zoals iedere dag tijdens deze reis) zonnig weer, maar wel fris. We wandelen door dit merkwaardige stadje met zijn Duitse gebouwen en Duitse opschriften, Kuchen und torte, naar het strand. Heerlijk uitwaaien. We passeren enkele Himbavrouwen en als we vragen of we foto’s mogen maken verschijnt er ineens een manspersoon die zegt dat dat 1 dollar per foto is (tenzij er 5 op één foto staan, dan is het 5 dollar). Lachend zegt Lione dat hij een lekker handeltje heeft, maar wij trappen hier niet in. Een kleine neger komt naar ons toe en stelt zich voor met: “Ich bin Hans”. Hij heeft een stenciltje in zijn hand, waarop te lezen valt dat een schooltje financieel ondersteund kan worden. Om overtuigender te zijn staan er enkele namen ingevuld met daarachter een bedrag en een handtekening. Wij twijfelen: is dit echt of is dit een slimme truc? We mogen 10 (US) dollar doneren of 20 dollar. Als we zeggen dat 5 dollar toch ook zou kunnen kijkt onze Hans uitermate moeilijk. We gaan er maar niet op in.
De stad is schoon, Duits schoon. Overal staan mannen met wollen mutsen blijkbaar te wachten totdat er een papiertje op straat valt om het meteen daarna te kunnen opruimen, zo lijkt het. Geen afval gezien hier. Erg veel sfeer is er niet, vrij lege straten, her en der hangen mannen rond, met alweer blijkbaar geen duidelijk doel of reden. Blank en zwart leven hier volkomen langs elkaar heen: zwart leeft en hangt op straat, blank komt aanrijden in dure auto’s, en haast zich snel één van de vele winkels in. Alle winkels zijn er, alles is verkrijgbaar, maar dan vrijwel alleen voor de blanken. Blanken negeren de zwarte inwoners volkomen. 
Enkele kilometers buiten de stad beginnen de townships, waar 32.000 van de 48.000 inwoners van Swakopmund leven. De meesten komen zelden in de stad zelf. De townships in de Namische steden zijn een erfenis van het kortstondige Duitse koloniale bewind, fanatiek voortgezet door de Zuid-Afrikaanse bezetter. Toen er steeds meer blanken in de steden kwamen wonen, vonden deze dat ze wel erg dicht bij de zwarte mensen kwamen te wonen en zo begon de gedwongen volksverhuizing van de zwarte bevolking naar de achterbuurten, ver van de blanke wijken. Hoewel apartheid en gescheiden wonen officieel zijn afgeschaft hebben veel mensen simpelweg niet de mogelijkheid om elders te gaan wonen. Er zijn dus nog altijd grote concentraties arme zwarte buurten, de townships.
 
                                                                       

In de namiddag rijden we de stad uit, langs troosteloze industrieterreinen, een stukje woestijn en dan doemt de township op. Eindeloze blokken met bouwsels, bedoeld als huizen. Alle materialen die gebruikt kunnen worden zijn ook gebruikt: golfplaten, hardboard, planken, stenen, karton, gordijnen als muur.  In eerste instantie had iedere stam zijn eigen buurt, maar steeds meer woont men ook door elkaar. Het ziet er redelijk ordelijk uit allemaal, maar het oogt wel als een uiterste arme stad. Er is geen elektriciteit. In sommige delen zijn de huizen iets beter: armoe bestaat dus ook in gradaties. Er zijn zelfs blokken “koophuizen”, waarvoor de regering een lening van 3.000 euro verstrekt. Het zijn kleine stenen huisjes, ze lijken meer op schuurtjes, afmeting 4 x 4 meter. 
We bezoeken een Hererovrouw, die over haar stam en haar leven vertelt. Daarna een kruidenvrouwtje. Het geloof van de Afrikaan in de genezende werking van kruiden en allerlei andere onduidelijke mengels (zelfs bavianenpoep!) is heilig en zij heeft dan ook een belangrijke functie. Ze bedient een kwart van de wijk, wat nog altijd 8.000 mensen is! Als we een schooltje bezoeken is de consternatie in de klas groot. Wat bij binnenkomst nog een ordelijke verzameling kinderen is, ontaardt al snel in chaos en hilariteit als we foto’s beginnen te maken. Uiteindelijk belanden we tegen de avond in een lokale kroeg. We eten Afrikaans voedsel: een soort pannekoek, wilde spinaziesaus en gefrituurde rupsen. Deze smaken niet eens zo onaardig…. We vinden het bezoek indrukwekkend. (Economische) apartheid bestaat nog altijd en dat zal niet alleen in Namibië zo zijn. De kinderen kijken desondanks blij en zijn vriendelijk. Bijna overbodig om nog te vermelden dat een bezoek op eigen houtje absoluut af te raden is. Dit is een georganiseerde, overal te boeken, tour.

