De wereld op de foto

                         Reizen van Lione en Rene Kolsteren

                                       

                                       

 

 

 

Algemene informatie en tips

Op deze pagina willen wij onze algemene indrukken en wat praktische tips geven over de landen die wij bezocht hebben. We beperken ons bewust tot een algemene indruk, een korte sfeertekening. Specifieke informatie over steden en gebieden, vervoer, hotels etc. is immers overal te vinden. Bij ieder land hebben wij ook nog een paar specifieke tips gevoegd. Dat kunnen tips zijn over bekende plaatsen, maar ook vaak over wat minder bekende en bezochte plekken van een bepaald land; plekken die ons opvielen en er uit sprongen.


Ecuador

Wij hebben onze reis naar Ecuador en de Galapagoseilanden geboekt bij Ecole Travel in Ecuador, een Nederlandstalige reisorganisatie. http://www.ecoletravel-ecuador.com/. Wij zijn erg te spreken over deze organisatie. Van te voren hebben wij op internet opgezocht wat de interessante plaatsen zijn in Ecuador en welke Galapagosroute we zouden willen doen. Vervolgens hebben wij onze voorkeur aan Ecole doorgegeven, die een mooi programma op maat heeft vastgesteld. Als je besluit de boeking definitief te maken betaal je via de bank een voorschot op de reissom, het restant kun je eventueel bij aankomst in Quito,in US dollars voldoen. De service was uitstekend, de reis was prima georganiseerd.
Ecuador ligt over het algemeen op grote hoogte, zeker het centrale deel, de Sierra ofwel het Ecuadoriaanse deel van de Andes. Hoewel Ecuador zo ongeveer op de evenaar ligt, en dus in de tropen, is het daardoor in bergen relatief koel, maar nooit heel koud, tenzij je boven de 4000 meter komt. In Quito is het altijd lente, en ook Banos is relatief mild (15 – 20 graden). Wij hebben vrij veel regen en somber weer gehad, zeker hoog in de bergen. Echt storend vonden wij dat niet.
De Galapagoseilanden kunnen druk zijn,zeker in de periode rond Kerstmis. Als je overweegt in die periode te gaan, moet je er vroeg bij zijn. De cruises zijn niet echt goedkoop, en worden eigenlijk alleen maar duurder. Als je wilt gaan, wacht niet te lang. De maanden december tot en met mei zijn eigenlijk de beste maanden, het is de wat nattere warme tijd, het water is dan ook niet te koud. Je mag temperaturen tussen de 25 en 30 graden verwachten. In de overige maanden hangt er vaak mist of bewolking, is het iets minder warm en de zee is wat ruwer. De eilanden kunnen verschillen van klimaat, sommige eilanden zijn erg droog en heet. Je kunt 4 of 5 daagse cruises maken, en dan kiezen voor de zuidelijke eilandenroute of voor de noordelijke eilandenroute. Wil je beide routes, dan zijn dit de 8 daagse cruises (maar die zijn dan ook behoorlijk duur). Voor de zuidelijke eilandenroute (o.a.Floreana en Espanola) betaalden wij voor 5 dagen zo’n 1300US dollar. Een kleine boot is gezelliger en beter dan een grote boot. Je bent dan met een klein gezelschap en ook sneller van de boot af,als je een eiland gaat bezoeken. Denk bij je planning ook eens aan het eiland Isabela. Dit grootste eiland ligt wat uit de route, en is in de meeste cruises niet opgenomen, maar is erg de moeite waard. Met een boot vanuit Puerto Ayora op Santa Cruz vaar je in 2.5 uur (80 km) naar Isabela.
Dan de hoogteziekte. Bijna iedereen krijgt er op de één of andere manier wel mee te maken. Zeker in het centrale deel van Ecuador, waar je op hoogten tussen 2800 en 4000 meter zit. Het duurt een dag of drie voordat je aan de hoogte gewend bent, en veel is er niet aan te doen, behalve langzaam wennen. Rustig aan, geen grote inspanningen, veel drinken. Je betaalt in Ecuador met US dollars, pinnen in de grotere plaatsen is geen probleem. De mensen zijn niet overdreven vriendelijk, maar ook zeker niet onvriendelijk. De sfeer is over het algemeen gemoedelijk. Echt onveilig hebben wij ons nergens gevoeld, maar de normale regel is (geldt overal) dat je nooit roekeloos moet zijn (niet te laat aan de wandel, zeker niet in rustige gedeeltes,kijk uit bij busstations en in de bussen, geen opzichtig gedrag etc.). Wij hadden goede hotels, maar uiteraard is dat iets wat je zelf bepaalt: je kunt kiezen tussen verschillende klasses hotels en hosterias. Eenvoudig is ook echt eenvoudig, wat luxer is ook echt luxe. Een aanrader is om ook eens een hacienda te proberen. Dit zijn eeuwenoude herenboerderijen op een groot landgoed, met veel historie en sfeer. Ze zijn tot hotels verbouwd, maar de oude glorie is er nog volop. Er zijn er op de Avenida de los Volcanos (de route van de vulkanen, die van noord naar zuid door Ecuador loopt) verschillende. Nabij Otavalo: haciendas Guachala, Zuleta, Cusin en Pinsaqui (aanrader) en nabij Latacunga: San Agustin de Callo en La Cienega.
Tips
Omgeving Otavalo in Noord-Ecuador
In het bergachtige noorden van Ecuador ligt, 90 km ten noorden van Quito, de stad Otavalo, onder andere bekend om zijn indianenmarkt. Veel mensen doen Otavalo als dagtocht vanuit Quito, maar deze stad en haar omgeving zijn zo de moeite waard, dat het aan te raden is een paar dagen te blijven. De laguna San Pablo met haar kristalheldere water, het fraaie kratermeer Cuicocha, de stad Cotacachi: je zult je hier niet vervelen. De Andes is hier haast onwerkelijk mooi! Een echte aanrader om te overnachten is de wel zeer luxe lodge Pinsaqui, even buiten Otavalo, in een prachtige rustige omgeving. Haciënda Pensaqui is een gerestaureerde haciënda uit 1790. De suite die wij hadden was zeker 100m2 met een jacuzzi en hemelbed! ’s Avonds wordt de open haard voor je aangestoken en er is een uitstekend restaurant. Dit is pure verwennerij in een adembenemend mooi gebied. Betaalbaar? Het kostte ons 100 euro per nacht, valt te doen volgens ons, en je hebt er een ongelofelijke ervaring voor! http://www.haciendapinsaqui.com
Kratermeer Cuicocha
In de noordelijke Sierra van Ecuador ligt de Cuicocha, een kratermeer dat de vergelijking met zijn beroemdere broer, de Quilotoa in midden Ecuador, met glans kan doorstaan, maar dat vreemd genoeg nauwelijks bezocht wordt. De caldera, de krater, is 3100 jaar geleden door een eruptie van de nabijgelegen vulkaan Cotacachi ontstaan en volgelopen. Het meer is 3 km in doorsnede en er liggen twee kleine eilandjes in het midden, die je overigens niet kunt betreden. Het meer ontleent zijn naam aan het Indiaanse “meer van de cavia”, omdat de vorm van een van eilandjes op dat van een cavia zou lijken. De cavia is, zeker voor de bewoners van het bergland heel belangrijk: het is goedkoop en gemakkelijk voedsel! Van bovenaf is, op de kraterrand staande, het uitzicht overweldigend. Diep onder je ligt het donkerblauwe ijskoude water, omgeven door de steil oprijzende kraterwand. Toen wij er waren zagen we nauwelijks een mens, en dat schijnt bijna altijd zo te zijn. Je bent hier nagenoeg alleen. Je kunt een boottochtje over het meer maken, maar je kunt ook over de zeer smalle kraterwand heen helemaal om het meer lopen. Afstand ongeveer 15 km. Maar vergis je niet. Je moet soms zeer steile klimmen en afdalingen maken en bescherming tegen de zon is er niet. Je loopt op 3300 meter hoogte. Heel veel water meenemen dus. Wij hebben het bij een korte wandeling en de boottocht gehouden, en natuurlijk van het fenomenale uitzicht genoten.
Cuicocha is te bereiken door vanaf Otavalo richting de noordelijke stad Ibarra te rijden, en na ongeveer 10 km linksaf te slaan naar de leerstad Cotacachi. Voorbij deze stad is het nog 10-15 minuten rijden. Eigenlijk niet te missen dit!
Quito, Panecillo
Quito, de hoofdstad van Ecuador, is een langgerekte smalle stad die tussen twee bergruggen van de Andes is gebouwd. In het noorden ligt het moderne centrum, rond Mariscal Sucre, en wat zuidelijker ligt het oude historische centrum. Dat laatste centrum is vooral de moeite waard vanwege zijn prachtige koloniale gebouwen en huizen, en kerken, kloosters en paleizen. Even ten zuiden van dit historische centrum ligt de heuvel Panecillo. Het is beslist de moeite waard om deze heuvel te beklimmen. Beneden lijkt het niet zo’n aantrekkelijke optie om naar het beeld van Maria, dat hoog op de heuvel over de stad uitkijkt, te gaan. Toch mis je wel wat, als je dit overslaat. Eenmaal boven wordt je onverwacht getrakteerd op een imposant 360 graden zicht over deze metropool. Links en rechts strekken de buitenwijken zich uit tot bijna naar de toppen van de bergen die de stad omringen. Naar het noorden toe zie je de prachtige oude binnenstad met zijn mooie gebouwen, veelal met de rode pannendaken. De top van de heuvel ligt feitelijk in het park Panecillo, dat overigens smal broodje betekent, omdat het er vanaf beneden gezien inderdaad op lijkt. Het standbeeld van Maria, La Virgen de Quito, is 45 meter hoog en is een kopie van Bernardo de Lagarda's beeldhouwwerk La Virgen de Quito dat zich bevindt op het hoofdaltaar van de San Francisco kerk in de oude binnenstad. Je kunt ergens tussen de Calle Garcia Moreno en Calle Ambato via trappen en paden omhoog klimmen, maar dat is niet echt aan te raden. De klim is pittig, maar belangrijker nog: je loopt door een stil park in een Zuid Amerikaanse stad en dat is alleen al om veiligheidsredenen niet verstandig. Je kunt het beste een taxi nemen vanaf het centrum. Het is niet ver, maar wel zo veilig.
Authentiek Ecuador: de indianenmarkten
In de Centrale Sierra (het midden van de bergrug die Ecuador dwars door midden snijdt) kun je Ecuador nog op heel authentieke wijze beleven. De indianenmarkten (beter is om te spreken over “indigenas”) zijn een echte trekpleister. In veel reisgidsen en overige reisinformatie wordt gezegd dat op bepaalde dagen in bepaalde plaatsen deze markten te bezoeken zijn. Tot mijn verbazing kwam ik er achter dat dit niet de hele dag kan. Ik kreeg ter plaatse te horen dat je voor deze markten echt vroeg uit de veren moet. Het hoogtepunt ligt vaak tussen 7 uur en 9 uur ’s morgens, daarna is het snel afgelopen met deze markten. In Saquisili was ik er om 8 uur en was de markt op zijn hoogtepunt, om 9 uur liep het al weer leeg. In Guamote kon ik er niet eerder dan 11 uur zijn en was er nauwelijks nog iets van de markt over. Dus gewoon erg vroeg er naar toe als je niets wilt missen!! Een derde mooie markt is in Zimbahua.      

El Cajas, bijzonder natuurgebied in Ecuador
Zo’n 40 km ten westen van Cuenca ligt een van Ecuadors mooiste nationale parken, El Cajas. In het gebied liggen ruim 200 kleine meren. Dit is ook een echt vogelparadijs. In dit op 3500 tot 4200 meter hoog gelegen gebied heerst een heel aparte sfeer. Er is zoveel moois te zien, dat het, mocht je hier heen willen gaan, aan te raden is om er enkele dagen voor uit te trekken. De vogelrijkdom in dit park is zoals gezegd overweldigend, maar je hebt alleen goede kans ze te zien in de vroege ochtend (6 uur). Daarvoor is het nodig dat je in het park kampeert. Zeker als je van bijzondere (en veel verschillende!) vogels houdt is een meerdaagse tour een aanrader. Een gids (in Cuenca gemakkelijk te regelen) is wel aan te bevelen is. Het is er wel meestal koud en nevelig weer, en mede gezien de enorme hoogte moet je tegen een stootje kunnen, maar je krijgt er zo veel voor terug!
Banos: De ketel van de duivel
Banos is niet alleen populair vanwege de warmwaterbronnen die uit de onvoorspelbare vulkaan Tungurahua opborrelen. Vanwege de prachtige ligging tussen hoge bergen is dit stadje bij uitstek geschikt voor vele outdoor-activiteiten. Een leuke activiteit is met de fiets of een houten open bus van Banos naar het 21 km oostelijker gelegen Rio Verde, door het dal van de rivier Verde. Het landschap hier is spectaculair: steile bergwanden en diepe kloven. Je kunt onderweg met een bakje dat aan een stalen draad hangt zo’n diepe kloof over. Of het verantwoord is weet ik niet, maar bij mijn weten is het nooit mis gegaan. Aan het eind wandel je dan naar de Pailon de Diablo, een spectaculaire waterval, die je het best kunt zien vanaf een gammele wiebelende hangbrug. Als je hier staat en je ziet dit watergeweld, zal duidelijk worden waarom hij de “ketel van de duivel” heet. De wandeling erheen, en zeker terug, is behoorlijk pittig, maar alleszins de moeite waard!
Galapagos eiland Isabela: niet overslaan!
1100 km ten westen van Ecuador liggen in de Stille Oceaan de bijzondere Galapagoseilanden. Meestal doe je hier meerdaagse cruises langs de eilanden. Er is een noordroute en een zuidroute. Isabela is het grootste Galapagos-eiland, maar zit bijna nooit in de standaard 4-,5- of 8 daagse Galapagoscruises. Het eiland zou te ver weg liggen, maar vanaf het hoofdeiland Santa Cruz (Puerto Ayora) is het met de speedboat maar 2,5 uur varen (90 km). Isabela is een echte aanrader om als aparte 3-daagse tour te doen vanuit Puerto Ayora. Het enige dorpje op het eiland is Puerto Villamil, een gemoedelijk plaatsje van 1800 inwoners met een relaxte sfeer en een prachtig wit zandstrand (voldoende overnachtingsmogelijkheden). Isabela is een actief vulkanisch eiland met 5 grote vulkanen, waarvan de (actieve!) Sierra Negra beklommen kan worden. Bij vulkaan Alcedo kun je de reuzeschildpadden zien. Iedere vulkaan kan ieder moment uitbarsten! In het noordwesten komt de killer whale voor, verder -behalve een prachtig landschap- o.a. leguanen, pinguins, flamingos, zeeleeuwen, dolfijnen, manta rays, haaien en vele bijzondere vogels. Als je de tijd hebt : beslist doen!