                                                                          
 
Damaraland
Vanuit Swakopmund rijden we in eerste instantie naar het Noorden, langs de kust. Deze kust heet de Skeletonkust. Veel schepen en vliegtuigen  vonden hier een vroegtijdig einde, door het onbarmhartige klimaat: gevaarlijke stromingen, stormen, mist.  Als je de crash of schipbreuk al overleefde, kwam je alsnog om in de woestijn langs deze kust. Waarmee de naam Skeletoncoast weer verklaard is! We zien zo’n scheepswrak liggen, een vers exemplaar, dat hier acht maanden geleden is gestrand. Door de mist rijden we het binnenland in. Na een half uur breekt de zon door en wordt het warm. Het landschap blijft adembenemend mooi. Vlakten met bergen aan de horizon, grillige rotsformaties in allerlei kleuren en vooral: leeg, heel leeg. Geen mens, geen auto, wat een ruimte. Dit is Damaraland. ’s Middags stoppen we in Twijfelfontein, waar zich oude rotsgravures bevinden. Tussen de rotsen stijgt de temperatuur tot behoorlijke waarden: 37 graden. Dit landschap is wel erg fraai, en doet ons aan de outback van Australië denken. Via Khoraxis rijden we naar onze volgende lodge in Kamanjab.

       
 
Himba’s en Etosha
De Himba’s waren en zijn nog altijd een nomadenvolk, dat in het noorden van Namibië leeft. Een fascinerend volk. Himbavrouwen smeren als reinigingsmiddel en tegen zon en muggen een smeersel van boter en ijzerhoudend steenpoeder op hun huid. Zij wassen zich hun hele leven niet. Mannen smeren zich in met een zwart vet. De vrouwen, die van boven naakt zijn en verder slechts een kalfsleren schort dragen, hebben prachtige sieraden. Er leven nog enkele duizenden Himba’s in Angola en Namibië, maar de vraag is hoe lang ze nog op hun eigen traditionele manier kunnen voortbestaan. Vandaag bezoeken we een Himbadorp, zo’n 20 km van Kamanjab. Hoewel Himba’s nomaden zijn en dus eigenlijk een zwervend bestaan leiden, is dit dorp er om de kinderen een beschermde en redelijk zorgeloze opvoeding te kunnen geven. Als we het dorp binnenlopen is er niet de toeristische poppenkast, waar we vaker over gehoord hebben. Men begroet ons, de sfeer is redelijk ongedwongen, hoewel er natuurlijk op een gegeven moment wel zelfgemaakte spulletjes aan de toerist gebracht moeten worden. De kinderen zijn speels en beweeglijk, ze laten zich nog niet zo gemakkelijk fotograferen, de vrouwen wel. Het viel niet tegen, dit bezoek, we hadden ons een toeristisch gebeuren voorbereid, maar we vonden het vrij authentiek.
Na dit bezoek volgt de bijzonder lange rit naar Etosha Nationaal Park. Een park zo groot als de helft van Nederland, waar het schijnt te barsten van het wildlife, zeker in deze droge tijd! Rond lunchtijd komen we aan in het kamp Okaukuejo. Het is een grootschalig kamp en het is er druk, veel toeristen. Even iets anders dan de kleinschalige lodges die we tot nu toe gehad hebben. De accommodatie zelf is redelijk, maar niet echt geweldig. Maar ja, we komen hier voor het wild, dus we malen er maar niet om.. 
Later in de middag maken we in een open jeep onze eerste gamedrive. Zoals wel vaker zien we op zo’n eerste rit niet zo heel veel. Of het moet de eenzaam voortsjokkende mannetjesolifant (in “must”!) zijn, op weg naar de drinkplaats. Het is prachtig om te zien hoe hij zich, ter berscherming tegen de hete zon, met modder inspuit. In Etosha leven de grootste olifanten en dit exemplaar mag er beslist zijn. Indrukwekkend, en we kijken ademloos en op enige afstand (!) toe.
 