Argentinie en Chili
Zowel Argentinië als Chili zijn enorme landen qua grootte, en beiden strekken zich over vele duizenden kilometers over het continent Zuid-Amerika uit. Beide landen zijn erg prettig voor de toerist om in rond te reizen. Het zijn economisch, zeker voor Zuid-Amerikaanse begrippen, goed ontwikkelde landen. De sfeer is over het algemeen prettig en gemoedelijk. De landschappen in beide landen, en dus ook het klimaat, verschillen enorm. Argentinië en Chili zijn eigenlijk alle twee landen die je moeilijk in één keer helemaal kunt bezoeken (tenzij je erg veel tijd hebt). Enkele mooie combinaties zijn het noorden van Chili (Atacama) en het noorden van Argentinië (Salta) (sla Bolivia dan niet over!) en (combinatie twee) het merengebied van midden Chili en midden Argentinië plus Patagonië. Zoals gezegd zijn de afstanden enorm en je maakt hier heel veel kilometers over niet altijd hele goede wegen. Het busvervoer is prima geregeld en de bussen zijn zeker comfortabel te noemen. Een goed alternatief is om sommige trajecten gewoon te vliegen. Het scheelt enorm veel tijd, tenzij je bijvoorbeeld dagen lang de leegte van Patagonië wilt ervaren. Wat Spaanse zinnen en belangrijke woorden beheersen is aan te raden, want – hoewel je het niet zou verwachten – spreken en begrijpen weinig mensen Engels.
De beste tijd om te gaan verschilt per regio. In het algemeen lopen de temperaturen van noord naar zuid (richting Antarctica) af. Dit geldt zowel voor de zomer (onze maanden november tot april) als de winter (onze maanden mei tot november). De winter is voor het midden en zuiden van Chili en voor heel Patagonië eigenlijk geen optie. Gebieden sneeuwen in en de toeristenindustrie is dan gesloten. In de zomer is het weer overal over het algemeen goed: in het noorden is het heet, Buenos Aires en het midden zijn ook bijzonder warm,30 tot 35 graden, en het noorden van Patagonië haalt dan ook vaak 15-25 graden. Naar het zuiden toe (Torres del Paine in Chili en El Calafate tot Ushuaia in Argentinië) neemt de temperatuur dan langzaam af. In Ushuaia krijg je vaak met zowel winter- als zomerweer op één dag te maken: tijdens zonnige perioden kan het kwik soms gemakkelijk tot 16 graden oplopen, terwijl een uur later natte sneeuw en harde wind de stad en omgeving teisteren en de temperatuur tot 3 graden kan dalen. Gemiddeld is het er inde zomer 10 graden overdag. Kenmerkend voor Patagonië is de wind. Die blaast, raast en beukt voortdurend. Soms hap je naar adem en de wind snijdt altijd door je heen. Zeker bij bergwandelingen (langs steile afgronden) is het soms uitkijken voor de rukwinden. Het beste draag je thermisch ondergoed, en een windstopper. Eventueel oorwarmers. Hoewel de zomer dus de ideale tijd is voor een bezoek, kan het juist in december t/m februari bijzonder druk zijn omdat dan ook de Chilenen en Argentijnen zelf op vakantie gaan.
Je overnacht in over het algemeen goede hotels of hosterias (kleine wat gemoedelijkere hotels, maar meestal wel redelijk comfortabel). Het eten is prima en gevarieerd. Argentijnen en Chilenen zijn echte vleeseters: lappen biefstuk van 4 tot 5 ons zijn heel normaal (hoewel je er soms zo een derde vet kunt afsnijden). Kortom, prettige landen en landen waarvoor je vooral voor de ongeëvenaard schitterende natuur gaat. Voor Zuid-Amerikaanse begrippen zijn het niet de onveiligste landen, maar snelle en kleine berovingen komen toch wel veel voor: je camera, rugtas, mobieltje kan zo weg zijn als je er even niet op let (ook vanaf de stoel naast je). Met name in Buenos Aires, Santiago (Plaza das Armas), en de bekende toeristenplaatsen.
Tips
Twee mini-nationale parken in het Nahuel Huapimeer
Bariloche (of San Carlos de Bariloche, zoals het voluit heet) is een toeristencentrum bij uitstek voor zowel de Argentijnen als voor buitenlandse bezoekers. Niet verwonderlijk want de stad ligt in een adembenemend mooi gebied. Besneeuwde bergtoppen, groene bossen en prachtige meren met azuurblauw water. De stad zelf is, hoewel mooi aan het Lago Nahuel Huapi gelegen, op zich niet zo interessant. Afgezien misschien van het centrale plein dat een Alpensfeer ademt - de eerste bewoners waren Zwitsers – en de hoofdwinkelstraat Avenida Bartolomé Mitre, met veel(chocolade) winkels en reisbureautjes. Bariloche is een wintersportplaats bij uitstek, maar ook in de zomer is de omgeving van de stad fraai. Uiteraard kun je hier een rondje langs de meren doen: een klein rondje (Circuito Chico) en een groot rondje (Circuito Grande). Erg leuk om te doen (en daar gaat deze tip over) is een boottocht over het Lago Nahuel Huapi, waarmee je dan tevens in het gelijknamige Nationale Park bent. De beboste bergen rijzen fraai op aan de oevers van het meer en je hebt schitterende vergezichten.
De opstapplaats voor de boottocht is Puerto Panuelo, een half uur rijden westelijk van Bariloche. De eerste bestemming is het eiland Victoria, 32 k2 groot, in het midden van het meer gelegen. Het is vanwege de rijkdom van flora en fauna sinds 1934 beschermd gebied. Op het eiland kun je prachtige trekkings maken, met bijna altijd een magnifiek uitzicht op de omringende bergen en het meer ver beneden je. Vervolgens vaar je naar het Los Arrayanes National Park, aan de oever van het meer op het schiereiland Quetrihué gelegen. Je kunt hier ook heen lopen via een 12 km lang wandelpad (up en down!) –ook populair bij mountainbikers - dat begint in Villa La Angostura. Dit park is eveneens beschermd omdat hier 300 tot 600 jaar oude arrayan bomen groeien. Je wandelt hier in het bos van deze kaneelkleurige, aan de mirte verwante boom. Met mooi weer kun je hier wellicht nog zonnen op het Playa del Toro. Qua dieren kun je hier herten, guanacos en kleine vossen tegenkomen. Wat vogels betreft: condors, adelaars, havikken en spechten. Het hele park is slechts 17 km2 groot, maar samen met Isla Victoria absoluut de moeite waard!
Chili, Santiago: Briefjes aan Maria
Santiago is met zijn ruim 4 miljoen inwoners (incusief de voorsteden zelfs 10 miljoen) een echte metropool en is één van de grootste steden van Zuid-Amerika. Om de stadse drukte even te ontsnappen is het erg de moeite waard het Parque Metropolitana te bezoeken. Deze groene long van Santiago ligt op de heuvel San Cristobal, even ten noordoosten van het centrum. Je wandelt dan eerst door de uitgaanswijk Bellavista met restaurants, galleries en cafe’s. Bij de ingang van het park kun je de tandradbaan naar boven nemen, maar je kunt ook naar boven wandelen. De tandradbaan stopt halverwege bij de dierentuin. Boven aangekomen staat een groot Mariabeeld, dat hier al 100 jaar staat. De vergezichten zijn prachtig, maar soms is er wel de nodige smog. Op zondagen, als het in het park zelf overigens erg druk is, is de kans op mooie vergezichten het grootst. Wij waren er op 1e Kerstdag, weinig verkeer en redelijke vergezichten. Ten oosten van de stad kun je dan de Andes zien liggen. Bij het Mariabeeld liggen veel briefjes met vragen en wensen (en soms ook bedankjes) aan Maria gericht. Met de kabelbaan (of wandelend) kun je dan verder door het park en tenslotte weer naar beneden. De heuvel was oorspronkelijk niet bebost, maar is dat tegenwoordig wel. Een leuk uitje, zoals gezegd juist op de zondagmiddag als hier vele Chileense families naar toe komen.
Pinguinkolonie bij Vuurland
Ushuaia is de meest zuidelijk gelegen stad ter wereld. Overal zie je hier dan ook trots de aankondiging “El fin del Mundo”, het einde van de wereld. De omgeving (Vuurland) biedt genoeg voor de bezoeker. Maar je kunt nog net iets verder: van het continent af, voorbij het zuidelijkste puntje. Een dagtocht die vanuit Ushuaia gemakkelijk te doen is naar het eiland Isla Martillo. De tocht is wat verder en duurder dan de meeste tochten die aangeboden worden maar de moeite waard. Vanuit Estancia Harberton (8o km ten O van Ushuaia) ga je met een zodiac naar Isla Martillo. Onder begeleiding wandel je over het eiland tussen de pinguins. Je kunt er zelfs (voorzichtig en rustig) tussen gaan zitten. Er komen weinig mensen, het is dus niet druk en het is onbedorven. Onvergetelijke en bijzondere ervaring. Je waant je hier met recht aan het einde van de wereld!
Vuurland, Estancia Harberton
Historisch gezien heel interessant en tegelijk ook een leuke dagtocht vanuit Ushuaia is de Estancia Harberton. Je rijdt door het lege en verlaten Vuurland, je ziet onderweg de door de wind bijna 90 graden naar voren gebeukte bomen en je vraagt je af wat een mens hier te zoeken heeft. Toch was het dominee Thomas Bridges die hier eind 19e eeuw belandde. In eerste instantie natuurlijk om de indianen te bekeren, maar daar viel uiteindelijk weinig eer aan te behalen. In 1886 kocht hij een groot stuk grond en bouwde er de boerderij. Dit maakt de plek erg interessant, want hoe kom je op het idee om hier, letterlijk aan het einde van de wereld, een nieuw bestaan op te bouwen. Het lukte en de estancia staat er vandaag de dag nog altijd. Je kunt een rondleiding over het terrein (de ranch en enkele huizen) krijgen en de nazaten van de familie hebben hier een museum ingericht over het leven van de familie, over de plek zelf en over het biologische onderzoek dat ze hier doen naar alles wat in zee leeft. In het museum zijn de skeletten te zien van vogels, walvissen, pinguins etc. De Estancia ligt op een mooie plek aan het Beagle kanaal, 85 km ten oosten van Ushuaia. Hier is het letterlijk het uiteinde van de wereld. Dat is ook de titel van een boek dat de zoon van Thomas, Lucas Bridges, schreef over zijn jeugd en het wel en wee van de familie, The uttermost part of the World, dat tegelijk een mooi boek is over de geschiedenis van Vuurland en zijn indiaanse bewoners. Even verderop, te bereiken met zodiacs vanaf de estancia, ligt het eilandje Isla Martillo in het Beagekanaal waar een grote kolonie pinguins leeft en dat weinig bezoekers krijgt. Je loopt hier vrijwel alleen tussen de pinguins. De estancia is het best te bezoeken door een georganiseerde tour vanuit Ushuaia; doe je het op jezelf dat is het het beste om je bezoek van te voren aan te kondigen.
Midden Chili, omgeving Pucon
Zowel Noord- als Zuid-Chili zijn top reisbestemmingen, maar ook midden Chili is de moeite waard. De provincie Auracania, genoemd naar de wat vreemd maar exotisch ogende Auracaniaboom, is deels in cultuur gebracht, maar grote delen zijn nog ongerept. Watervallen, meren, dicht begroeide bossen, wilde rivieren, vulkanen: het is er allemaal en in overvloed. Pucon is een echte vakantieplaats voor de Chilenen zelf: een prettig stadje aan het Villaricameer, dat “gevaarlijk” dicht tegen de vulkaan met dezelfde naam aan ligt. Het aantal mogelijkheden voor outdoor activiteiten is ontelbaar: zo is voor rafters en kajakkers dit gebied een waar walhalla. Schitterende wandelmogelijkheden, thermale baden aan een snelstromend bergriviertje op de hellingen van de Andes, om te relaxen en de vulkaan om te beklimmen: 2840 meter hoog, en met de top nog prachtig met sneeuw bedekt is hij zeker imposant te noemen.
Argentinië, Nationale park Monte Leon
Dit nationale park ligt niet echt op de doorgaande toeristische route, maar als je de tijd hebt en je kunt je een kleine omweg veroorloven, moet je dit beslist niet overslaan. Het is een nieuw niet zo groot park, net geopend, aan de Argentijnse Atlantische kust richting Comodoro Rivadavia. Een prachtige kustlijn (kliffen), rust, onbedorven, wijds landschap. Ook hier weer de bekende dieren, zeeleeuwen, pinguins, guanaco, veel vogels. Prachtig om te wandelen en uit te waaien.
IJsvelden bij El Calafate
Bij El Calafate in West-Patagonie, nabij de grens met Chili, bevinden zich de imposante ijsvelden. Enorme gletsjers bewegen zich hier traag voort. Bij het Argentinameer (40 km ten westen van El Calafate) kun je één van die enorme gletsjers bekijken. De Perito Moreno is tientallen kilometers lang, 2 kilometer breed en op het moment dat hij bij het meer uitkomt nog zo’n 70 meter hoog. Het uitzicht op de gletsjer is een onvergetelijke ervaring. Maar er is meer te doen. Je kunt een icetrekking maken, een wandeling over de gletsjers. De Perito Moreno kun je zien vanaf de vele platforms tegenover de gletsjer. Een paar km terug start een boottocht vlak langs de Perito Moreno. Iets minder toegankelijk, maar veel imposanter zijn de Upsala en Speggazini gletsjer, te doen met een boottocht van een dag (met Fernandez Campbell) vanuit Puerto Banderas. Dan zie je ook de fraai gevormde blauwe ijsbergen in het meer (dus niet bij de Perito Moreno!). Beide gletsjers zijn imposant, de Speggazini is bv 130 meter hoog. Je maakt een wandeling naar Onelli Baai waar ijsbergen zich ophopen in de baai. Varen langs deze reuzen is een onvergetelijke belevenis; de meesten zien alleen Perito Moreno, doen deze tocht dus!!
Versteend woud in Zuid-Agentinië
In Patagonie, het zuidelijke deel van Argentinië, zijn de meest bezochte bestemmingen de omgeving van El Calafate (gletsjers), El Chalten (berg Fitzroy), de Atlantische kust (in het oosten), waar je grote kolonies pinguins, zeehonden, walvissen etc. kunt zien en de zuidelijke stad Ushuaia en omgeving in Vuurland.
Iets van de gebaande paden af ligt het Bosque Petrificado, het versteende woud. Reden waarom het bijna niet door toeristen wordt bezocht, is dat je er een klein stukje om voor moet, als je van de Atlantische kust in het oosten naar West-Patagonie (de gletjsers) wilt rijden. Een beetje omrijden is in Patagonie vanwege het schitterende landschap in ieder geval nooit een straf. 200 km ten westen van Comodoro Rivadavia, bij Sarmiento, ligt het prachtige versteende woud. Het is misschien niet eens om de 60 miljoen jaar oude bomen, die destijds zijn geveld door immense vulkaanuitbarstingen en met enorme overstromingen vanuit de Andes hier naar toe gebracht zijn, die het zo de moeite waard maken. Het maanlandschap is van een ongelooflijke schoonheid. Je hoort hier niets, alleen de altijd blazende wind. Desolater kan het haast niet. Zeker doen als je in de buurt bent.
Torres del Paine , Chili
Torres del Paine is een nog vrij ongerept natuurgebied in het uiterste zuiden van Chili. Dit gebied ontleent zijn naam aan de drie markante graniettorens die uit de steppe omhoog rijzen. Dit park is één van de fraaiste en wildrijkste berggebieden van Zuid-Amerika. Het is ongeveer 2 x de provincie Utrecht en je kunt dit park wandelend verkennen, wat je ongeveer een week tijd kost. De wandelingen zijn niet altijd even gemakkelijk, want dit is niet alleen ruig gebied maar ook het klimaat is ruig en onvoorspelbaar. In de winter is het park niet te bereiken maar ook in de zomer (tussen november en maart) kan het sneeuwen, stormen maar met de zon er bij kan het ook ruim 20 graden worden. De wind raast hier altijd door en dat kan het op sommige passen gevaarlijk maken. Er zijn ook minder moeilijke wandelingen te maken. De vele meren hebben de prachtigste kleur blauw, de bergen en gletsjers zijn indrukwekkend. Je ziet hier veel vogels, vossen, guanacos en ook de poema komt hier voor. Dit park trekt vanuit de hele wereld bezoekers en het is dan ook een onvergetelijke ervaring!
El Bolson/NP Lago Puelo, Argentinië
Halverwege de R40, tussen Bariloche en Esquel ligt het stadje El Bolson, met ongeveer 13.000 inwoners. Het ruige Patagonische berglandschap verandert hier in een groen vruchtbaar dal, ingeklemd tussen de bergketens. Je vindt hier boomgaarden, fruit- en bloementeelt. Er worden hier hop, appels, peren, frambozen en aardbeien verbouwd. Dit gebied schijnt een eigen (mild) microklimaat te hebben. Ook sociaal gezien heerst er een gunstig klimaat. In El Bolson zijn veel hippies neergestreken en enkele malen per week is er een hippiemarkt, waar uiteraard gezonde en ecologisch verantwoorde produkten worden verkocht. Een zeer relaxte plaats.
15 km ten zuiden van El Bolson, te bereiken via route 16, ligt het Parque Nacional Lago Puelo. Het is een voor Argentijnse begrippen relatief klein nationaal park, met een oppervlakte van 230 km2. Vanaf de weg loopt een voetpad naar de ingang van het park. Daar is een recreatiegebied (niemand gezien hier!!), waar zich twee kampeergebieden bevinden bij een klein strandje dat “La Playita” heet. Er lopen diverse trails, die variëren in lengte en moeilijkheidsgraad. Er is er één naar Los Hitos, 8 uur, en één naar de Turbiorivier, 7 uur. Een hele korte is het pad naar het uitzichtpunt over het meer (150 meter hoog). Je loopt rond een prachtig stil meer, door beuken- en cipressenbossen, en dit alles omringd door de machtige bergen van de Andes op de achtergrond. Het is er vaak vochtig en wat guur, maar dat hoort wel bij Patagonië. Een stil en verlaten gebied met ongekende natuurpracht, waar je het desolate Patagoniëgevoel ervaart. Informeer in El Bolson naar de mogelijkheden hier.
Australië is een land dat iedereen, jong en oud, aantrekt, dat gemakkelijk en comfortabel te bereizen is en ongelooflijk fascinerend. Westers qua levensstijl en comfort, maar exotisch qua natuur. En de natuur, dat is 95% van het land! Op slechts een relatief klein oppervlak (twee smalle stroken langs de de oostkust en zuidkust) wonen bijna alle Australiërs. Australië is een land, een werelddeel eigenlijk, met veel gezichten en veel contrasten. Bij een rondreis zoals wij die hebben gemaakt kom je steeds weer in een totaal andere streek, met een ander landschap en een ander klimaat. De overgangen zijn soms groot en worden in korte tijd gemaakt. Een rondreis is hard werken, je bent veel onderweg, vroeg op en de ene indruk na de andere moet verwerkt worden. Je wordt wel beloond met het mooiste wat een land te bieden heeft. Het nadeel is dat je op sommige plekken langer zou willen blijven, wat niet kan. Je moet steeds weer door.
Je kunt er ook voor kiezen om steeds een klein deel van Australië te doen: b.v. de oostkust (Queensland in combinatie met Sydney), de zuidkust (Melbourne-Adelaide-Kangaroo Island) in combinatie met Tasmanië, en de westkust (van Perth naar Broome ofDarwin) in combinatie met Kakadu. In het midden ligt dan nog Alice Springs met de Uluru en de Kata Tjuta. De mogelijkheden om hier rond te reizen zijn bijna onbeperkt.
Australiërs zijn gemakkelijk in de omgang, stel je niet uit de hoogte op, daar houden ze absoluut niet van. Zelf zijn ze beleefd en correct in de omgang. Doe dit zelf ook. Australië is uniek en eigenlijk nergens mee te vergelijken. Het is een land met een losse ongedwongen levensstijl. Buitenmensen en gek op sport. Een land met meestal ook mooi weer. Als er al vergeleken moet worden, vinden wij Australië meer Amerikaanse dan Europese trekjes hebben. Van Engelse invloeden (de stichters van Australië en de eerste blanke bewoners) is vrijwel niets meer te merken, of het moet de voorkeur voor een flink glas bier zijn.
November vonden wij achteraf qua weersomstandigheden ideaal om te gaan, hoewel Australië het hele jaar bereisd kan worden. In het Noorden en Oosten beginnen in december de overvloedige regens, in het Zuiden kan het in januari en februari ook flink heet zijn en dan zijn de schoolvakanties. In onze zomermaanden is het in het zuiden koel en soms zelfs uitgesproken fris.
De steden zijn relatief veilig, ook ’s avonds. Blijft natuurlijk gelden: gebruik je gezond verstand. In Adelaide is het ’s avonds erg stil in het centrum en wordt laat over straat wandelen afgeraden. Wij zagen in die stad nogal wat dronken mensen ’s avonds, zonder dat wij overigens werden lastig gevallen. Het centrum van Sydney vonden wij opvallend veilig voor een stad van 4 miljoen inwoners. Het eten is overal prima, je kunt alles krijgen en het is ook nog eens een stukje goedkoper.
Tips
Great Otway NP: klein maar verrassend park!
Rijdend van Melbourne naar Adelaide ligt het zo’n tien kilometer na Apollo Bay, het Great Otway National Park, en in feite begint hier zo’n beetje de fameuze Great Ocean Road. Dat is misschien de reden dat veel buitenlanders dit park niet kennen of het overslaan. De Autraliërs zelf zien dit prachtig gelegen nationaal kustpark met regenwoud, verschillende watervallen en de prachtige kliffen langs het strand als een zeer waardevol en spectaculair park.
Het park is ontstaan in 2004 door samenvoeging van verschillende parken en is ongeveer 130 km2 groot. Wat je hier vooral kunt, en moet, doen is wandelen. Door de wet forests, zeer oude regenwouden, de wat drogere bossen en langs de kustlijn met zijn prachtige kliffen. Mooie wandelroutes zijn er over het strand (Wreck Beach en Johanna Beach), langs de kustlijn (Aire River West - Castle Cove wandeling), naar de Stevensons Falls, de Triplet Falls en de Little Aire Falls, en de Maits Rest Rainforest Walk. Die laatste is zeker niet te missen, het is een korte maar erg interessante wandeling door een rustig koel oud regenwoud. De meest bekende trails zijn de Distillery Creek, de Ocean Viewtrail en het Moggs Creek Circuit.
Ook de Cape Otway Vuurtoren is de moeite waard: deze toren is gebouwd in 1848 als een waarschuwingsbaken voor de schepen die Bass Strait, dat erg berucht is omdat het hier behoorlijk te keer kan gaan, invoeren. Er zijn drie kampeerterreinen, bij Johanna, Aire River en Blanket Bay, en ook in het nabijgelegen Apollo Bay zijn uiteraard voldoende overnachtingsmogelijkheden. Niet onbelangrijk voor de dierenliefhebbers (en wie is dat nu niet?): de kans dat je hier koala’s in de bomen ziet is nagenoeg 100%. Verder kun je de swamp wallabie, de ring tailed possum en grijze kangaroe tegenkomen.
Uluru vanaf grote hoogte   
De Uluru (vroeger ook wel bekend onder de naam Ayers Rock) en de Kata Tjuta (Olga’s) zijn prachtige rode rotsformaties in het hartje van de outback in Australie. Een bezienswaardigheid van formaat, die grote indruk zal maken. Er is een mogelijkheid om dit gebied van bovenaf te bekijken. Het is niet echt goedkoop, wij betaalden ruim 100 US dollar p.p., maar een vlucht boven het rode hart van Australie is geweldig. Die machtige Uluru en de Kata Tjuta zie je nu ineens als " kleine" steenhopen onder je. Groot(s) blijft het. Het uitzicht over dat onmetelijk droge en rode land tot waar je ook kijkt is fantastisch. Heel spannend!
Blue Lake, Victoria
Blue Lake kun je gerust een klein wereldwondertje noemen. Blue Lake ligt een paar kilometer buiten het stadje Mount Gambier, een provinciestad halverwege Melbourne en Adelaide, aan de Great Ocean Road. Het meer is ontstaan omdat enkele duizenden jaren geleden de Blue Lake vulkaan uitbarstte waarna een diepe krater ontstond die zich vulde met water. Het meer is ruim 70 meter diep. De grootste attractie van dit fraai gelegen meer is de kleur van het water. Zo ongeveer in de maanden november tot maart krijgt het water een kleur blauw, die zo spectaculair is dat je het zelf moet zien om het te geloven. Ik was er in november en op dat moment was het water nog lang niet op zijn blauwst! Het leel wel of de dorpelingen er collectief grote bussen Gammaverf met de meest helderblauwe kleur in hebben gegooid. Het is bijna verblindend, zo fantastisch blauw is het water. Zoiets heb ik nog nooit eerder gezien. Ook de omgeving is fantastisch mooi. Om het meer heen loopt een mooie weg en de route, met fraaie uitzichtpunten, is schitterend. In de omgeving vind je nog meer vulkaanmeren. Als je in de buurt bent, èn in de juiste tijd van het jaar, moet je dit belist niet overslaan!
Kakadu NP (Northern Territory)
Kakadu NP staat niet voor niets op de Wereld Erfgoedlijst. Dit is Aboriginal land bij uitstek. In Ubirr, een heilige plaats voor de Aboriginals, kun je rotstekeningen zien van wel 20.000 jaar oud. Je moet er soms wat voor klimmen en het is er ongelooflijk heet, maar het is erg bijzonder om te zien. Nourlangie is ook een plaats waar je de Aboriginal rock art kunt zien, eveneens in Kakadu NP. Vanaf beide plaatsen kijk je over het oeroude Arnhem-land uit, met zijn escarpments (overhangende rotsen), hier ligt de ziel van de Aboriginals. In Warradja is een bezoek aan het Aboriginal Cultural Centre de moeite waard. En als je er dan toch bent: maak een boottocht op de Yellow Water Billabong, de wetlands, met zijn 8 m lange zoutwaterkrokodillen (salties) en zijn rijke vogelleven. Alles op vrij korte rij-afstand van elkaar. Een onvergetelijke ervaring!
Uiteraard is de Katherinekloof ook niet te missen. Deze kloof ligt nabij de stad Katherine. Je bevindt je hier in zo ongeveer het heetste stukje van Australie. Je kunt hier door 13 ravijnen met steile rotswanden varen of roeien, de meeste georganiseerde boottochten doen er 2 of 4. Voor alle 13 heb je meerdere dagen (bijna een week) nodig. De stilte is overweldigend en de ravijnen zijn prachtig. Oeroud ongenadig heet land en een prachtige natuur.
Edith Falls is wat minder bekend. Deze watervallen liggen weliswaar wat van de gebaande paden, maar zijn zeker goed te bereiken en beslist de moeite waard. De Edith Falls (Lelyin) liggen aan de westkant van het Nitmiluk National Park (Katherine Gorge), zo’n 60 km ten noordwesten van de stad Katherine. Ze zijn niet spectaculair groot, maar ze liggen prachtig tussen de roodbruine rotsen van het Kakadu Escarpment. De omgeving is werkelijk schitterend en rustgevend. Het oeroude Aboriginal land. Je kunt een heerlijke verfrissende duik nemen in de natuurlijke “pool” onderaan de watervallen. Dit kan het grootste deel van het jaar; in de regentijd – tussen november en mei – kan het soms gesloten zijn. Deze plek midden in de rimboe is ook uitstekend geschikt om te kamperen, er zijn goede faciliteiten. Wil je de Falls van boven zien, dan kan dat ook , maar dat betekent wel een beetje avontuurlijke wandeling: de bushwalk Leliyn Trail. Hij is slechts 2.5 km lang, en je maakt in feite een loupe omhoog, behoorlijk steil naar boven en uitdagend. In het bovenste deel van de waterval kun je ook zwemmen. Daarnaast is er nog de 8.5 km (heen en terug) lange trail naar Sweetwater Pool. Leliyn / Edith Falls is ook het eindpunt van de 60 km lange Jatbula Trail wandeltocht die bij de ingang van Katherine Gorge begint. Voor deze wandeling moet je je wel eerst melden bij de parkleiding. En je goed voorbereiden. Want een wandeling in de Australische wildernis zonder voorbereiding is vragen om grote problemen (maar dat geldt voor grote delen van de Outback).
Walvissen spotten in Zuid-Australië
In Warrnambool (Victoria), ook de whale watching hoofdstad genoemd, hoef je niet met een cruise mee om walvissen van heel dichtbij te kunnen zien. De dieren komen hier van juli tot november vlak langs de kust! Overal staan hoge platformen van waaruit je de dieren gemakkelijk kunt bezichtigen. Warrnambool is bekend om zijn walvis-kraamkamer, waar jaarlijks wel een tiental nieuwe kalfjes geboren worden. De mooiste maand om de walvissen te zien is september. Het water is dan warmer en de kleintjes zijn groot genoeg om rond te zwemmen en te spelen. En als extra tip in deze tip: Tower Hill State Game Reserve, 14 km naar het westen. Dit is een weelderig begroeide slapende vulkaankrater waar vele koala's, emoes, kangaroes en watervogels leven en van dichtbij goed te zien zijn! Het is het oudste NP van Victoria (1892).
Schitterende kloof in het hart van Australië
Kings Canyon is een nog onbekende attractie in de driehoek Alice Springs-Uluru-Kings Canyon en zeker zo mooi als de Uluru en Olga’s. Deze canyon, 324 km van Alice Springs en 312 km van Uluru, is 270 meter hoog. Je kunt “boven-over” wandelen op de rand en hebt dan spectaculaire uitzichten op de kloof en de omgeving (3-4 uur). Je kunt ook beneden in de kloof wandelen, 1 uur. Boven-over (je moet dan een heuvel beklimmen, die ook wel “heart attack hill” wordt genoemd, vanwege de extreme hitte) kom je langs de tropische bronnen Garden of Eden, prachtig in het groen gelegen, en de bijenkorfachtige rotsformaties Lost City. Exotisch klinkende namen, en dat is het hier ook. Begin wel met je wandeling rond een uur of 6 ’s morgens, de opkomende zon zet de rotsen dan in vuur en vlam. Na 10 uur mag je hier boven de 35 graden niet wandelen, en die temperatuur wordt meestal wel bereikt.
De prachtige omgeving van Cairns (Queensland)
Niet te missen is een half dagje naar Kuranda, 20 km van Cairns, hoog in de heuvels. Het plaatsje is niet groot en stelt niet al te veel voor, maar er is het nodige te doen (o.a. een mooie vlindertuin). Grootste attractie is de Skyway, met een kabeltrein langs een 8 km lange route naar beneden. Onder je zie je het regenwoud langzaam aan je voorbijschuiven en aan het einde maak je een zeer steile afdaling naar het vlakke land rond Cairns. Vanuit je cabine heb je prachtige vergezichten. Onderweg kun je 2x uitstappen en daar een stukje wandelen in het regenwoud. Erg leuk!
Sydney vanaf duizelingwekkende hoogte
Spectaculair is het 360 graden uitzicht, dat je vanaf de Sydney Tower over Sydney en wijde omgeving hebt. Deze toren kwam gereed in 1981 en wordt door 56 lange kabels stabiel gehouden. Hij is 250 meter hoog. Boven aangekomen (het kan uiteraard met de lift maar ook met de trap!) vind je het observatie-dek. Weliswaar van achter glas, maar je hebt een adem benemend mooi uitzicht: de stad ligt aan je voeten, met duidelijk herkenbaar de Harbour Bridge en de noordelijke voorsteden in het noorden, de Blue Mountains in het westen en de Stille Ocean in het oosten. Hier zie je pas goed hoe prachtig Syndey aan het water (veel baaien) is gelegen. Er is ook een restaurant. De toren is 7 dagen per week geopend en ligt boven de Centrepoint Shopping Mall, op de hoek van Pitt Street en Market Street. Midden in het centrum dus. Een andere attractie in deze toren is de Oz Trek, waarbij je –stevig vastgebonden je stoel- een vlucht boven Australië maakt, een soort Omniversum. En je kunt tegenwoordig ook de skywalk maken. Dat was er in mijn herinnering nog niet toen ik er was, dus daar kan ik niet meer over melden. Reden genoeg om deze toren te bezoeken als je er bent!
 

Brazilië

Brazilië is een land, maar meer nog is het een werelddeel, dat enorm veel verschillen kent. Verschillen in landschappen, natuur, klimaat, bevolking, cultuur. Zon en strand, overal langs de Atlantische Oceaan, van Natal tot ver onder Rio. Bruisende steden zoals Rio, Sao Paulo en Salvador. Veel natuur: de Pantanal met zijn wetlands en veel vogels, het Amazonegebied, kleurrijk en mystiek “Afrikaans” Bahia, de mooiste en meest spectaculaire watervallen ter wereld (Iguazu). Koloniale steden. Woeste landschappen, grillige kustbergen, kokospalmwouden, oerwoud, bergen, pampas, waterrijke gebieden.   Kortom, alle mogelijke landschappen met veel hoogtepunten, maar ook nog veel onbekende onbedorven plekken.

Het is eigenlijk ondoenlijk om dit enorme land in één reis in een paar weken te doen. Brazilie is 240 x zo groot als Nederland. De afstanden zijn gigantisch en mensen uit het noorden verschillen als dag en nacht met die uit het zuiden of westen. Zo ook de landschappen. Economisch gezien is het een rijk land en een wereldmacht in opkomst. Brazilianen zijn voor het overgrote deel (net als in veel andere Zuid-Amerikaanse landen) kolonisten, import dus van oorsprong. Het is een smeltkroes van Afrikaanse, Europese en Indiaanse volkeren. Er is economische voorspoed, maar een overgroot deel van de sterk groeiende bevolking is arm. Een ding hebben Brazilianen gemeen: ze houden van het leven, en leven uitbundig.

Je kunt heel Brazilië in één reis doen,zoals wij hebben gedaan. Het is aan te raden om dan van het ene deel naar het andere te vliegen. Vraag naar de mogelijkheden voor een binnenlandse vliegpas (in combinatie met je internationale vlucht).

Het weer in Brazilië is over het algemeen goed. Van noord naar zuid wordt het steeds wat koeler, zonder dat het ergens echt koud wordt. De winter valt in de maanden april tot oktober, de zomer loopt van oktober tot april. In Rio is het in de winter wat koeler dan in de zomer, en nog zuidelijker kan het ’s winters soms koud zijn. In het noorden, noordoosten en het Amazonegebied kan het flink nat zijn. Let daar dus op het droge en natte seizoen. Aan lekker eten geen gebrek in Brazilië. Brazilië is een land waar de meerderheid van de mensen arm is en een klein deel erg rijk. Dat de criminaliteit hier hoog is mag dan ook geen verbazing wekken. Je kunt er overal mee geconfronteerd worden. Meestal gaat het dan om berovingen, men wil slechts je geld. Probeer rustig te blijven en wees je ervan bewust dat jij in de ogen van veel mensen gewoon “rijk bent”, het kan je dus overkomen. Ook voor de Brazilianen zelf is dit gewoon een gegeven. Er is ons niets gebeurd, in een groep reizen is ook wat veiliger. Desondanks zijn mensen uit onze groep op klaarlichte dag op het drukke Copacabanastrand van Rio omsingeld en beroofd. Laat dat je er niet van weerhouden te genieten van dit prachtige land.

Tips

Iguazu watervallen: ongeëvenaard mooi!!

Nabij het drielandenpunt Brazilië, Argentinië en Paraguay stroomt de rivier de Iguazu de Paranarivier in. Even daarvoor komt al dit water zich met donderend geraas over grote breedte naar beneden storten. Dit zijn de watervallen van Iguazu, een attractie van formaat en volgens mij het mooiste en meest spectaculaire natuurwonder op deze wereld. Vanaf de Braziliaanse kant heb je het mooiste overzicht op dit enorme complex watervallen. Aan de Argentijnse kant kom je er het dichtste bij. Er is een mooi wandelgebied rond de watervallen (subtropische jungle) en via houten platformen en goed begaanbare paden kom je dicht bij het enorme natuurgeweld. De Keel van de Duivel is spectaculair en je houdt het beslist niet droog. Je kunt hier met gemak twee of drie dagen verblijven en je zult je blijven verbazen over zoveel natuurpracht. Er is een spectaculair boottochtje te maken naar het punt waar de watervallen enorm diep vallen. Met grote snelheid koers je er op af, totdat op het laatst de boot nog net op tijd keert.

De Falls zijn zo groot (275 watervallen over een breedte van 3 kilometer) dat je nergens eigenlijk een compleet overzicht van dit immense gebeuren hebt. Het bedrijf Helisul biedt helikopter rondvluchten aan: je vliegt over de falls, het nationaal park en het drielandenpunt Argentinie/Brazilie/Paraguay. Het bedrijf heeft geinvesteerd in minder lawaaierige heli’s die ook schoner zijn. Een vlucht van 15 minuten lijkt niet lang, maar is genoeg: het is een spectaculaire belevenis, die je nooit meer vergeet! 4 jaar geleden kostte het ongeveer 70 US dollar. De helihaven bevindt zich even voor de ingang van het park aan de Braziliaanse kant: Av. Das Catarates, km paal 16,5, www.helisul.com. Niet te missen!

Paraty, pareltje aan een groene kust

Het idyllische stadje Paraty mag de parel van de Costa Verde (Groene Kust onder Rio de Janeiro) genoemd worden. Dit stadje dat vroeger groot is geworden door goud, diamanten en koffie, maar vervolgens “vergane glorie” werd, is nog helemaal in de 18e eeuwse koloniale stijl gebleven. Smalle straatjes met kinderkopjes waar je uren kunt dwalen, drukkere straatjes met kunstwinkels, restaurantjes. Wandelen door dit verleden is erg sfeervol en de vergelijking met b.v. Colonia in Uruguay kun je wel trekken. Het stadje is na verval in de 50-er jaren vorige eeuw helemaal gerestaureerd en uitgeroepen tot Unesco-monument. Overdag is het hier vrij stil, maar in de namiddag komen de straten tot leven. In de omgeving prachtige stranden en paradijselijke eilandjes. Voldoende leuke poussadas om te overnachten. Paraty ligt halverwege Sao Paolo en Rio en deze kust is werkelijk schilderachtig mooi!

Bahia, Ilha de Tinharé: Tropische verrassing in Brazilië  

Altijd eens op een tropisch strand willen zijn zoals je alleen maar in films ziet, maar nooit zelf kunt vinden? Dan is er Ilha de Tinhare! Met de ferry vanaf Valenca, 200 km onder Salvador, te bereiken. De rust en het tropische decor zijn hier compleet: kilometers lange zandstranden, waar je bijna niemand ziet, en uren langs kunt wandelen, steile rotsen, palmwouden, de natuur en de stilte zijn overweldigend. Het dorp Morro is een lange onverharde straat met veel restaurantjes. Na het dorp beginnen de stranden en de natuur. Dit paradijsje is autoloos. De zonsondergang die iedere avond te zien is vanaf een heuveltje bij de haven is vermaard en heet de mooiste van Brazilie te zijn, cocktailtje er bij en het genieten is compleet! Er is een klein vliegveldje, in 20 minuten kun je terugvliegen naar Salvador, wat je 6 uur reizen bespaart, dus 6 paradijselijke uren meer!

Bahia, Chapada Diamantina  

Iets buiten de gebaande paden, je moet er een stukje voor omrijden, ligt – ongeveer 350 km ten westen van Salvador, het binnenland in - het prachtige NP Chapada Diamantina. Het is een hooggelegen savannelandschap met een overweldigende natuur: rotsen, tafelbergen, watervallen, grotten. Uitvalbasis is het pittoreske stadje Lencois. Deze plaats werd groot rond 1830, toen hier goud en diamanten gevonden werd en velen hier hun geluk beproefden. Zoals vaker was het snel weer gedaan met de rijkdom toen alles gedolven was. Lencois verviel, maar de prachtige koloniale gebouwen zijn er nog, een sfeer van vergane glorie. Vanuit dit stadje met een erg relaxte sfeer kun je vele dag- en meerdaagse tochten maken. De Glass waterval is maar liefst 422 m hoog. De rit met de bus vanuit Salvador duurt ongeveer 6 uur. Het is absoluut de moeite waard, een van de hoogtepunten van Brazilie.

De blauwe kathedraal van Brasilia  

Brasilia werd eind vijftiger jaren in een paar jaar tijd uit de grond gestampt op een verder barre saaie hoogvlakte. Alles is hier gepland, de wijken, de verdeling van de economische bezigheden over de wijken, zelfs de favela’s: die moeten op minimaal 50 km afstand liggen. Het is dan ook een werkstad bij uitstek en geen woonstad. Te voet de stad ingaan is niet te doen, alles is op de auto ingericht en de afstanden zijn echt enorm. Neem dus een taxi.

Eén van de markantste en meest bijzondere kathedralen die ik ooit bezocht heb, is de kathedraal van Brasilia. Als je bij de kathedraal, die officieel de 'Catedral Metropolitana Nossa Senhora Aparecida' heet, aankomt, is de buitenkant al opvallend: de kerk is gebouwd als doornenkroon. De kathedraal, die in 1970 in gebruik werd genomen, is ontworpen door de beroemde Braziliaanse architect Oscar Niemeyer. Het gebouw bestaat uit 16 betonnen pilaren waartussen glas is aangebracht. Wat je aan de buitenkant ziet is in feite de top van de enorme kroon die je binnen tot grote hoogte boven je ziet oprijzen. Binnengekomen val je echt in verbazing. In de onderste lagen is alles van blauw glas, wat een blauwe gloed in de kerk geeft. Bovenin is het glas blauw, groen, wit en grijs. Moderne abstracte vormen en lijnen en drie enorme engelen die hoog aan het plafond boven je zweven. Dit is een architectonisch hoogstandje. De kerk is alweer aan slijtage onderhevig, maar dat neemt niet weg dat het echt verbazingwekkend is. Dus: heb je weinig tijd in Brasilia, laat je regelrecht naar deze kathedraal rijden. Een uitzonderlijke kerk…..