        

 
’s Avonds zitten we lang bij de waterplaats, en dit wordt achteraf een absoluut hoogtepunt. Een hele olifantenfamilie verzamelt zich hier en al weer ademloos en muisstil bekijken we het doen en laten van deze familie. Er meldt zich een familie neushoorns, ook dorstig uiteraard. Dit zint de olifanten niet en op zeer duidelijke wijze wordt de neushoorns te kennen gegeven dat ze hier maar beter kunnen vertrekken. Mokkend sjouwen de neushoorns onze kant op, daar is wat gras. Is er geen drinken, dan maar eten moeten ze gedacht hebben. Het is indrukwekkend: op nog geen 3 meter afstand kijken we tegen de kop van het mannetje aan, hij kijkt ons recht aan, met slechts een muurtje van 1 meter hoog er tussen. Onze adem stokt bijna, zou hij??? Maar nee, deze neushoorn lijkt ons niet te zien, hij sjokt weer verder. Onze avond kan niet meer stuk, dit is absoluut één van onze hoogtepunten!

         
                                                                        
Etosha
Vandaag zijn we de hele dag in Etosha. We rijden langzaam, en vaak stoppend, van Okaukuejo kamp naar Halali Camp, 75 km verderop. Het valt een beetje tegen, we zien niet zo heel veel bijzonders. Halali kamp is wat prettiger, kleinschaliger en het is fantastisch mooi gelegen. Ons onderkomen is super, een heel verschil met gisteren. ’s Avonds nog even naar de waterplaats, maar we gaan vrij snel terug als blijkt dat er niets gebeurt.  Later horen we dat een luipaard zich gemeld heeft……. We zitten nog een tijd op ons terras. De hyena’s huilen en het lijkt van erg dichtbij te komen. Wild bij de lodges is overigens geen uitzondering. Gisteren in Okaukuejo kamp kruisten jakhalzen regelmatig ons pad, want toeristen, zo weten ze, betekent ook lekkere hapjes. ’s Avonds in het donker moet je altijd attent blijven. Grappig is het wel en angst om tussen de mensen door te lopen hebben de jakhalzen blijkbaar niet. Misschien eerder omgekeerd….
 
                                                                      
 
        
 
Caprivistrook: Slapen met nijlpaarden
Vandaag de langste rit van de reis: 700 km van Etosha naar Okavango. In Grootfontein weer de supermarkt in, want plekken waar je onderweg kunt lunchen zijn er niet. Dus wat brood, beleg en drinken inslaan. Weer de nodige bedelaars bij de supermarkt. Het is wel wrang: wij kopen naar hartelust en zij wrijven over hun buik: honger….. Je ontkomt er niet aan in Afrika, ook hier niet. Via Rundu rijden we de Caprivistrook in, op de landkaart die lange smalle vinger die vanuit Namibië het hart van Afrika in wijst. In Etosha hebben we geluk gehad: op onze laatste ochtend hier zien we enorme aantallen wild. Het is werkelijk niet te bevatten, het lijkt het paradijs wel. Tientallen giraffen en nog veel meer soorten antilopen en zebra’s komen drinken bij de waterplaats. Wat een drukte en wat een gezicht. Voor dit soort momenten kom je naar Etosha, en gelukkig maken ook wij dit toch nog mee.
’s Avonds, als het al zo goed als donker is, komen we eindelijk aan in Ngepi Kamp. Achteraf is dit al weer een waar hoogtepunt, maar in eerste instantie raken we in grote verwarring als één van de bedienden vóór ons uit naar ons nieuwe onderkomen voor de komende twee nachten loopt. We blijven maar lopen, het is aardedonker en er komt geen einde aan. Waar brengt hij ons naar toe? De receptie en andere huisjes liggen al ver achter ons. Hoe vinden we in het pikkedonker straks de weg terug, en hoe vinden we vanavond laat na het diner ons huisje terug? Uiteindelijk staat de bediende stil en knipt een licht aan. We staan voor een boom aan de rivier. In de kruin van de boom, zo’n 4 meter boven de rivier, is een platform gemaakt met vijf zijden, ongeveer 5 bij 5 meter. De “muren” zijn bamboe rolgordijnen. In het midden van het platform een groot bed, twee nachtkastjes en aan de rand een toilet en douche. We zitten hier in het donkere niets, ver weg van alles, en slapen vannacht op een platform boven de rivier, waar nijlpaarden zitten. Even slaat de paniek lichtelijk toe. Hier zijn we wel erg op onszelf aangewezen!!  
 
        
 
Met de medewerker wandelen we terug voor het diner, en na het diner worden we met de pick-up  teruggebracht. Dat is een meevaller, want je ziet hier werkelijk niets en je moet er niet aan denken dat je zaklamp het begeeft. Moe als we zijn gaan we eerst slapen. We trekken de bamboe rolgordijnen omhoog, zodat we in de openlucht slapen. Overal horen we de geluiden van de Afrikaanse nacht. De nijlpaarden morren en knorren onder ons en om ons heen. Uiteindelijk vallen we in een beetje rusteloze slaap.
 
                            
 
De volgende ochtend om half zeven ziet de wereld er anders uit, heel anders. Als we ons even oprichten is het eerste dat we zien de net boven de horizon uitkomende zon boven de rivier en de bomen. In ons grote bed genieten we hiervan. Het is vaak het mooiste moment van de dag, als het licht nog niet hard is en de wind nog wat koeltjes. Zeker hier. Dit is inderdaad toch wel heel mooi wakker worden, zo heerlijk alleen en zo helemaal Afrika. 
Na het ontbijt genieten we op ons platformpje, we wandelen wat en ’s middags maken we de tocht met een mokoro (oorspronkelijk een uitgeholde boomstam, tegenwoordig van kunststof) over de Okavangorivier. Grote hordes gasten staan te wachten, ze willen allemaal met de mokoro’s mee en even vrezen we het ergste: spitsuur op de Okavango?? Maar als iedereen in de mokoro zit en de bootjes wegvaren, varen we redelijk alleen over de rivier. Vrijwel geluidloos gaat het over het water, veel vogels aan de kant en wat nijlpaarden verderop die hun ogen lodderig boven het water uitsteken. Als ik dit opschrijf, zitten we weer op ons platform boven de rivier. Het blijft goed uitkijken waar je loopt, wil je er tenminste niet van af vallen…. De rivier stroomt traag onder en langs ons heen. Lekker in de schaduw van de boom. Vogelgeluiden en verder niets. Dit is toch wel heerlijk bijkomen na twee “drukke” weken! Straks hopelijk warm water en dus een heerlijke douche. Het in de open lucht douchen en gebruik maken van het toilet (bootjes varen voorbij!) blijft toch wel een aparte ervaring.
 