Amazone jungle

Er zijn diverse aanbieders van meerdaagse tochten naar de Amazone jungle. Een die ik van harte kan aanraden is Amazon Way Tours. Met een 6 koppige bemanning vaar je vanaf Manaus met een kleine dubbeldeksboot drie dagen over de Amazone. De bemanning is uiterst vriendelijk en geven geweldige service. Men doet er werkelijk alles aan om dit tot een onvergetelijke ervaring te maken. Je slaapt in hangmatten op het bovendek in de open lucht: geweldig om als eerste blik bij het wakker te worden een wijds uitzicht over deze machtige rivier te hebben, waar absolute stilte heerst en de zon meestal erg fraai opkomt. Je vaart 2 keer per dag met kleine boten over kleine kreekjes door het oerwoud, je maakt jungle wandelingen, waarbij een geweldige uitleg wordt gegeven over wat de natuur te bieden heeft om te overleven. Je bezoekt een indianendorp, je zwemt in de rivier (prachtige stranden), het eten is perfect. Een ervaring om nooit meer te vergeten, zie www.amazonway.com.br voor gegevens over deze organisatie en een fotoimpressie. Absolute aanrader, perfecte trip! 

Olinda 

Olinda in de staat Pernambuco (NO Brazilië) is een toeristische trekpleister, maar eigenlijk heb je geen last van grote hoeveelheden toeristen. Integendeel, in Olinda kun je heel aangenaam en rustig rond wandelen. De aantrekkingskracht van Olinda ligt in het bijzonder goed geconserveerde fraaie historische centrum.
De stad is voor Braziliaanse begrippen al heel oud. Zij werd gesticht 1537, maar vervolgens in 1631 verwoest door……Nederlanders. Eeuwenlang leidde de stad een kwijnend bestaan, maar rond 1830 begon het herstel. De ruines en vervallen huizen werden opgeknapt.

Als je in Olinda aankomt begin je in de benedenstad. Hier vind je vele kerken en musea, en nogal wat kunstgaleries en kunstnijverheidswinkeltjes. Vervolgens kun je omhoog. De straten die naar de top van de heuvel (Alto da Sé) leiden, zoals de R. Sao Francisco, zijn behoorlijk steil, wat - met de in alle (felle) kleuren geschilderde historische gevels - een apart cachet aan het straatbeeld geeft. Een sfeer van lang vervlogen tijden. Boven gekomen belandt je op het Praca da Sé, een behoorlijk toeristisch groot maar gezellig plein, met veel winkeltjes en restaurants, en een onvergetelijk mooi uitzicht op het groene Olinda onder je, de Atlantische Oceaan en buurstad Recife met zijn wolkenkrabbers. Olinda heeft ook een strand, dat alleen door de locals wordt gebruikt (maar laat dat je niet weerhouden uiteraard!). Als het lopen (klimmen) te veel is, kun je het toeristentreintje nemen, dat het hele centrum doorkruist en ook de top van de heuvel aandoet. Start is bij het toeristenbureau (hoek Av. Liberdade en R. Sao Francisco).
Opvallend zijn de poppen en maskers van papier marché. Je ziet ze overal aan winkelgevels hangen. Deze worden gebruikt voor het beroemde carnaval van Olinda. Dit carnaval is zeker zo bekend en groot als dat van de grotere broers Rio en Salvador. Wat dat betreft heeft Olinda een goede naam op te houden.

De stad Olinda heeft officieel 400.000 inwoners, het historische centrum is hiervan maar een heel klein onderdeel. Groot Olinda is opvallend genoeg één van de meest criminele steden van Brazilië (dat geldt voor de hele streek rond Recife), het centrum is juist opvallend veilig vanwege de politie die overal zichtbaar aanwezig is. We zijn er 2x geweest, hebben er ook ’s avonds rondgewandeld en niets gemerkt van criminaliteit. De sfeer is ontspannen. ’s Avonds stromen de pleintjes vol met uitgaanspubliek. Er zijn goede restaurants en leuke terrasjes.
 

Zuidelijk Afrika

Zuid-Afrika is qua natuur en landschappen ongekend mooi en divers. In één reis het hele land zien is eigenlijk niet te doen. Er is zoveel om te zien en te genieten en de afstanden zijn groot. In ruwweg het oosten zijn de provincies Limpopo, Mpumalanga (met o.a. de Blyde Rivierkloof en het bekendeKruger NP) en KwaZulu Natal (St Lucia Wetlands, Hluwehluwe park, omgeving Durban en Drakensbergen) eigenlijk al te veel voor één reis. In het westen liggen Kaapstad en omgeving, de wijngebieden, de zuidkust, de provincie Noordkaap) die de moeite waard zijn. Het weer is over het algemeen goed, al is het ’s winters (onze maanden april tot oktober) wat kouder dan ’s zomers.

Zuid-Afrika is voor toeristen een aantrekkelijk land en ze zullen er een prettig en vooral mooi land aantreffen. Het zou niet eerlijk zijn te ontkennen dat Zuid-Afrika problemen heeft. Er is veel armoe, sociale onrust en een hoge criminaliteit. Als toerist merk je hier veel minder van dan de doorsnee inwoner. Zelf rijden kan, maar lees de veilgheidstips en de do’s en dont’s zeker door. Neem, zeker ’s avonds, liever een taxi en loop niet door de stillere wijken en townships.

Wij hebben zowel het oostelijk deel als het westelijk deel van Zuid-Afrika bezocht. De tips die wij hebben opgenomen zijn onze tips voor het westelijke deel.

Namibië, Botswana en Zambia moeten het hebben van hun sterke toeristische troeven: de ongekend mooie en soms bizarre landschappen en het wildlife. Namibië en Zambia zijn relatief stabiele landen, maar behoren wel tot de armste landen ter wereld. Botswana is een relatief rijk land,al komt die rijkdom niet ten goede aan de bevolking. Wees je ervan bewust dat je in erg arme landen bent. Er wordt veel gebedeld. Het toerisme helpt de mensen echter ook aan werk. De afstanden in deze drie landen zijn eveneens enorm. Je kunt zelf rijden, maar vergis je niet in de te plannen dagetappes. Niet alleen zijn de afstanden groot, de wegen zijn uiteraard geen Nederlandse wegen. In Namibië zijn het veelal dirt roads, met veel gravel en zand, en slippen of uit de bocht vliegen kan gemakkelijk. Je rijdt dus wat rustiger en ook zeker niet ’s avonds. Wil je op tijd bij je lodge of camping zijn, dan moeten de etappes (wil je ook nog wat zien en genieten) niet te groot zijn. Alle drie landen in drie weken bezoeken kan, maar dan gaat het, als je zelf moet rijden, wel gepaard met haast en stress.

Hoe meer je naar het einde van de droge tijd komt, hoe groter de kans is om wildlife te zien. Ze komen dan naar de drinkplaatsen. In de natte tijd kunnen ze overal drinken,en dan zie je dus bijna geen dier. De beste tijd voor wildlife is dan ook juli tot november.

De lodges zijn op een enkele uitzondering na uitstekend. Namibië, Zambia en Botswana zijn erg de moeite waard, erg prettig om in rond te reizen en geen moment hebben wij ons onveilig gevoeld. Je komt hier in het hart van Afrika en je zult versteld staan van wat deze landen te bieden hebben.

Tips

Namibië, Sossusvlei: Lodge Weltevrede

De naam Weltevrede is wat mij betreft meer dan toepasselijk gekozen. Deze guestfarm ligt zo’n 40 km vóór de ingang van de Sossusvlei, precies halfweg tussen Solitaire en Sesriem, en ligt in een werkelijk schitterende omgeving: de guestfarm is aan drie kanten door de Namib Desert omgeven. Er zijn 12 mooie zogeheten front rooms beschikbaar. Vanaf het terras van de lodge heb je een schitterend uitzicht van ruige bergen, zandduinen en kameeldoornbomen. J e loopt zo de Afrikaanse savanne op. Het wild komt hier echt tot aan je voordeur! Vooral de springbok komt hier graag. Je hebt zicht op een waterplaats en echt grandioos is de zonsondergang waar je vanaf je terras van kunt genieten. De kleinschaligheid maakt dit tot een heerlijke relaxte overnachtingsplaats. Uiteraard zijn er wandelingen (niet gemarkeerd, en beginnend/eindigend bij de guestfarm) en gamedrives te maken. Kortom, een prima keuze voor een verblijf van één of twee nachten: het is vooral de ongekend schitterende omgeving, die je hier in een echte Afrikasfeer brengt.

Namibië, Caprivistrook: Slapen met nijlpaarden

Een gegarandeerd spannende overnachting, volkomen back to nature, heb je als je verblijft in het Ngepi Camp, in de “swamps” van de Okavangorivierdelta. Ngepi biedt een aantal “treehouses”aan, die in de kruinen van de bomen, vaak boven de rivier, zijn gebouwd. Het zijn, in ons geval, vijfzijdige platforms van 5 bij 5 meter, met als “muren” bamboerolgordijnen. Die kun je hier rustig openlaten, zodat je in een bed slaapt dat midden op het platform staat onder de blote hemel. In de hoek is een douche en toilet, ook open en bloot. ’s Nachts zijn de Afrikaanse geluiden overal om je heen en is het aardedonker, met een schitterende sterrenhemel en beneden je de rustig voortkabbelende rivier. Ons treehouse lag op 10 minuten wandelen van de receptie, één - en liever nog twee - goed werkende zaklampen zijn hier een must!

’s Nachts morren, knorren en scharrelen de nijlpaarden onder je platform in de rivier. En als dan even na zes uur de zon opkomt, hoef je je alleen maar in je bed een beetje op te richten om de langzaam opkomende zon boven de rivieroever te kunnen zien. Het uitzicht en het gevoel dat je erbij krijgt zijn onbeschijfelijk. Zo word je zelden in je leven meer wakker!! Je zit en ligt hier volkomen privé, en je voelt je ver van alles.

Treehouse 15 en 10 liggen het verst weg, maar er zijn ook treehouses dichterbij en er zijn ook (voor een iets veiliger gevoel, maar het is hier absoluut veilig) minder “hoge” treehouses of op het land gelegen, een paar meter van de rivier. Overdag zijn er voldoende activiteiten te ondernemen: tochtjes in een mokoro door de delta, vogelwandelingen en de Popa Falls liggen 8 km verderop. De lodge ligt ingeklemd tussen Bwabwata NP en Mahango NP (buffel, olifant, wilde hond, leeuw). De treehouses kosten rond 40 euro per nacht. Ngepi is gelegen in het uiterste oosten van de Caprivistrip: volg de B8, in Divungu rechtsaf naar de Mohembo grenspost en na 10 km zie je een bordje Ngepi, waarna het nog 4 km door de bush is naar het kamp. Slapen met de nijlpaarden en het wakker worden in je bed onder de blote hemel met zicht op de rivier was voor ons een indrukwekkende en spannende ervaring. We kunnen het van harte aanraden!   www.ngepicamp.com

Zuid-Afrika/Botswana: Kgalaghadi Transfrontier Park

De Noordkaap is niet direct de provincie van Zuid-Afrika waar de meeste reizigers naar toe gaan. En als je er al komt fungeert het vaak slechts als doorgang van Kaapstad, via Springbok, naar Namibië. Toch is deze provincie alleszins de moeite waard. Zeker vanwege het Kgalaghadi Transfrontier Park, gelegen in het uiterste noordwesten van de provincie, ingeklemd tussen Zuid-Afrika, Namibië en Botswana. Voor degenen die iets meer tijd hebben is het aan te raden om de route Kaapstad-Namibië via dit park te doen (via Upington, waar de Augrabies watervallen overigens ook erg de moeite waard zijn, naar het noorden rijden, ingang Twee Rivieren).

Kgalaghadi is een samenvoegsel van twee nationale parken in Zuid-Afrika en Botswana. Hierdoor ontstond in 1998 één aaneengesloten park, zo groot als België, waar mens en dier geen last hebben van de staatsgrens tussen deze twee landen. Het is het eerste park in Afrika, dat zo is ontstaan. Je bent hier in de halfwoestijn van de Kalahari, maar omdat het toch nog enigszins groen is, wordt het hier ook wel de Green Kalahari genoemd. Je treft hier een eindeloos verlaten landschap met rode zandduinen, droge rivierbeddingen en vooral opvallend veel wild. Uiteraard vele vogelsoorten (zo’n 250), de meeste roofdieren (de leeuw met de zwarte manen die hier voorkomt is uniek!), maar vooral ook is Kgalaghadi het park van de gemsbok ofwel de oryx. Een schitterend dier, dat je hier in overvloed tegenkomt. Bij de ingang Twee Rivieren bevindt zich een uitstekende lodge. Als je weinig tijd hebt, zou je de tweede dag naar Mata Mata Kalahari Tented Camp (75 km) kunnen rijden, waar zich een mooie drinkplaats bevindt, en ook weer een goed kampeerterrein. Vandaar uit rijd je in korte tijd naar de Namibische grens. Een wat minder bezocht park, maar eigenlijk mag je dit niet missen!

Zuid-Afrika, Limpopo: Bobidi Safari Lodge

Ik ben er niet zo’n voorstander van om over alle lodges of hotels een tip te plaatsen. Simpelweg omdat ze vaak gewoon, matig of niet bijzonder zijn. In een enkel geval maak ik graag een uitzondering en dat wil ik zeker doen voor de Bobidi Safari Lodge. Een kleinschalig complex met 11 huizen, schitterend gelegen in een privé park, zo’n 42 km ten oosten van Lephalale (route 518) in de provincie Limpopo. Uitstekend geschikt als overnachting op doorreis vanuit Botswana naar b.v. Johannesburg. De lodge ligt 7 km in het park, dat voornamelijk uit bushveld bestaat en omringd is door fraaie tafelbergen. Relaxen en verwend worden zijn hier de sleutelwoorden. De huizen zijn prachtig ingericht met veel oog voor details en niets ontbreekt er. De staf is uitermate vriendelijk, behulpzaam en betrokken. Bij het kamp bevindt zich een waterplaats. Uiteraard rijdt de gastheer je graag rond voor een gamedrive of maakt hij een wandelsafari met je. ’s Avonds geniet je van een barbecue bij het grote kampvuur en, in ons geval, komen enkele in de buurt levende San (Bosjesmannen of Bushmen) langs om te vertellen hoe ze nog altijd in dit droge harde land weten te (over) leven. We hebben in veel lodges en hotels gezeten, maar dit vonden we absolute topklasse. Vijf sterren, maar een standaard huis kost toch maar 115 euro per nacht en de presidential suite (je weet niet wat je ziet!!) rond de 135 euro. Topper!!!   www.safarinow.com/go/BobidiSafariLodge

                                              
Zambia: Bezoek eens een plattelandsdorp

In het zuiden van Zambia hebben wij een traditioneel plattelandsdorp bezocht, Mukuni. Dit is in Livingstone als tourtje te boeken. Dat klinkt heel braaf en weinig spannend, maar het is een absolute aanrader om dit op deze manier te doen. Onaangekondigd en op eigen gelegenheid in dergelijke dorpjes verschijnen zal op zijn zachtst gezegd niet gewaardeerd worden en dat is te begrijpen. In de ogen van de mensen ben je niet uitgenodigd en men zal zich ongemakkelijk voelen bij onbekende “pottenkijkers”. In gezelschap van een plaatselijke gids zal dit veranderen. Men ontvangt een klein bedrag dat ten goede komt aan de gemeenschap en men zal – op de hoogte van jouw komst - alle tijd nemen om jou te ontvangen, met je te praten etc. Onder begeleiding van de gids die in het dorp woont, wandel je door het vrij grote dorp. Overal zie je compounds: een verzameling hutten, ommuurd door rieten matten, waar een familie woont. Opvallend is dat nogal wat grootmoeders voor hun kleinkinderen zorgen. De midden-generatie is er vaak niet meer: overleden aan AIDS. Het is rustig in het dorp en de mensen gaan gewoon door met hun dagelijkse bezigheden. Als ik mijn camera tevoorschijn haal, verschijnen opgewonden groepjes kinderen: men wil dolgraag op de foto, ook de volwassenen. Dat biedt natuurlijk een uitgelezen mogelijkheid om portretten te maken en plaatjes van het dagelijkse leven te schieten. Een groot deel van mijn portretten heb ik in dit dorp gemaakt. De sfeer is erg ontspannen en we hebben een goede indruk gekregen van het dagelijkse leven hier. En uiteraard worden alle foto’s opgestuurd, de mensen vroegen hier met nadruk om!

Botswana: Makgadikgadi Pans

In Botswana zijn het Moremi Park, de Okavangodelta en het Chobe NP de meest voor de hand liggende toeristische bestemmingen. Ten oosten van de stad Maun bevinden zich de zoutpannen van Makgadikgadi. Minder bezocht, maar zeker de moeite waard. Het is de grootste zoutpan ter wereld, met een oppervlakte van een land als Zwitserland. Dit is ooit een supermeer geweest van meer dan 30 meter diep over 80.000 vierkante kilometer. De klimaatverandering van 10.000 jaar geleden droogde de Pan geheel uit, alleen de glinsterende zoutkristallen bleven over. Je vindt hier een eindeloos lijkende witte vlakte, waarvan de grond kraakt als pas gevallen sneeuw als je er overheen loopt. Hier is het genadeloos voor het leven. Maar toch zijn veel van de diep gelegen zoutpannen, als er even water komt, voedzame graslanden die duizenden dieren aantrekken. Normaal is dit uiteraard een gebied met weinig regen. Er is het nodige aan gedaan om het wildlife hier weer te krijgen en aan de randen van de grazige weiden vindt je dan ook veel wild.

Voor de echte avonturiers is hier het Kubu Island, een afgelegen granieteiland in het niets gelegen, maar hiervoor moet je echt drie dagen uittrekken: het is niet gemakkelijk en niet altijd te bereiken. Voor de minder fanatieke reizigers kun je de zoutpan gemakkelijk vanuit de plaats Nata bezoeken. Zo’n 30 kilometer ten zuiden van Nata bevindt zich de ingang van het Nata Bird Sanctuary. Toen wij er afgelopen zomer waren was de zoutpan vanwege hevige regenval volgelopen met water, en dan strekt zich een onafzienbaar meer vóór je uit. Uiteraard zie je dan het nodige aan vogels. En waar het park echt bekend om is, is de befaamde zonsondergang. En eerlijk is eerlijk, die is op veel plekken in de wereld mooi, maar hier stonden wij toch echt wel even te kijken, zo fraai. Wacht niet te lang na zonsondergang met je vertrek (want juist een half uur na de zonsondergang zelf is de lucht het mooist!), je moet ook nog naar de uitgang en er geldt een boete voor uitchecken als het al donker is…..

Zambia: Victoria Falls sunset

De tip is simpel, maar met een behoorlijk rendement: bezoek de Vic Falls aan de Zambiaanse kant tegen het einde van de dag. En dan bedoel ik de wandeling die je langs de falls kunt maken. De meeste mensen doen dit meteen ’s morgens of ’s middags, ook mooi. Maar als je ’s morgens en ’s middags je andere activiteiten plant, zou je ook om een uur of 5 ’s middags met je wandeling langs de kloof, waarlangs het water zich naar beneden stort, kunnen beginnen. Er zijn twee grote voordelen. Ten eerste is het niet meer zo druk. Vlak bij de ingang misschien nog wel, maar even verderop en zeker een uurtje later, wandel je bijna alleen. Het grootste voordeel is dat je richting het westen wandelt, waar je vanaf een uur of 6 de zon langzaam tot aan de falls ziet zakken. Gegarandeerd levert dit prachtige beelden op, voor zowel je foto’s als voor jezelf. Je bent hier alleen met het water en het prachtige zonlicht dat door de waterdruppels heen steeds fraaier kleurt (ik heb er een paar foto’s van de op site geplaatst).