                                                               

 
Zambia
Om 5 uur wakker worden in het pikkedonker. Spullen bij elkaar zien te krijgen en op weg. Wederom een lange rechte weg, het is wat groener hier, mensen langs de kant van de weg waarvan het onduidelijk is waarom die hier zijn of wat ze doen (zo te zien niets…), wat vee, wat apen. Bij de grensstad Katima Mulilo de grens over: een gloednieuwe brug over de Zambezi rivier, de vierde grootste rivier van Afrika. De rivier is 3500 km lang en 190 km van waar wij nu zijn stort de Zambezi zich naar beneden met donderend geraas: de Victoria Falls. Het beeld in Zambia is aanvankelijk niet anders: een rustig naar de Zambezi aflopend glooiend landschap, waarna het aan de andere kant van de rivier (Zimbabwe) weer wat omhoog loopt. Dorpjes met hutten. Echt platteland. We slapen de komende twee nachten in Livingstone, een snel groeiende stad. Het toerisme aan de andere kant van de Victoria Falls (Zimbabwe) is vanwege de rampzalige toestand in dat land volledig ingestort. Zambia (Livingstone) profiteert daarvan. Uiteraard zijn er de Falls om te zien, maar er wordt een scala aan activiteiten aangeboden. 


’s Middags laat maken we de wandeling langs de Zambiaanse kant van de Falls. Een mooi wandelpad langs een diepe kloof vanwaar je een prachtig zicht hebt op de overkant van de kloof, waar het water naar beneden dondert. Helaas is er aan de Zambiaanse kant steeds minder water. 2/3e van de Falls liggen in Zimbabwe en zijn vanuit Zambia niet te zien. Je kunt over een brug naar “de andere kant” lopen. Het kost je wel wat extra dollars aan visakosten: vraag bij je entree in Zambia om een “double entry” om vanuit Zimbabwe naar Zambia te kunnen terugkeren. Dat kost 30 US dollar extra boven op de 50 dollar om Zambia in te komen. Het visum om Zimbabwe in te komen kost je nog eens 50 US dollar. Canadese reisgenoten betaalden zelfs het dubbele: speciaal tarief voor Canadezen omdat even daarvoor de Canadese premier iets onaardigs had gezegd over Mugabe! Dat zegt toch wel iets over dit regime! Wij zelf houden het bij de Zambiaanse kant. We hebben na onze prachtige wandeling van 2 uur langs de watervallen voldoende gezien. Het is een rustig gebied, waar je lekker relaxed kunt wandelen en geen toeristencircus zoals je zou kunnen verwachten bij dit soort attracties. De natuur is zo veel mogelijk de natuur gelaten. 

De volgende ochtend bezoeken we een authentiek Zambiaans plattelandsdorp, Mukuni. We wandelen, onder begeleiding van een gids die in het dorp woont, rustig door het vrij grote dorp. Overal compounds: een verzameling hutten, ommuurd door rieten matten, waar een familie woont. Opvallend is dat nogal wat grootmoeders voor hun kleinkinderen zorgen. De midden-generatie is er vaak niet meer: overleden aan AIDS. Het is rustig in het dorp en de mensen gaan gewoon door met hun dagelijkse bezigheden. Alleen soms, als Lione haar camera tevoorschijn haalt, verschijnen opgewonden groepjes kinderen. Ze vinden het erg leuk om op de foto te gaan! De sfeer is erg ontspannen en wij krijgen een goede indruk van het dagelijkse leven hier.


                                                       