Wat betreft de beste tijd van het jaar, via de informatie op internet werd het mij niet helemaal duidelijk. Ik heb het ter plekke dus gevraagd. Natuurlijk zien ze je altijd graag komen (…), maar: in maart-april is er weliswaar het meeste water; het zicht wordt dan wel belemmerd door de vele spray. Met de heli is het dan wel weer goed te zien. Mei-augustus: het is winter, nog genoeg water (maar wel wat minder) en beter zicht; aug-dec: de beste tijd om te raften, het water is dan laag. In december zijn de falls steeds meer opgedroogd. In oktober is het zonnig en heet weer, dus dan heb je de beste sunsets. Omdat je je reis natuurlijk niet alleen van de beste tijd voor de Falls laat afhangen is het algemene advies voor Zuidelijk Afrika overigens: augustus-oktober.

Costa Rica

Tortuguero

Tortuguero dankt zijn bekendheid aan het National Park en aan de zeeschildpadden die hier op het strand hun eieren komen leggen. Tortuguo is Spaans voor schildpad. Het National Park, in 1970 opgericht, bestaat uit een netwerk van rivieren en kanalen door de zeer dichte en erg natte jungle. Het park ligt in het uiterste noordoosten van Costa Rica aan de Caribische kust. Je kunt er niet over de weg komen, vliegen is een (duurdere) optie maar het meest gangbare vervoer hier naar toe is per boot. De tocht per boot naar onze lodge,de Laguna Lodge (vlakbij de nederzetting Tortuguero, een paar honderd inwoners, 50 houten huisjes en een paar winkels), was 70 km lang en is ongetwijfeld een van de mooiste ervaringen voor de bezoeker van Costa Rica. Soms is het water nog geen meter diep, soms enkele meters diep en de breedte van de vaarwegen varieert van enkele meters tot soms wel 100 meter. Overal vliegen de prachtigste vlinders en vogels rond, de tropische vegetatie is weelderig. Het regenwoud is zo dicht begroeid, dat zelfs gidsen zich er niet in wagen. Alles kan echter vanaf het water goed worden bekeken.

Ons eindpunt, de Laguna Lodge, bleek een paradijs te zijn. Een plaatje. Gelegen op een smalle strook land van nauwelijks 100 meter tussen de rivier (waar krokodillen zitten) en de Caribische Zee (waar haaien zitten). De enige mogelijkheid om te zwemmen is dus in het zeer fraaie zwembad in de tropische tuin van het hotel. Je ontdekt hier al snel de roodoogboomkikker. Een zeer klein, wat gek beestje om te zien. Met zijn uitpuilende ogen, blauwe strepen aan de zijkant en oranje voetjes lijkt hij op een mini-alien. Uiteraard maak je hier boottochten door het regenwoud van Tortuguero. Er valt hier zo enorm veel regen (5000 mm per jaar, dat is 7 keer zoveel als in Nederland per jaar aan regen valt!) dat alles wat de wereld aan groeiende planten en bomen te bieden heeft zich hier verzameld lijkt te hebben. Je ziet de roerdomp, ijsvogel, zilverreiger, slingerapen, luiaards, zoetwaterschildpadden, brulapen. Hier vergeet je even de hectische wereld en geniet je van de tropenpracht. En ’s avonds geniet je op je veranda in je schommelstoel na. Een fantastische ervaring. Niet te missen dit!

Costa Rica: Catarata La Paz (Vredeswaterval)

La Catarata La Paz is niet alleen de naam van een schitterende waterval, maar van een heel natuurpark waar je Costa Rica in een notedop kunt zien. Het gebied ligt op een uurtje rijden noordwaarts van de hoofdstad San José.   De rivier La Paz ontspringt in een nevelwoud boven op een actieve vulkaan. De volgende 8 km valt hij 1500 meter omlaag, waarna hij zich uit de uitbundige dichte tropische begroeiing naar beneden stort in de waterval La Paz. Hij is niet zo heel groot, en dat op zich maakt hem ook niet heel erg bijzonder, maar wat het wel bijzonder maakt is de schitterende omgeving. De waterval komt uit een muur van regenwoud en is goed te bereiken en te zien vanaf de weg. Erachter bevinden zich nog minstens 5 adembenemende watervallen. Het is hier zo ongelooflijk groen en dicht begroeid, dat het zelfs voor een tropische omgeving opvallend is. Uiteraard leeft hier ook veel wildlife, apen, bonte vogels, kikkertjes en de kolibries vliegen hier overal rond. Dit is een uitbundig begroeid tropisch gebied dat beslist niet overgeslagen moet worden in Costa Rica. De rust is hier overweldigend, misschien daarom La Paz (De vrede)?

 Rincon de la Vieja: Buena Vista Lodge

De naam zegt het al, Buena Vista, mooi uitzicht. Zeg maar liever: schitterend uitzicht. Zo’n 20 km ten westen van de stad Liberia ligt tegen de berghellingen op 1500 meter hoogte deze prima lodge, in de nabijheid van het Rincon de la Viega NP. De laatste 10 km moet je via een onverhard pad naar boven, wat wel even tijd kost. De huisjes zijn basic, maar de entourage is schitterend. Prachtige vergezichten over de bergen van Rincon, het laagland van Guanacaste en de Pacific Ocean. De zonsondergangen (voor de liefhebbers, en dat zijn er hier op deze site nogal wat…) zijn niet te beschrijven zo mooi. Valkbij de lodge begint het pad door de jungle: papegaaien krijsen hoog boven je (indringers in het bos!), de brulapen doen even later vrolijk mee (die gaan ook ’s nachts vrolijk door!). Je ziet veel dieren hier. Rond de huisjes scharrelen leguanen, vogelspinnen, je kunt neusberen, gordeldieren etc tegenkomen. In de directe omgeving de mogelijkheid tot een Canopy Tour, watervallen (glijbanen!!) en vooral de tropische jungle. Het is een paar kilometer wandelen door de prachtige natuur naar de Hot Springs (modderbaden). Paardrijden kan uiteraard, en het onovertroffen Rincon park is nabij. Je moet hier wel met eigen vervoer zijn (of een georganiseerde tour), want openbaar vervoer is er niet en een taxi naar boven (of beneden) is erg duur. Genoeg te doen en te zien hier, en vooral genieten van de overweldigende natuur!

Cartago, stad van de wonderen

Niet ver van de hoofdstad San José (op zo’n 25 km afstand, maar de tocht er heen duurt anderhalf uur) ligt aan de voet van de immense Irazu-vulkaan de voormalige hoofdstad Cartago. Deze oude stad (gesticht in 1563) heeft in de loop der jaren de nodige rampspoed over zich heen gekregen. Talloze malen werd de stad verwoest door natuurgeweld: aardbevingen en overstromingen. De stad met ongeveer 150.000 inwoners ligt op 1400 meter hoogte in een landbouwgebied, waar o.a. aardappelen en koffie verbouwd worden. Het is de moeite waard om op doorreis naar b.v. de vulkaan even een paar uurtjes te stoppen en het oude centrum te bezichtigen voor een flinke dosis cultuurhistorie. Een typisch Latijns Amerikaanse oude koloniale stad. De belangrijkste bezienswaardigheid is de Basilica de Nuestra Senora de los Angeles met het beeld van La Virgen de los Angeles, de beschermvrouwe van Costa Rica. In 1635 zou de Zwarte Madonna van los Angeles zijn verschenen aan een meisje. Ze verscheen in de vorm van een poppetje, dat -hoe men dit ook verplaatste- steeds weer dezelfde positie innam. Sindsdien is de Zwarte Madonna voor Costa Rica het symbool van hoop en verlossing. Duizenden die hier genezing vonden hebben replica’s van lichaamsdelen, krukken, rolstoelen en briefjes achtergelaten. Als je er eind juli/begin augustus bent, zoals ik, dan kun je getuige zijn van de jaarlijkse bedevaart die op 2 augustus van San José naar Cartago wordt gemaakt. Het is dan (ook op de dagen vóór 2 augustus) een drukte van belang. In de aanloop naar Cartago zagen wij al mensen zich kruipend en knielend voortbewegen en dat gaat zeker zo op het grote plein voor de kerk, de trappen op en door de middengang van de basiliek. Wonderlijk om te zien, maar Cartago is dan ook een stad van de wonderen!

Ensanada

Hacienda La Ensenada is een plek waar je prima een paar dagen kunt verblijven. Het ligt aan de Pacifische kust, in de provincie Puntarenas, aan de Golf van Nicoya. De houten huisjes liggen op een prachtig landgoed met een fraai uitzicht op de lager gelegen Grote Oceaan. Ze hebben een mooi terras en een hangmat. Het is een familiebedrijf. De belangrijkste activiteiten van dit bedrijf zijn veeteelt, paarden, het winnen van zout en het telen van fruit. Je zult je hier heerlijk ontspannen voelen. Er zijn veel activiteiten te ondernemen. Uiteraard paardrijden en wandelen over het uitgestrekte landgoed. Even verderop heb je vanaf een heuvel een onwerkelijk mooi zicht op de zonsondergang boven de Stille Oceaan. Verder kun je een boottocht maken door de mangrovebossen. Voor de liefhebber is dit een uitstekende plek om pelikanen, fregat vogels, regenwulpen, verschillende reigersoorten, klokvogel, witte ibis en de mooie roze lepelaar te zien. Je ziet ze echt in grote aantallen! Over het landgoed wandelend kom je brulapen tegen. Een andere attractie is de vogelspin. Het veldje voor de huisjes is bezaaid met holen van vogelspinnen. Door het web voor het holletje zachtjes met een stokje aan te raken komt de spin, denkend dat hij een prooi heeft, razendsnel naar buiten springen. Als hij door heeft dat het hier om een nepprooi gaat schiet hij even razendsnel weer naar binnen. Een snelle fotograaf heeft hem dan uiteraard allang vereeuwigd!

De sfeer is hier ongelooflijk relaxed. Het is het boerenleven, de uitbundige tropische natuur, het rijke dierenleven, gerieflijke huisjes en het geweldige uitzicht op de oceaan die een verblijf hier tot een erg aangenaam gebeuren maakt. Zeker doen als je in de buurt bent!

Griekenland

Pilion: Genieten tussen de Grieken

In Griekenland is Pilion een begrip, het is dè vakantiebestemming voor veel Grieken uit de grote steden. In Nederland is het vrijwel onbekend. En dat is onbegrijpelijk, want Pilion is adembenemend mooi, bijna Griekser dan Grieks, en het heeft alle ingedriënten voor een perfecte en gevarieerde Griekenlandvakantie. Het heeft alle faciliteiten voor de (ook verwende) toerist, het is relatief rustig, goedkoop en het weer is er uiteraard van maart tot ver in oktober uitstekend. Allemaal redenen om hier toch eens heen te gaan, maar er is meer.

Pílion is een schiereiland aan de oostkant van Griekenland, grofweg gelegen tussen Athene en Thessaloníki en maakt deel uit van de provincie Thessalië. Zoals gezegd is het een gebied waar voornamelijk Grieken hun vakantie doorbrengen. Mooie natuur, een overweldigend groen berglandschap, watervalletjes, fraaie bergdorpen, echt Griekse kustplaatsjes waar het nooit druk is, en het hele schiereiland is omringd door de blauwe zee waar je de ene mooie baai na de andere vindt. Het schiereiland is genoemd naar de hoge berg Pílio, die met zijn 1600 meter in het noordoosten oprijst. Tegen de berghellingen aan vindt je de dorpjes Milies, Makrinitsa (het balkon van Pilion genoemd, omdat je vanaf hier een fraai uitzicht hebt over een groot deel van Pilion) en Tsagarada, met op het dorpsplein een enorme 1000 jaar oude plataan. Aan de westkust vindt je heuvels, fruitbomen , de overal aanwezige en altijd rustige zee en de gezellige dorpjes Affissos en Kala Nera. De oostkust is wat ongerepter, ruiger, met stille rotsachtige strandjes die over steile berghellingen afdalend te bereiken zijn. De hoofdstad is Volos met 120.000 inwoners. Vanuit Pilion is het goed te doen (150 km over een goede weg) om een dagtocht naar de befaamde Meteorakloosters te maken.

Pilion, het is genieten tussen de Grieken en je verwonderd afvragen waarom je hier bijna de enige buitenlandse toerist bent. Ik kan het van harte aanbevelen!

Meteora: Zwevend tussen hemel en aarde

Nabij de stad Kalambaka in Thessalië (Midden-Griekenland) ligt, goed te bereiken via een uitstekende weg vanaf de stad Larissa, het gebied van Meteora.

Meteora betekent “zwevend tussen hemel en aarde” (ons woord meteoor komt daar ook vandaan) en dat lijkt hier erg van toepassing. Door eeuwenlange erosie van wind en water heeft dit gebied zijn speciale gezicht gekregen: midden in de vlakte rijzen ineens opvallende rotsformaties omhoog. Op hoge rotspilaren zijn kloosters gebouwd. Hoewel je er tegenwoordig vrij gemakkelijk komt, is het moeilijk voorstelbaar hoe hier eeuwenlang monniken, en later mensen die zich om een of andere reden schuil moesten houden, in volstrekte afzondering hebben geleefd. Nog vóór het jaar 1000 beklommen kluizenaars en later monniken deze rotstorens en creëerden hier hun eigen leefomgeving. Ze kwamen bijna nooit naar beneden. Om er te komen moest je in ieder geval door de bewoners boven met een mandje omhoog worden gehesen. Ooit stonden er 24 kloosters op de natuurlijke zandstenen torens, nu zijn het er nog 6, fraai gerestaureerd. Ze staan op de Werelderfgoedlijst en zijn te bezoeken. De uitzichten die je rondrijdend of rondlopend in dit gebied hebt zijn imposant.

Indonesië

Oost-Java: Buitenaards landschap

Op het eiland Java ligt 100 km ten oosten van de stad Malang (Oost Java) het Tenggerplateau met twee zeer actieve vulkanen, de Semeru en de Bromo. De zonsopkomst in het gebied rond de Bromo vulkaan is een onvergetelijke ervaring. Je moet er vroeg voor op (rond 3 uur ’s morgens), en het is zeker noodzakelijk een verblijf in de buurt op te zoeken. Rond 4 uur rijd je dan in een uur naar boven. Als de zon rond 6 uur opkomt boven dit spectaculaire landschap lijkt het of je op een andere planeet staat. Klein nadeel: je bent bepaald niet alleen. In het donker en in de kou sta je met honderden op een klein platform elkaar te verdringen totdat het licht wordt. Wonderlijk genoeg is dan ineens iedereen binnen een half uur verdwenen. Tip is dus: blijf nog een of meerdere uurtjes na, er is dan alle rust en je kunt er ook nog mooi wandelen.

Sumatra, Bukit Lawang: Ontmoet orang oetans in het wild

Een ontmoeting met orang oetans in het wild en dan zonder toeristen? In Bukit Lawang, nabij Medan op Sumatra is die kans groot, als je dan maar niet de officiele tours regelt, die daar meestal worden aangeboden. In dat geval ga je naar het voederplatform en ben je bepaald niet alleen. Het lijkt dan toch meer op een veredelde dierentuin-act. Leuk, maar er is meer uit te halen. In onze lodge (Bukit Lawang Cottages) was een lokale gids snel gevonden. Tegen een schappelijke prijs wandelde hij met ons niet naar de hoofdingang, die de meeste toeristen gebruiken, maar via een junglepaadje achterom omhoog, rechtstreeks de jungle in (achter deze lodge). Binnen 10 minuten stonden wij oog in oog met enkele orang oetans midden in de jungle. Een geweldige ervaring. Vraag dus (onofficieel, dat wel!) naar een local, die met je meewandelt over de wat meer ongebaande paden.

Tobameer en Samosir op Sumatra

Het Sumatraanse hoogland is een vruchtbaar vulkanisch plateau. In het midden ligt het Tobameer, een gigantisch kratermeer. En in dat kratermeer ligt het weelderig groene eiland Samosir, 30 km lang en 15 km breed. Dit is het woongebied van de Batakkers, een nog altijd deels animistisch volk. Op dit groene pareltje maak je kennis met dit volk, hun traditionele huizen op palen met houten puntdaken, veel begraafplaatsjes en voorouderbeelden. Je kunt schitterend wandelen langs de kust met altijd een adembenemend uitzicht op het betoverende Tobameer, maar ook een trektocht door het beboste midden is een aanrader. Hier zie je nog het authentieke leven, rustige Batakdorpjes, weelderige vegetatie, karbouwen grazend op de groene hellingen, vissers op het meer. Een relaxed en erg tropisch eiland. Je bereikt Samosir meestal met de ferry vanuit Prapat. In Tuk Tuk, waar de ferry aankomt, zijn genoeg prima overnachtingsmogelijkheden.

Java, Dieng plateau

De Midden-Javanen van vroeger beschouwden deze plek als het centrum van bovennatuurlijke krachten. En eerlijk gezegd: als je er niets te zoeken had kwam je er ook maar beter niet. Het Dieng plateau is zeker een wat mysterieuze plaats te noemen, vaak in nevelen en dampen gehuld. Een plaats die nogal afgelegen ligt ten opzichte van de standaard doorgaande route over Java, maar deze omweg maken (het kost je bijna een dag extra) is beslist de moeite waard. In dit vulkanische gebied, dat bestaat uit twee vulkanen en twintig kleine kraters, is het vaak mistig. Gassen en dampen stomen omhoog, de modderige grond borrelt. Van oudsher is dit een heilige plaats. Als je na het stadje Wonosobo omhoog rijdt kijk je, als je achterom en opzij kijkt, eerst omlaag over de vele landbouwterrassen. Hoger en hoger gaat de weg vervolgens en krijgt het gebied langzaamaan een onheilspellend karakter. Op ongeveer 2100 meter hoogte lagen oorspronkelijk tientallen, waarschijnlijk bijna tweehonderd tempels, waarvan er acht gerestaureerd zijn. Deze Hindoetempels, gewijd aan Shiva, en die mogelijk al dateren van ongeveer het jaar 800, waren bidplaatsen. Er werd gebeden om bescherming tegen de onheilspellende krachten van de natuur. Om niet helemaal in de mist te lopen kun je dit complex het beste zo vroeg mogelijk op de dag bezoeken. Naast de tempels is het een belevenis om door dit borrelende zompige gebied te lopen. Kom niet te dicht bij de heetwaterbronnen want die zijn echt bijzonder heet. Het Telaga Warna, het kleurenmeer, is eveneens de moeite waard.

De Gili-eilanden: drie pareltjes bij Lombok

De 3 Gili-eilanden (Gili Air, Gili Meno en Gili Trawangan) zijn gemakkelijk vanuit de havenplaats Bansal op Lombok met een bootje te bereiken. Het zijn ware bounty-eilandjes, een snorkel- en duikparadijs. Er mag geen gemotoriseerd verkeer komen en het is er dus heerlijk rustig. Vissers varen je voor een gering bedrag graag een dag rond en naar de 3 eilandjes, waar je het strand bijna voor jezelf hebt en heerlijk kunt eten. Tranwangan is het grootste eiland van de drie, maar nog erg klein (een paar vierkante kilometer!) en het is 's avonds op de enige straat van het eiland gezellig druk (backpackerseiland). Wij logeerden in Villa Ombak met prachtige lodges (een in onze ogen chique resort, maar heel betaalbaar!). Een verademing na een inspannende Indonesie-reis. Je voelt je hier echt in het paradijs!