Chobe

Met een pontje de Zambezi rivier oversteken betekent weer eens grens passeren: die tussen Zambia en Botswana. Het is weer de gebruikelijke chaos die grensposten, zeker in dit deel van de wereld, kenmerkt. Na een half uurtje rijden we dan toch Botswana binnen. Botswana is, na Zuid-Afrika, economisch het rijkste land van Afrika, en dat is toch wel een beetje te merken als we de eerste stad Kasane binnenrijden. Onze Chobe Safari Lodge ligt aan de rand van het Chobe NP. Wat grootschalig, veel toeristen maar ons onderkomen is prima in orde, een fraaie erg ruime kamer met balkon. Als we de balkondeuren willen open doen springt er onmiddellijk een aapje het balkon op. Er staan hier overal waarschuwingen om deuren gesloten te houden: een onverwachte ontmoeting met één of meerdere apen op je kamer kan wel eens op een erg onaangename ervaring uitlopen. Ze zitten overal, wachtend op hun kans op wat eten. 
Na de lunch schepen we in voor wat al weer een hoogtepunt moeten worden: een boottocht op de Chobe rivier. En het is inderdaad indrukwekkend wat je hier aan wild ziet: buffels grazen langs de oever, olifanten lessen hun dorst, giraffen lopen heen en weer. En dat allemaal op korte afstand van elkaar. Hippo’s natuurlijk en krokodillen. En heel veel vogels. Het landschap is erg fraai, wat een rijkdom aan dierenleven!! We hopen op een mooie zonsondergang met silhouetten van olifanten (een beroemd beeld!), maar de olifanten zitten aan de andere kant van de rivier en willen niet oversteken. De zonsondergang zelf is inderdaad fraai.
 
                                                                       

Nata
Alweer om vijf uur op. We maken een ochtend gamedrive en in het donker gaan we op pad. Goed ingepakt, want het is erg koud in de open jeep. We rijden drie uur door het Chobepark en omdat de zon net is opgekomen zijn de dieren het actiefst. We zien vooral veel klein wild, antilopen ook, een grote bavianenfamilie (zo’n 60 stuks), en weer heel veel vogels. Na het ontbijt gaan we weer verder: een lange rechte weg van 300 km naar Nata, richting Centraal Botswana. Het is wat saai, er valt niet veel te zien: een droog stoffig landschap, wat verdorde struiken en bomen, en de weg is bijzonder slecht (voor het eerst deze reis!). De lodge in Nata is in orde, ons huisje staat naast het dorpsplein met een supermarkt en terras, veel meer is er niet in Nata.  Om een uur of vier rijden we naar de 50 km verderop gelegen Makgadikgadi Pans. Dit is het grootste zoutmeer van Zuidelijk Afika, zo groot als Zwitserland. Het valt ons wat tegen: de zoutvlakten staan onder water en we wanen ons gewoon aan een strand met uitzicht op een zee die niet op lijkt te houden. Sommige mensen die wij hier spreken vinden dit een hoogtepunt, maar voor ons was het enige echte hoogtepunt de bijzonder fraaie zonsondergang.

                                                      

 
Limpopo, Pretoria, Johannesburg
Het is zo’n 500 kilometer naar de volgende bestemming. In feite maken wij de driekwart cirkel door Zuidelijk-Afrika nu rond om uiteindelijk in Johannesburg, waar onze reis zal eindigen, te komen.  Na een lange rit door Botswana, met nog veel meer niets…., steken we de Limpoporivier over en daarmee de grens met Zuid-Afrika. Onze volgende lodge is er eentje om in te lijsten, de Bobidi Safari Lodge, gelegen nabij de stad Lephalale. De lodge bestaat uit 11 stuk voor stuk kleine paleisjes: de inrichting is hier luxe en helemaal af. Eigenaars en personeel besteden veel persoonlijke aandacht aan de gasten en de sfeer is gemoedelijk en relaxed. De lodge ligt in een klein privé wildpark, zoals je in Zuid-Afrika veel tegenkomt. Er is een waterplaats vlakbij ons huisje, maar omdat we hier slechts voor één nacht zijn hebben we weinig kans gekregen om wild te spotten. ’s Avonds eten bij het kampvuur, sfeervol, en enkele in de buurt levende leden van de San (Bosjesmannen) komen langs om te dansen en te vertellen over hun leven, over hoe ze zich in dit harde klimaat staande houden, nog altijd…. De Bosjesman die uitleg geeft spreekt Afrikaans en het is een vreemde gewaarwording om hem in bijna Nederlands te horen praten. Op deze plek willen wij wel een week blijven!  Rest ons de volgende dag nog een rit van 200 km naar Pretoria, waar we nabij een groot winkelcentrum worden afgezet. Hier eindigt onze rondreis dan echt. Een bijzonder afwisselende reis.