Bali, Apenbos in Ubud: oppassen!

Midden in het kunstenaarsdorpje Ubud op Bali ligt het Apenbos, een mooi stuk wandelbos. Grootste attractie lijken wel de vele apen te zijn die hier rondzwerven. Het lijkt zo leuk, die aapjes die het Apenbos en de tempels in dit bos bewaken. In werkelijkheid zijn deze leuke aapjes allang verpest door al die toeristen die ze eten geven. Toeristen betekent voor hen alleen maar eten. Let goed op als je er wandelt, en laat je liefst begeleiden door een plaatselijke gids: ze jatten alles van je wat los en vast zit, je zonnebril, portemonnee, je eten. Ze bespringen je en dan is er maar een advies: laat alles (vooral je eten) onmiddellijk uit je hand vallen. Loop niet met je boodschappen door het bos, zoals wij. Mits hierop voorbereid kan zo'n wandeling wel leuk zijn!

Snufje Hollandse geschiedenis in Jakarta

Jakarta is wat mij betreft geen erg inspirerende stad, en dus ook geen stad om erg lang te verblijven. Een giga typisch Aziatische metropool met veel hoogbouw, lawaai en drukte en weinig interessante plekken. Wat wel leuk is, als je er toch bent!, is om de oorsprong van deze megacity te bezoeken: de overblijfselen van de koloniale stad Batavia, door de vlijtige Nederlanders gesticht. Het is niet veel wat er rest, maar aan de uiterste noordkant van de stad, tegen de haven aan, is nog wel een idee te krijgen van hoe het was. Ga eens kijken bij de zeilhaven Sunda Kelaja en wandel hier over de 2 km lange kade langs de zeilschepen, die als vrachtschepen dienen en die hier nog handmatig geladen en gelost worden. Het zijn schepen die op Sulawesi zijn gebouwd en de bewoners van dit eiland staan bekend om hun kunde wat schepen bouwen betreft. Het is een drukte van belang. Ongeveer 1.5 km naar het zuiden ligt het Fatahillah Square. Hier is nog iets van de “Hollandse” historie te vinden. Aan het plein ligt het beroemde trendy café Batavia. Voor Indonesische begrippen is het hier prijzig, maar een lekkere kop cappucino of iets anders in een jaren 50 entourage is niet over te slaan. Wandel langs de straten rond het plein om even de sfeer te snuiven. Een heel ander Jakarta dan de rest van de stad.

Het onbekende westen van Bali 

Een aanrader is om vanuit de toeristenplaats Lovina het uiterste westen van Bali te bezoeken. Hier wordt de doorgaans drukke kustweg even voorbij Lovina en Seririt rustiger en rijdt je langs de bergrug die je soms bijna de zee in lijkt te drukken, door groene rustige dorpjes. De eerste stop maak je bij Puri Pulaki, een kleine tempel, waar hele hordes apen zitten. Je kunt het dus ook de apentempel noemen. De apen zijn hier heilig, dus men legt ze geen stroobreed in de weg. Zodra je stopt komen ze al in actie, toeristen! Dat betekent waarschijnlijk lekker eten of misschien wel een mooie zonnebril, sleutels of camera scoren…..Advies is dus: laat je dure spullen hier in de auto. Het uiteindelijke einddoel is dan Pemuteran, een snel groeiende badplaats en vissersdorp. Hier vind je het mooiste strand van Noord-Bali, een zandstrand in een mooie baai (de overige stranden van het noorden zijn lavastranden, dus grauw en grijs…). Er heerst een aangename relaxte sfeer en het is hier rustig, niet te vergelijken met Kuta en Seminyak, maar zeker zo mooi! Hier zijn goede snorkel- en duikmogelijkheden. Het is ook een prima plaats om te overnachten, als je naar het nabijgelegen eiland Menjangan wil, een bekende plaats om te duiken en snorkelen. Van hieruit kun je de boot naar dit eiland nemen. Bezoek in Permuteran ook het schildpaddenopvangcentrum. Een Australiër nam hier ooit het initiatief toe. Hij zag dat de lokale mensen schildpadeieren verzamelden en kwam erachter dat deze als voedsel werd verhandeld of naar de toeristenindustrie gingen. Hij bedacht het systeem waarbij de eieren van de bevolking worden opgekocht (dit stimuleert de locals om de eieren te gaan zoeken, en feitelijk te redden), en de kleine schildpadjes worden opgevangen totdat ze groot genoeg zijn om weer terug in zee te worden gezet. Hier vind je ook Boomer, een grote zeeschildpad, die enkele malen in zee is teruggezet, maar zelf na een dagje zee steeds terug kwam. (Boomer – Boomerang, komt steeds terug). Een bezoekje waard. www.reefseenbali.com voor meer over het duiken, snorkelen en de schildpaddenopvang.

Centraal Bali: de mooiste rijstvelden bij Jatiluweh

Overal op Bali zie je de rijstvelden, waar je altijd wel mensen aan werk ziet. Logisch, rijst is belangrijk voor de bevolking, en omdat er veel mensen op Bali wonen wordt er dus overal rijst verbouwd. Vaak zijn deze rijstvelden klein omdat er altijd wel weer dorpjes of bebouwing zijn. Deze afwisseling maakt Bali op zich zo aantrekkelijk. Op de hellingen van de vulkaan Batukau in het midden/westen van Bali, met name bij het bergdorp Jatiluwih, vind je echter de meer uitgestrekte rijstterrassen. Hier is het nog ongerept. Je ziet hier kilometers ver de terrassen tegen de berg aan liggen. Aan de andere kant strekken zij zich tot de zee uit. Langs de weg zie je overal opslagplaatsen. Uiteraard is het mogelijk om tussen de rijstterrassen te wandelen, of gewoon over de weg van Jatiluwih naar Baturiti: je loopt dan ongeveer 15 km langs de fraai tegen de hellingen aangelegen terrassen. Dit is een werkelijk fascinerend landschap, en je raakt bijna in vervoering van dit groene en nog oorspronkelijke authentieke landschap met schitterende vergezichten. Dit gebied is minder toeristisch, het ligt dan ook wat afgelegen, en je loopt hier bijna alleen.

Bali, algemeen

In 2010 hebben we Bali nog eens bezocht. Voor ons verhaal en tips: zie Bali 2010.

Spanje

Lanzarote: Timanfaya, maanlandschap in Spanje

Lanzarote is behalve een aantrekkelijk eiland om lekker te relaxen aan één van de vele stranden landschappelijk gezien van een ongekende schoonheid en woestheid. Het eiland is vulkanisch en nergens komt dat beter tot zijn recht in het nationale park Timanfaya, in het midden van het eiland en over zeer goede wegen te bereiken. Dit bizarre maanlandschap mag niemand missen. In 1730 begonnen gigantische vulkaanuitbarstingen die maar liefst 6 jaar aanhielden. De gloeiende lava bedekte een gebied van 170 km2, dat vervolgens werd bedekt met een dikke laag vulkanische as. Je ziet hier 25 kraters en ongeveer 100 vulkaankegels. Tien dorpen werden destijds bedolven. Nu is het een bizar maanlandschap in de ware zin van het woord. Het uitzicht over de Montanas del fuego vanaf de route van de vulkanen (een rondje dat je met de auto kunt afleggen, maar ook per busje) is adembenemend. De bodem is zo heet dat je je handen onmiddellijk zou verbranden als je ze ook maar een paar cm onder de oppervlakte zou steken. Het park is geopend van 9 – 18 uur, wees er vroeg bij, want het kan druk zijn.

Lanzarote, Mirador del Rio

Helemaal op de uiterste noordpunt van Lanzarote ligt, te bereiken via een prima weg vanuit de “hoofdstad” Arrecife, het Mirador del Rio. Dit is één van de mooiste voorbeelden van hoe de op het eiland geboren kunstenaar César Manrique landschappelijke en kunstzinnige elementen met elkaar wist te verbinden. De kunstenaar heeft dat op veel plaatsen gedaan en zo onmiskenbaar zijn stempel op het eiland gedrukt. Rond het uitzichtpunt is een fraai gebouw neergezet, dat van binnen verrassend ruim en modern is, fraai vormgegeven door Manrique. De grootste attractie is desalniettemin het uitzicht zelf vanuit één van de zalen of vooral vanaf het terras. Je kijkt hier bijna 480 meter de diepte in. Onder zie je de verlaten zoutpannen van El Rio en de vijf eilandjes die vóór de ruige noordkust van Lanzarote liggen: La Graciosa, Montana Clara, Alegranza, Roque del Este en Roque del Ueste. Het uitzicht is fenomenaal in een bijzondere omgeving. Geopend van 10 -18 uur, er is een ruime parkeerplaats aanwezig.

Manrique (1919-1992) heeft er, vanuit zijn grote liefde voor het eiland en vanuit zijn opvatting dat natuur en kunst goed konden samengaan, voor gezorgd dat hier niet grootschalig voor het toerisme werd gebouwd. Slechts enkele gebouwen op het eiland zijn hoger dan 4 verdiepingen en dat komt dan omdat die werden gebouwd in een periode dat hij niet op het eiland verbleef. De gebouwen op het eiland moesten wit van kleur zijn en de kozijnen in groen, blauw of bruin worden geverfd. Ook was hij tegen grote reclameborden en die zul je dan ook nauwelijks aantreffen. Zo heeft hij een grote invloed gehad op de bescherming van de natuurlijke en culturele rijkdommen van het eiland. Mirador del Rio is één van de zeven toeristische centra die hij in opdracht van de regering tot stand heeft gebracht. Het rondtouren op Lanzarote is zo een verademing: alles heeft een oorspronkelijke mooie stijl en er is nauwelijks iets door het toerisme verpest.

Thailand

River Kwai spoorweg

In Thailand kun je overal uitstekend fietsen, maar over treinen door dit land hoor je niet zo veel. Een treinritje over de River Kwai spoorweg is echt aan te raden. Op het traject Bangkok – Nam Tok (bij de grens met Birma) ligt deze spoorwegverbinding die in de Tweede Wereldoorlog door krijgsgevangen is gebouwd, werkend onder erbarmelijke omstandigheden met vaak fatale afloop. Je kunt het hele traject Bangkok-Nam Tok doen (210 km), maar het is ook een geweldige ervaring om het stuk Kanchanaburi (133 km van Bangkok) naar Nam Tok te doen. In Kanchanaburi kun je eerst het oorlogskerkhof bezoeken (met ook veel graven van omgekomen Nederlanders), bijzonder aangrijpend en indrukwekkend. Vanaf het station doe je dan de rit richting de brug over de River Kwai. Piepend en krakend, soms langs steile afgronden, over bruggen op houten palen, beweegt het treintje zich voort. Bij de brug over de rivier Kwai is een station gebouwd en kun je even uitstappen (en zelfs een stukje over de brug lopen). De rit is spectaculair en –vanwege de historie van de spoorweg en brug- indrukwekkend!!

Logeren aan de “River Kwai”

Een aanrader is een verblijf van enkele dagen in de River Kwai Jungle Raft. Kleinschalig en gerund door de plaatselijke Mon-stam. De lodges drijven op de rivier de Kwai. Vanaf je platform heb je prachtig uitzicht over deze beroemde rivier, die traag door de jungle stroomt. Er is hier geen electriciteit, de muren zijn dun, maar het gevoel is er een van “terug naar de natuur”. In de omgeving kun je prachtige wandelingen maken langs de rivier, door de jungle en de Mon-dorpen, in een grote band de rivier afdrijven. De olifanten komen baden terwijl jij er vlakbij vanaf je balkonnetje naar kijkt. Het kan hier allemaal. De beroemde brug over de rivier Kwai ligt in de buurt. Gelegen op 60 km van Bangkok bij Kanchanaburi, richting grens met Myanmar, gemakkelijk te bereiken. Bij zonsondergang is het zicht op de rivier spectaculair mooi, evenals in de vroege ochtend. Erg leuk!

 Gambia

Janjanbureh: Mysterieuze stenen cirkels, brutale aapjes en ronde bedden

In het toeristische westen van Gambia is behalve het strand genoeg te zien en te doen, maar het is erg aan te raden ook het binnenland van Gambia te bezoeken, stroomopwaarts de Gambia rivier. Een leuke trip van enkele dagen is naar Janjanbureh, een paar honderd kilometer landinwaarts. Dit stadje heette in de koloniale tijd Georgetown. In het slaperige stadje kun je de vroegere slavenhuizen bezoeken, vanwaar de slaven – met velen opgesloten in een te krappe ruimte – naar verdere bestemmingen werden getransporteerd. Vlakbij liggen de mysterieuze Stone Circles van Wassau, Stonehenge-achtige stenen die op 1000-1500 jaar oud geschat worden en waarvan de herkomst nog altijd raadselachtig is. Je kunt overnachten in het Janjanbureh Camp, pal aan de indrukwekkende Gambia-rivier. Het is primitief, geen electra, kleine hutjes en je slaapt op ronde bedden. Een ervaring op zich. Je kunt hier uren naar de immense en traag voortstromende Gambiarivier kijken of een boottochtje maken. Langs kleine Afrikaanse dorpjes, waar de hele bevolking uitstroomt als de boot er aanmeert. Gambia staat niet bekend om zijn wildlife maar nijlpaarden komen hier voor. Verder bavianen en veel vogels. Bij het ontbijt is het spannend om te zien wie het eerst een stuk eten in zijn mond kan stoppen: jij of de brutale aapjes, die vanuit de bomen razendsnel langs je bord vliegen! Het geheel is te omschrijven als een laid-back tochtje, off the beaten track, door een stuk Gambia, dat authentieker en Afrikaanser is dan het drukke toeristische westen. Het tripje is te doen vanuit alle grote toeristische plaatsen. 

India

Deelstaat Karnataka: onbekend(er) maar prachtig!

Natuurlijk gaat bijna iedereen die naar India gaat naar het noorden (Rajasthan, Ladakh, Agra, Varanasi etc.) of juist het zuiden (Kerala) van India. Karnataka is één van de tien grootste deelstaten van India en heeft veel te bieden, maar blijft vreemd genoeg onderbelicht. Wij vonden het schitterend daar. Hampi b.v. is de vroegere hoofdstad van het Vijayanagar koninkrijk, de indrukwekkende ruines liggen verspreid over 26 km2 in een magisch landschap. In Bijapur staat een indrukwekkende moskee die qua grootte de vergelijking met de St.Pieter kan doorstaan. De Western Ghats is een prachtige bergrug met veel mooie natuur en er zijn talloze nationale parken (olifanten, tijgers, vogels). Bangalore is de (IT) hoofdstad. Misschien een goed alternatief als je veel van India al gedaan hebt of juist voor de eerste keer wilt bezoeken. Surf eens op www.karnatakatourism.org en je zult versteld staan!

Goa, paradijsje aan de Arabische Zee

Over Goa, de kleinste deelstaat van India, hoor of lees je niet zo veel. Is het te toeristisch of is het te weinig India? Het eerste is een beetje waar, het tweede niet. Deze voormalige Portugese kolonie is wel degelijk ook echt India. Van Goa’s stranden wordt gezegd dat ze de mooiste ter wereld zijn. Deze fraaie stranden en de relaxte sfeer oefenden in de zestiger jaren al aantrekkingskracht uit op hippies, ook nu nog is het een backpackersbestemming. Enkele stranden hebben een slechte naam gekregen vanwege beruchte house-feesten, maar zeker de stranden in het noorden (Palolem, Arambol), en in het zuiden, zijn paradijsjes. In het oosten bevinden zich de Western Ghats, fraai beboste bergen (de Dudhsagar waterval is 600 m hoog!). Verder is Goa vooral groen. In Old Goa vind je tien fraaie Portugese koloniale kerken. En…vanuit Goa zit je zo in grote buur Karnataka, dat veel te bieden heeft.

Goa, Dudh Sagar watervallen

Naar Goa gaan de meeste mensen vooral vanwege de stranden, een geweldige plek om te relaxen en “bij te komen” van je Indiareis. Toch loont het om ook hier niet alleen op het strand te blijven liggen. In het oosten van deze deelstaat, op de grens met buurstaat Karnataka, liggen de Dudh Sagar watervallen. Dit is een populaire wandel- en picknickplaats voor de locals.

Dudh Sagar betekent “zee van melk”. Je bereikt de watervallen, die paradijselijk zijn gelegen in het tropische woud op de hellingen van Western Ghatsbergen, via een wandeling van 15 minuten vanaf de weg. In de verte zie je het bovenste deel van de falls al, maar echt indruk maakt het als je aan de voet de falls staat. Daar zijn enkele poelen waar je in kunt zwemmen en dus via het water heel dicht bij de waterval zelf kunt komen. Je moet er wel wat geklauter voor over hebben, over stenen en rotsen. Ook voor de niet-zwemmers is het zicht adembenemend: de falls storten zich 603 meter langs de dicht beboste hellingen naar beneden. Zoals gezegd is dit ook een mooie picknickplaats. Kijk uit voor de aapjes die overal zitten te loeren. Ze zijn op de gladde stenen en rotsen sneller dan jij! In de omgeving zijn mooie trekkings te maken.

De beste tijd om de falls in hun volle glorie te zien is de moessontijd, van juli t/m oktober. Ze liggen 60 km van de steden Margao en Panaji. Hiervandaan is het 2 uur met de trein. Uitstappen in Kulem, 10 km van de watervallen. Uiteraard kun je ook gewoon een taxi vanuit Panaji nemen en dat is natuurlijk wat prijziger. De rit erheen voert door het begin van de Ghats, dus door een bergachtig landschap, en is alleen daarom al de moeite waard. Dudh Sagar, een paradijselijk plekje en een uitje voor de locals. En wat is er nu, behalve het natuurschoon natuurlijk, leuker om te zien hoe en waar de locals zich vermaken?

Maleisië

Jungle ervaring op Borneo

Een echte aanrader is enkele dagen de jungle van Maleisisch Borneo bezoeken. Vanuit de stad Sandakan vaar je in een paar uur over de Kinabatanganrivier naar Sukau. De Sukau Rainforest Logde waar wij verbleven is kleinschalig (slechts enkele gasten), schitterend aan de rivier gelegen (prachtig uitzicht) en tweemaal per dag wordt er over de rivier en zijrivieren door de jungle gevaren. Dit is overweldigend. Je ziet zeker de zeldzame neusaap (komt alleen hier voor), de Dutch Monkey vanwege zijn opvallend rode neus. Ook zie je orang oetans in het wild. De flora is prachtig. De bloedzuigers neem je op de koop toe!! De Sukau Rainforest Lodge is genomineerd bij de verkiezing tot Eco Lodge van het jaar (wereldwijde verkiezing).

Kota Kinabalu: Idyllische eilanden voor de kust van Borneo

Op enkele kilometers van de stad Kota Kinabalu, die in het midden van het Maleisische deel van Borneo ligt, liggen 5 prachtige idyllische eilanden die samen het Tunku Abdul Rachman Park vormen: prachtige bossen, mangroves en fijne zandstanden en een schitterende onderwaterwereld. De eilanden zijn beschermd gebied. Je kunt geweldig snorkelen en duiken of gewoon relaxen op een bountystrand. Het is een echte aanrader voor een perfecte dagtocht (of meerdere dagen), een half uurtje varen vanaf Kota Kinabalu. Op het populairste eiland Sapi moet je uitkijken voor de makaken en (grote) varanen: zij komen op eten af en kunnen agressief zijn. Deze eilanden zijn echt een geweldige plek!

Regenwoud en watervallen, even buiten Kuala Lumpur

Bij de toeristen nauwelijks bekend, die komen er eigenlijk niet, maar bij de locals een geliefd uitstapje vanuit de metropool Kuala Lumpur is het Kanching Rainforest Waterfall Park. De naam zegt het al: regenwoud en 7 schitterende watervallen, waarbij je beneden begint (eerste waterval) en na een aardige klim de zevende bereikt. Ook daarna kun je nog doorwandelen in de jungle. De trail is weliswaar klimmen, maar er is een stenen pad, het wandelt dus vrij comfortabel. In de weekenden is dit zoals gezegd het recreatiepark voor de stadsbewoners, maar juist tussen de locals is het leuk. Door de week is het rustig en aangenaam wandelen. Het houdt het midden tussen een stadspark en jungle, maar verder naar boven wordt het ongerepter. Leuk om een halve dag te doen als je in KL het meeste al gezien hebt. Te bereiken via Highway nr. 2 richting Ipoh, voorbij de Batu Caves richting Kuantan, het park ligt tussen Selayang en Rawang op ongeveer 30 km van downtown KL.

Pangkor Island

Pangkor eiland is een van die paradijselijke eilanden van Maleisie die nog redelijk onontdekt zijn en toch genoeg faciliteiten biedt aan de reiziger. De naam Pangkor is afgeleid van het Thaise Pang Ko, dat mooi eiland betekent. De 1216 m hoge Pangkor Hill domineert het tropisch weelderig begroeide eiland, zodat de wegen eigenlijk om het (kleine, 10 bij 15 km) eiland heen lopen. Het is hier nog heerlijk rustig. Er zijn diverse goede hotels en lodges en nergens struikel je over de toeristen. De sfeer is bijzonder relaxed. Er zijn prachtige idyllische baaien met schitterende bijna lege stranden (o.a. Coral Bay). Pangkor is te bereiken vanaf de stad Lumut, met de ferry (ongeveer 30 minuten varen). Kleinschaliger en rustiger dan grote broers Penang en Langkawi, maar absoluut zeker zo mooi, zo niet mooier!!

Tanzania

Arusha NP

In Kenia en Tanzania gaan de meeste mensen voor hun safaritrip naar de bekende parken, zoals Masai Mara, Serengeti, Ngorongoro en het iets minder bekende park Tarangire. Heb je de grote parken in Kenia en Tanzania gezien en heb je nog tijd over? Arusha NP (30 km oostelijk van Arusha richting Kilimanjaro) is veel minder bekend, maar ten onrechte. Het is kleiner, heel overzichtelijk, de natuur is afwisselender (heuvelachtig) en schitterend. Maar het is vooral heel erg rustig. Je kunt een wandelsafari maken onder begeleiding van een (gewapende, voor de gemoedsrust!) gids. Dit omdat met name buffels onberekenbaar kunnen zijn. Het is echter veilig en vooral relaxed wandelen en bijna zeker kom je midden tussen de giraffen te staan, een geweldige bijzondere ervaring. Verder veel apen, flamingo's etc. Wij hadden hier een perfecte dag.

Arusha: Logeren op een koffieplantage

Als je een paar dagen in Arusha bent, is de Coffee Lodge een aanrader van de eerste orde! De lodge ligt op een koffieplantage van 17 ha, je ziet de pluksters ook aan het werk. Op het terrein bevinden zich zo’n 18 privé houten luxe chalets, die stijlvol zijn ingericht in de sfeer en romantiek van vroegere plantagehuizen. Met een enorm balkon vanwaar je een prachtig uitzicht hebt op de plantage en Mount Meru, een hemelbed en een open haard is dit beslist genieten te noemen. Bij de Coffee Lodge hoort het Reds African Grill House, waar je uitstekend kunt eten. Uiteraard kun je hier veel verschillende soorten koffie proeven. Dit is echt verwennerij en even onthaasten. En, onnodig te zeggen, van hieruit kun je alle mooie parken van Noord-Tanzania doen, waarvan het nabij gelegen Arusha NP onbekend maar echt heel mooi is!

Zanzibar

Bij de meeste mensen zal Zanzibar een beeld oproepen van hagelwitte stranden en een bijna turquoise gekleurde zee en van het geboorte-eiland van de legendarische Freddie Mercury, wiens eigenlijke naam Farokh Bulsara is. Dit eiland komt steeds meer in trek als bestemming om helemaal bij te komen van de wildparken op het vasteland van Tanzania en Kenia. Op het eiland is echter ook veel te doen en te ontdekken.

Zanzibar (afgeleid van Zing-el-Barr = Arabisch voor “land van de zwarten”) ligt voor de kust van Tanzania, op bijna een uur vliegen van Arusha. Vanaf Dar es Salaam is het slechts 20 minuten vliegen. Het eiland is 100 km lang, 35 km breed en er wonen bijna 1 miljoen mensen. Zanzibar is een specerijeneiland: peper, kaneel, nootmuskaat. Maar wat je echt goed ruikt vanwege de sterke geur zijn de kruidnagelen. Het is een groen, vrij vlak eiland, waar de meesten leven van visserij, landbouw en in toenemende mate het toerisme. Het eiland heeft een lange roerige geschiedenis. Van de 17e tot 19e eeuw was het een overzees gebiedsdeel van Oman, het centrum van de slavenhandel ook. Er zijn verder Portugese, Perzische, Arabische invloeden en invloeden van het vasteland. In 1963 werd het zelfstandig en in 1964 ging men samen met Tanganiyka (Tanzania). Het eiland is overwegend islamitisch.

De hoofdstad Stonetown heeft koloniale gebouwen, mooie moskeeën en kronkelige straatjes waar het heerlijk dwalen is. Op Zanzibar komt de Zanzibarfranjeaap voor, die uniek is en dus alleen hier voorkomt. In het Jozana Forest Reserve (in het oosten) kun je de zeldzame Red Colobus aap tegenkomen. In de mangroven van het zuiden zie je de Kokosnootkrab: een flinke jongen die kokosnoten de boom in sleept om ze daar stuk te slaan. Bijzonder! Het Kiwengwa/Pongwe reservaat ligt op korte afstand van de stranden. Het is een mangrovegebied met veel vogels. Voor de zuidwestkust ligt Menai Bay: tropische vissen, zeegrassen, koraalriffen en mangroven. Met een Dhow (een traditionele houten zeilboot) kun je mooie tochten naar de eilandjes rond Zanzibar maken. Natuurlijk kun je een Spicetour maken en tot slot: de stranden aan de oostkust zijn echte droomstranden. De Masai werken hier als bewakers van hotels en dat levert voor de fotografen de mogelijkheid op om mooie plaatjes van deze prachtige mensen te schieten aan het strand. Genoeg te doen op dit onmiskenbaar tropische eiland. Meer info: www.zanzibartourism.net.

Venezuela

Warao indianen in de Orinoco delta

De delta van de rivier de Orinoco is zo groot als Nederland en bestaat uit (veel) water, mangrove en jungle. Een bezoek aan deze Delta is beslist de moeite waard. Het is een ongerept natuurgebied met veel wildlife, uiteraard ook piranha’s in de talloze zijwateren. In dit gebied leven de Warao indianen. Zij staan nog altijd dicht bij de natuur en leven van visvangst en jacht. Hun houten huizen zijn op palen gebouwd. Warao betekent kano en dat is heel toepasselijk hier. Zonder kano kom je eigenlijk nergens. Helaas rukt de moderne tijd hier ook heel langzaam op. Een deel van de Warao leeft nog traditioneel, een ander deel is door de regering van hun land onteigend wegens olievondsten. Grotendeels is het hier nog oorspronkelijk. Een bezoek aan de delta en haar indianen (waar je ook kunt overnachten) kan vanaf San José de Buja, 2 uur rijden vanaf Maturin, of vanuit Tucupita, dat veel zuidoostelijker ligt. Deze tours worden ook vanuit Isla Margarita aangeboden, dus wellicht een prima combi van dit vakantie-eiland met de jungle, delta en indianen van Noordoost Venezuela.

Noord Venezuela: Bijzondere vogelgrot

In de buurt van de grote stad Maturin in Noord-Venezuela ligt het dorpje Caripe, een prachtig hoog in de bergen gelegen dorpje, en weer 10 km van dat dorpje ligt de 'Cueva del Guácharo'. Deze grot is genoemd naar de hier levende bijna blinde vetvogel, de 'guacharo'. Deze dieren hebben het vermogen om voorwerpen te kunnen lokaliseren door zelf geluid uit te zenden en te luisteren naar de echo die wordt ontvangen door hun oor. Op die manier kunnen ze toch vliegen. In de grot wonen naar schatting zo’n 20.000 vetvogels. ’s Nachts zijn ze actief. Even vóór het invallen van de duisternis vliegen ze op hetzelfde moment allemaal naar buiten, op zoek naar eten (fruit, zaadjes). Het is een wonderlijk fenomeen om al die duizenden nagenoeg blinde vogels binnen enkele minuten naar buiten te zien vliegen. De lucht is even helemaal gevuld met de silhouetten van deze vogels. Wandelend in de grot (glad en glibberig!) hoor je overal om je heen de geluiden van de vogels, maar je ziet ze niet. Het geluid van de vogels werd gebruikt voor de film The birds van Hitchcock. Hier geldt: de sterkste wint, dus zwakke jongens vogels worden uit het nest gegooid en komen om op de grond. Heel soms zie je ze liggen. De grot werd destijds ontdekt door de Duitse wetenschapper von Humboldt. Caripe staat op het programma van enkele rondreizen (Baobab, Aap) maar het is wel zaak hier bij het uitkiezen van je reis op te letten. Niet te missen dit, een bijzonder en zeldzaam fenomeen!

Bonaire

Verrassende kant van Bonaire!

De frequente Bonaireganger weet het allang, of misschien juist niet. Want veel mensen komen naar Bonaire voor de zon, om te duiken of snorkelen. Dat kan hier uitstekend, maar Bonaire heeft meer. De hele noordkant van het eiland is een beschermd natuurgebied, Nationaal Park Washington Slagbaai. Twee voormalige plantages zijn sinds 1969 een nationaal park, dat op zijn minst verrassend mooi is te noemen. Het herbergt verschillende landschappen: duinen, zoutmeren en meer bergachtige delen. Naast wandelen, duiken, snorkelen is het bij uitstek een gebied om vogels te spotten (papegaaien, flamingo’s!), broeden er schildpadden, en komen er veel reptielen (leguanen) voor. Met de auto kun je twee routes volgen, waar je in een rustig tempo de hele dag over kunt doen. Je passeert prachtige baaien en mooie heuvellandschappen. Voor wie er vaker komt en het nog niet heeft gedaan, èn voor wie er ooit naar toegaat: dit mag je niet missen, het is een redelijke onbekende maar prachtige tropische verrassing! 
 

Ierland

Ierland op zijn best: Dingle (Corca Dhuibhne)

De grillige zuidwestkust van County Kerry in het zuidwesten van Ierland kent drie grote schiereilanden. Iveragh, met de beroemde Ring of Kerry, is het meest toeristisch en ook Beara, waar je de Ring of Beara kunt rijden, wordt steeds meer ontdekt. Het derde schiereiland is Dingle, dat nog nauwelijks bezocht wordt. Dit schiereiland is nog het echte pure Ierland, met de mooiste landschappen van het land.

Komend vanuit het zuiden begint Dingle bij de plaats Castlemaine, met de Slieve Mish Mountains op de achtergrond. Je rijdt een mooie weg langs de kust, met de zee diep beneden je. Ga ook eens het strand op. Het stand van Inch wordt wel gezien als het mooiste van Ierland. Verderop stijgt het naar wat grotere hoogte en heb je schitterende uitzichten. In de verte ligt de Brandon Mountain. De hoofdplaats Dingle (de Gaelic naam voor Dingle is net iets mooier: Daingean Uí Chúis) is een klein bruisend, kleurrijk stadje met een vissershaven. Hier en in Green Street, één van de drie hoofdstraten van het drukke centrum,vind je gezellige bars waar het goed vis eten is en waar je nog traditionele muziek hoort. Het stadje lag vroeger afgelegen, maar de weg erheen is tegenwoordig goed en het is dan ook goed bereikbaar. Ten westen van de stad kun je dan de echte Ring of Dingle doen. Dit levert je adembenemende landschappen en uitzichten op. Het is hier rustig, puur en ruig. De wegwijzers zijn vaak nog in het Gaelic, maar verdwalen zul je hier niet. Ook veel bewoners spreken deze oude taal nog. De weg langs de kust lijkt hier uitgehouwen te zijn in de heuvels, die tot aan zee doorlopen. Je rijdt met aan de ene kant de glooiende hellingen naar boven en aan de andere kant de korte steile helling naar zee. Een adembenemend ritje. Je wordt op de bochtige weg niet geacht te stoppen, maar overal zijn uitkijkpunten, zoals b.v. Slea Head. In het “binnenland” vind je oude forten, oud-christelijke kapelletjes, oude stenen met inscripties en de “bijenkorf-hutten”. Gallarus Oratory, daterend uit de 8e eeuw, is een mooi voorbeeld van oud-christelijke bouwkunst, in de vorm van een omgekeerde boot.

Dingle is Ierland op zijn best. Alsof er in eeuwen nog niets veranderd is. Voor een rondrit heb je wel bijna een dag nodig. Overnachten kan ook. Dingle-stad heeft veel uitstekende bed & breakfasts.

Garinish island: de subtropen in Ierland

Komend uit het zuiden, vanaf Bantry, heb je bij het plaatsje Glengarriff twee opties: rechtdoor over de bergen naar het toeristenstadje Kenmare of linksaf de Ring of Beara (overigens een aanrader).

De derde optie is nauwelijks bekend maar wel erg de moeite waard. En die is stoppen in Glengarriff en de oversteek maken naar het voor de kust gelegen eilandje Garinish. Het bootje vaart, in ieder geval in de zomer, ieder half uur. Het eiland Garinish werd door Harold Peto in 1910 omgetoverd in een exotische tuin. Hier wandel je, in alle rust, over dit bijna subtropische eiland. Door de warme golfstroom en de veengrond is hier een eigen microklimaat ontstaan waar de subtropische planten het goed doen. Er zijn vele tuinen, maar de trekpleister is de Italiaanse tuin. Je waant je hier in Toscane!

Over het eilandje wandelend heb je tussen de subtropische flora door mooie doorkijkjes op de ruige rotsen, woeste zee en de bergen die Bantry Bay omringen. Op dat moment besef je weer dat je in Ierland bent. De combinatie van deze echt Ierse uitzichten en een bijna subtropische wereld is een bijzondere. Op het hoogstgelegen deel van het eiland vind je een zogenaamde Martellotoren (ronde verdedigingstorens die in vroegere tijden veel op de Britse eilanden werden gebouwd). Voor ons was het een niet vermoede bijzonder mooie plek om te bezoeken. Onderweg van en naar het vasteland zie je overal zeehonden lui op de rotsen liggen. De boot vaart er erg dicht langs. Kosten: 10 euro voor de boot, 4 euro entree eiland, maar het is alleszins de moeite waard. Geopend van 1 maart tot 1 november.

St. Finians Bay: verborgen paradijsje aan het einde van Ierland

De Ring of Kerry is een rondweg over het schiereiland Iveragh van 180 km lengte en één van de bekendste toeristische attracties. De meeste toeristen zullen deze Ring in één dag doen. Halverwege de Ring, aan de meest westelijke punt bij Waterville buigen ze dan naar het noorden en oosten af. Daarmee gaan ze voorbij aan de Ring of Skelligs, die westelijk van Waterville begint. Je komt hier in een afgelegen gebied, waar weinig vreemden komen. Zo’n 20 km van de kust liggen hier de twee Skelligs eilanden. Twee rotsen die steil en bijna loodrecht uit zee oprijzen. Een paradijs voor veel trekvogels, waaronder de grappige puffin. Er gaan vanuit de hoofdplaats Portmagee en vanuit het even verderop gelegen dorp Ballinskelligs boottochten naar deze rotsen, bij goed weer tenminste, want de zee kan hier ruig zijn.

Even voorbij het piepkleine dorpje Ballinskelligs belandt je over een smalle kronkelende weg (je mag hopen dat je hier geen tegenliggers tegenkomt!) in St. Finians Bay. Dit kun je gerust een verborgen paradijsje noemen. Je waant je hier aan het einde van de wereld, en het is in feite ook zo ongeveer het einde van Ierland. Een schitterende omgeving! Je geniet hier van de stilte, de zee, de rotsen, de vogels, het mooie licht. Heuvels die tot aan zee naar beneden lopen, omringd door mistflarden. Het kan haast niet Ierser en dit is echt het ongerepte pure Ierland. Het geweldige bed and breakfast Beach Cove ligt hier met een prachtig uitzicht op de zee, rotsen en heuvels. Wij vonden het een echte “ontdekking”. Afgezien van een paar locals hebben wij bijna niemand hier gezien! Zo’n 10 kilometer verderop ligt Valentia Island, dat ook beslist de moeite waard is.

 

Myanmar

Wel/niet gaan

De discussie of je wel of niet naar Myanmar zou moeten gaan, willen we hier niet voeren. Eenieder moet dat uiteraard voor zichzelf afwegen. We hebben er in ons reisverslag al iets over gezegd. Het is wel goed om te weten, dat iedere extra boycot alleen de bevolking zelf treft: prijzen gaan omhoog, bevolking heeft minder te eten etc. Het regime zorgt wel dat ze zelf niets tekort komen. Deze mensen hebben ons nodig. Ze vragen waar de bezoekers blijven. Ze zullen je met open armen ontvangen.

 Gegevens over het land

Myanmar is qua oppervlakte het grootste land van Zuid-Oost Azië en grenst aan Bangladesh, China, India, Laos en Thailand. Het is ongeveer 20x Nederland, en telt ruim 50 miljoen inwoners. De grootste steden zijn: Yangon (4.5 mln), Mandalay (1.2 mln), Naypyitaw (930.000), Mawlamyine (440.000), Bago (250.000), Pathein (240.000), Monywa (185.000). De hoofdstad is sinds 7 november 2005 officieel het centraal gelegen Naypyitaw en dus niet Yangon, wat nog vaak gedacht wordt. 90% van de bevolking is boeddhistisch.

 Klimaat/beste reistijd

Myanmar heeft een tropisch moessonklimaat. Er zijn 3 seizoenen, het regenseizoen (van eind mei tot midden oktober), het koele droge seizoen (van eind oktober tot midden februari) en het hete droge seizoen van (eind februari tot midden mei). Een rondreis in het regenseizoen is niet aan te raden. Niet zelden staan hele streken en steden dan blank. Het koele seizoen is uitermate geschikt. Voor de Birmezen is dit de ‘winter’, maar het is dan meestal droog en zonnig, en de temperaturen liggen tussen de 25 en ruim 30 graden. Als je gaat, kun je dus het beste tussen 15 november en maart gaan. In het hete seizoen (ons voorjaar) lopen de temperaturen zeer hoog op, 40 – 45 graden is geen uitzondering, ook minder geschikt dus voor een bezoek.

 Vervoer

Rechtsteeks vliegen naar Myanmar is, voor zover wij weten, niet mogelijk. Je neemt een vlucht naar b.v. Kuala Lumpur of Bangkok en stapt daar over naar Yangon. Totale vliegtijd bedraagt 15 tot 16 uur.

Het is aan te raden om ook in Myanmar zelf van tijd tot tijd een vlucht te nemen. De wegen zijn bijzonder slecht en je doet er vaak langer over dan gedacht. Voordeel is wel, dat je iets meer van het land ziet als je over de weg gaat. Maar de afstanden zijn groot. De trein van Yangon naar Mandalay is misschien wel een avontuur, maar niet echt een pretje. Het beste kun je met Air Bagan vliegen: prima toestellen en service, en veilig. Dat is bij andere maatschappijen allemaal wat minder (niet aan te raden dus).

Hoe kun je het beste het meest interessante van Myanmar zien? De meeste bezoekers doen het bekende rondje: Yangon, Inlemeer, Kalaw, Mandalay, Bagan, Yangon. Op deze route gelden geen reisbeperkingen, daarbuiten kunnen ze wel gelden. Als je wat meer tijd hebt kunnen we Nagapali Beach (vliegen naar Tandwe) aanraden en daarna ook zeker Sittwe en Mrauk U, beide in de Rakhinestaat.

 Visum aanvragen

Een visum aanvragen moet je zeker op tijd doen. De afhandeling kan soms enkele weken duren. Wij hebben de Visumdienst in Breda benaderd. Website: www.CIBT.nl. Op maandag kregen zij onze aanvraag binnen, op woensdag (2 dagen later) kregen we te horen dat de visa op vrijdag zouden worden afgegeven. Wat ook gebeurde. Binnen een week een visum. Visumdienst is ook nog eens completer in de informatie: zo staat er bij Visumburo niet vermeld dat een kopie van het e-ticket en een verklaring werkgeschiedenis moet worden meegezonden, iets wat wel degelijk noodzakelijk is! Overigens veranderen de voorwaarden steeds, dus stel je bij de Visumdienst op de hoogte van de laatste voorwaarden.

Hoe je reis regelen?

Als je van plan bent naar Myanmar te reizen, zijn er grofweg drie mogelijkheden om dat te organiseren. Je kunt met een volledig geregelde rondreis mee, die door diverse Nederlandse reisorganisaties worden aangeboden en je kunt helemaal op de bonnefooi (vlucht naar Yangon, ter plekke een chauffeur inhuren en wel zien waar je heen wilt rijden). Een tussenvorm is zelf je route en programma van te voren bepalen en dit vervolgens laten regelen door een lokale tourorganisatie.

Wij hebben voor deze tussenvorm gekozen. Van te voren hebben we een globale route/programma vastgesteld en vervolgens is dit aan de touroperator voorgelegd via de mail. In ons geval: Exotissimo in Yangon. Na afloop van de reis kunnen we zeggen dat dit een uitstekende organisatie met een goede prijs/kwaliteitverhouding en uitstekende service. Wat we hebben afgesproken is tot in de puntjes geregeld en geleverd. Het voordeel van een dergelijke aanpak is dat je zelf je route kunt uitkiezen en hoe lang je ergens wilt blijven, hoe je vervoer en verblijf wordt geregeld. Daarbij kun je steeds aangeven wat je zelf wilt regelen (ter plekke) en wat niet. Een tour op maat dus. Vluchten en sommige hotels kun je zo van te voren regelen, transfers b.v. niet omdat het gemakkelijker is dat zelf ter plekke te doen.

Exotissimo heeft voortreffelijk werk geleverd. Zij zijn uiteraard deskundig, kennen alle mogelijkheden en zullen je er ook op wijzen dat een bepaalde volgorde of route niet logisch is of niet in één dag kan worden gedaan, of dat het aan te raden is ergens langer of juist korter te blijven. Je kunt je voorkeur voor hotels opgeven etc. De chauffeurs die Exotissimo in dienst heeft zijn goede ervaren en vriendelijke chauffeurs, die bereid zijn af te wijken van de route als je dat wenst. Jij zegt het, zij leveren het. Maar wel met zekerheden ingebouwd. Exotissimo biedt zelf ook standaardpakketten aan, maar als je jouw eigen route doorgeeft is dat dus zeker te regelen; eigenlijk is weinig niet mogelijk. Je kunt natuurlijk ook ter plekke je wensen doorgeven, maar dan zou het een paar dagen kunnen duren voordat het rond is.

Wij kunnen Exotissimo van harte aanbevelen. www.exotissimo.com. Adres: Exotissimo Myanmar, Main Office Yangon,#0303, Sakura Tower, 339 Bogyoke Aung San Street, Kyauktada Township, Yangon, MYANMAR. Ze regelen overigens ook je rondreis voor Cambodja, Thailand, Indonesië, Laos en Vietnam.

 Geld wisselen

Geld wisselen is een verhaal apart. In Myanmar kan niet gepind worden en men werkt er niet met travellercheques. Je moet al je geld contant meenemen en wel in dollars. Let wel: alleen dollars en geen andere munt, en de biljetten moeten absoluut onbeschadigd en nieuw zijn, anders worden ze niet geaccepteerd. Het is handig om van te voren een mapje met plastic zakjes er in aan te schaffen, waar de biljetten veilig in opgeborgen kunnen worden, zodat ze niet beschadigd kunnen raken. Je dollars inwisselen voor ‘kyats’ op straat is mogelijk. Er lopen in Yangon veel wisselaars op straat, die je zeker zullen aanspreken, maar het is niet echt aan te raden. Vaak gaat het bij het wisselen mis en krijg je te weinig biljetten. Zie ons verhaal: Change money op de pagina Myanmar. In hotels kan goed gewisseld worden. Overigens kun je op veel plaatsen gewoon in dollars betalen, zeker de hotels, grote restaurants, entrees etc. Wissel dus een deel van je geld regelmatig om in kyats (dat kan in Yangon, Inlemeer, Mandalay) en behoud voor een deel je dollars.

 Specifieke tips:


Indein

Indein ligt maar 10 kilometer van het Inlemeer af en is te bereiken door een smal kanaal vanaf het meer, zo’n drie kwartier varen. Vreemd genoeg zit dit vaak niet in de standaard boottripjes, die dagelijks over het meer gemaakt kunnen worden. Het zou net te ver zijn of te veel tijd kosten. Toch mist de bezoeker wel iets, als hij Indein overslaat. Het bezoek hoeft niet meer dan twee uur extra te kosten en is vaak best in te passen in het programma. Indein herbergt een overweldigend aantal stupa’s en ruines, in allerlei staten van verval.  Je bootje legt even vóór het dorp aan. Je volgt de weg een klein stukje langs het kanaal, langs de markt, de fraaie houten brug over en dan rechts af. Daar begint een lange overdekte trap naar de top van een heuvel, naar de Shwe Intein Pagoda. Boven gekomen zie je honderden stupa’s, dicht op elkaar gebouwd. Maar veel mooier is het om, voordat je de trap opgaat, links achter het dorp te gaan. Daar ligt Nyaung Oak. Ook hier vind je honderden ruines, de één nog wat meer vervallen dan de ander. Ze zijn soms overwoekerd door bomen en struikgewas. Het is hier puur natuur en een beetje ruig terrein, dus hier en daar moet je je echt door het struikgewas worstelen of wat klauteren. De sfeer is hier bijna surrealistisch, het is stil (geen mens te zien) en de ene na de andere ruïne nodigt je uit om eens beter te bekijken. Sommige hebben nog prachtige ornamenten met mooi uitgesneden afbeeldingen van mythische dieren. Andere zijn bijna helemaal overwoekerd door de wortels van bomen. In die zin doet het een klein beetje aan Angkor Wat denken.

Een mystieke prachtige plek, die geschiedenis en een wat onwerkelijke sfeer uitademt. Terug bij de overdekte trap kun je, als je boven bent geweest, op de terugweg - aan wat dan je linkerkant is - de trap al snel verlaten en langs een kreek terug naar het dorp wandelen. Hier zie je in een bosachtige omgeving het echte authentieke dorpsleven: vrouwen doen de was in het riviertje, kinderen spelen en komen nieuwsgierig naar je toe en mannen wassen hun buffels in het water. Indein was voor ons één van de hoogtepunten van het Inlemeer.

 Bagan, The moon

Het eten in Myanmar is op zich best te doen, maar niet bepaald gevarieerd. Meestal zul je het moeten doen met rijst en kip, of rijst en vlees. Voedzaam, maar eentonig. Een welkome, en erg aangename verrassing, is het restaurant The Moon in Old Bagan.Het is een vegetarisch restaurant, en volgens ons één van de beste van Bagan, misschien wel van heel Myanmar. Wij zijn geen die-hard vegetariërs, we lusten best een stukje vlees, maar dit restaurant bewijst dat je zonder vlees voortreffelijk kunt eten.

The Moon ligt nog juist binnen de oude stadspoort van Old Bagan, vlakbij de beroemde en fraaie Anandatempel. Het is niet te missen. Een groot bord bij het restaurant meldt de tekst: “Be kind to animals”, en behalve dat dit volgens ons een vanzelfsprekendheid is, geeft het aan dat je het hier eens moet gaan proberen. The Moon is niet zo groot, het biedt plaats aan ongeveer twintig mensen. Het voordeel is, dat hier geen grote (luidruchtige) groepen kunnen plaats nemen, en dat de service en aandacht persoonlijk zijn. Er is een verrassend grote keus aan vegetarische gerechten, soepen, en vele vruchtensappen en vruchtenlassis. Alles wordt vers bereid en er is iedere dag een special of the day. De guacamole met pappadum (een papierdun brood) is een specialiteit van The Moon. Je likt je vingers er bij af. En uiteraard kost het bijna niets. Voor een paar dollars waanzinnig lekker eten, het kan. Bij The Moon. Zeker doen!

The Moon Vegetarian Restaurant, North of Ananda temple, Old Bagan, ☎ 061-60481

 Yangon, de beste plek om de Shwedagon te fotograferen

Op straat lukt je het nergens, de enorme Shwedagon pagode in zijn geheel op de foto te krijgen. Veel verkeer, bomen, hoge gebouwen. De mooiste plek is de rooftop van het Summit Parkviewhotel. Bij de pagode (op het grote Peoples Square) ga je in zuidwestelijke richting de Ahlone Street op. Na ongeveer 1 km ligt het hotel dan aan je linkerhand. Loop gewoon naar binnen, langs de receptie en neem de lift naar de 6e verdieping. Rechtsaf (bordje Roof volgen) en de trap op. Dan sta je op het dakterras. Beter uitzicht kun je niet hebben. Dat geldt voor de hele dag, maar vooral ’s avonds tegen zonsondergang (pl. 17.45 uur) en daarna. Als je hier logeert vraag dan een kamer met zicht op….Wij hadden de gordijnen open en niets zo mooi als ’s nachts in je bed naar de verlichte gouden pagode kijken, en ’s morgens vroeg als je je ogen opendoet natuurlijk! Logeer je hier niet, en men houdt je aan, dan zeg gewoon waarvoor je komt. Zullen ze zeker geen bezwaar tegen hebben!

 Offeren op een idyllisch eilandje

Op een uurtje rijden van Yangon ligt Kyauktan, dat door toeristen nauwelijks wordt bezocht. Misschien omdat het vrij onbekend is of omdat men tijd te kort heeft. Toch is het Kyauktan tempelcomplex, dat idyllisch midden in de Bagorivier is gelegen, de moeite waard. Zeker in de maand december, als het “donation-time” is. Ofwel: in deze maand komen talloze pelgrims en monniken naar dit eilandje om te offeren. Wij hadden het geluk er in december te zijn. Aan de oever van de rivier is het een hectisch gebeuren: honderden, zo niet duizenden pelgrims wachten op het bootje om naar de overkant gebracht te worden. Verkopers van wierook, bloemen en visvoer (er zwemmen enorme meervallen om het eilandje heen, die gevoerd kunnen worden) dringen zich door de menigte heen. Als het je is gelukt een plekje in één van de gammele bootjes te bemachtigen, word je in twee minuten naar de overkant gevaren. Trappen vanuit het water (deze zijn door het water en modder erg glad, dus oppassen!) leiden je naar het fraaie tempelcomplex. Al wandelend over het eilandje proef je een bijzonder speciale devote sfeer. Het eilandje is volgebouwd met Boeddhistische bouwwerken, het een nog mooier dan het andere. De sfeer is gezellig, vredig en relaxed. Monniken lachen, maken graag een praatje met je en gaan met je op de foto. Kortom, het is hier prima en gezellig vertoeven tussen de vele locals, voor wie dit ook een bijzonder uitje is. Op de terugweg naar Yangon (dat 40 km noordelijker ligt) kun je halverwege in de - verder niet interessante - stad Thanlyin de Kyaik-kauk-pagode bezoeken. Hij lijkt op zijn grotere broer, de Shwedagon in Yangon. Twee enorme leeuwen bewaken de trap. Er is een lift omhoog, maar aan buitenlanders wordt daarvoor een paar dollar gevraagd, dus gewoon lekker langs de trappen omhoog gaan! Een mooi uitstapje als je in Yangon bent uitgekeken en, zoals gezegd, zeker in de maand december!

 Het vergeten gebied van Sagar

De meeste reizigers draaien bij de zuidkant van het Inlemeer weer om, richting Nyaung Shwe. Sinds kort is het echter mogelijk om van hier uit nog verder naar het zuiden te gaan. Je komt hier in een lange tijd vergeten gebied rond Sagar. Dit gebied was autonoom; de centrale regering had hier lange tijd niet zo veel te vertellen en ook vandaag de dag wordt de streek gecontroleerd door de Pa O. Je krijgt op deze tour één of twee Pa O mensen mee. Een verplichte escorte dus. Daar heb je overigens geen last van, integendeel.

Waar het Inlemeer in het zuiden ophoudt, vaar je over de Beluo Chaungrivier richting Loikaw. Aan weerszijden zie je het landelijke leven, slaperige dorpjes, bamboebossen, vriendelijk zwaaiende mensen. Je waant je honderd jaar terug in de tijd. Op de achtergrond van dit idyllische rivierlandschap zie je de altijd wazige blauwachtige bergen. Na drie uur varen kom je in Sagar, ook wel Samkar genoemd. Hier tref je prachtige tempels en tempelruïnes aan, vaak half overwoekerd door de jungle. De sfeer is hier haast magisch te noemen, wat nog wordt versterkt door het feit dat je hier bijna zeker helemaal alleen rond loopt. Een prachtplek, die indruk zal maken.

Meestal bezoek je daarna nog een Pa O dorpje, waar je met de dorpelingen aan de palmwijn gaat. Op en bij de rivier zie je veel migrerende vogelsoorten. Dit gebied ademt de sfeer uit van een vergeten en gesloten gebied, wat in feite ook zo was. Ook nu nog is het bijzonder authentiek en fotogeniek. Het tourtje is zeker in Nyaung Shwe te boeken, als je er naar vraagt. Aangeboden worden zal het niet snel omdat de meeste Birmezen er van uitgaan dat je het Inlemeer wilt doen. Je hebt een speciale permit nodig, die eenvoudig onderweg voor je geregeld wordt (hier stapt ook de Pa O-escorte in je boot).

Voor ons een verrassende ontdekking!

 Een droomstrand en droomresort in Birma

Ngapali Beach heeft alles in zich om een droomstrand te zijn. Het is een aanrader voor een wel heel relaxte afsluiting van je Birmareis, of als aangenaam tussendoortje. Wat maakt Ngapali zo bijzonder? Het zijn vooral de bijna lege witte stranden, het heldere warme zeewater, de ruisende palmbomen en de verstilde vissersdorpjes die achter die palmbomen verscholen aan het strand liggen. Rust is hier het magische woord. Rust overheerst hier.

Ngapali is een strook strand van zeven kilometer lang, even ten zuiden van de stad Thandwe, aan de Golf van Bengalen. De beste manier om er te komen is per vliegtuig. Het is 1,5 uur vliegen vanaf Yangon en 2 uur vanaf Mandalay.

Ngapali staat voor de Birmezen zelf synoniem voor het toppunt van romantiek. Hier worden de speelfilms met dramatische liefdesverhalen opgenomen. Hier geen schreeuwerige cafe’s of disco’s, geen opdringerige verkopers, geen massatoerisme. Op het strand staan hier en daar ligbedden, waarvan de meesten meestal niet eens bezet zijn. Hier lopen de locals langs, sjouwend met hout voor het bereiden van het avondeten, kinderen, vrouwen met fruit op hun hoofd. En verder is er de stilte en de warme zon.

In het dorpje Mya Pyin, in feite niet meer dan wat huisjes en kleine restaurantjes langs een zeer rustige weg, bevinden zich enkele goede resorts. Eén wil ik er uitlichten: het Amata Beach Resort. Dit resort is luxueus te noemen. Direct aan het strand, met een mooie tuin, fraaie houten boardwalks en onder architectuur gebouwde, fraai gestyleerde, houten huizen voor de gasten. Er zijn goede internationale restaurants. En ook hier weer volop rust en privacy.

Wij vonden Ngapali één van de mooiste stranden die we ooit bezocht hebben en Amata één bijzonder aangenaam resort, waar het op en top genieten is. De prijs voor een superior room is 110 USD, omgerekend 78 euro. Dat lijkt misschien veel, maar je krijgt er een fantastisch verblijf voor terug. Wij vonden het dit geld dubbel en dwars waard. Dit is overigens de prijs die je betaalt als individueel boekende gast. Als je dit boekt via een travel agency, b.v. Exotissimo in Yangon betaal je er minder voor en korting ter plaatse is ook altijd te proberen.

Een ongerept droomstrand en een droomresort: het bestaat, in Birma. Neem alvast een kijkje op: http://www.amataresort.com/

 Kandawgyi park, go where the locals go

Het Kandawgyipark rond het gelijknamige meer is één van de groene longen van “tuinstad” Yangon. Het ligt ongeveer een kilometer ten oosten van de Shwedagonpagode. Kandwagyi betekent koninklijk meer. Het is een kunstmatig meer, dat is aangelegd door de Engelsen. Het water wordt aangevoerd vanaf het noordelijker gelegen Inya Lake. Het is in omtrek ongeveer 8 kilometer en gemiddeld ongeveer 500 meter breed. Om het meer heen ligt het Kandawgyi Nature Park.

Kandawgyi is een verademing na de hectiek van downtown Yangon. Het is een geliefde recreatieplek voor de inwoners van Yangon en hier ervaar je hoe de lokale bevolking ontspant en recreëert, wat het vooral tot een mooie gelegenheid maakt om een kijkje te nemen in het gewone leven van de Yangonezen en met hen in contact te komen. Families en stelletjes wandelen door dit mooie park, er zijn kinderspeelplaatsen en picknickplaatsen.

In het meer ligt het imposante Karaweikschip, zo genoemd omdat de voorkant van het schip de kop van de mytische vogel Karaweik uitbeeldt. Het herbergt een duur Chinees restaurant en het is een opvallend beeldbepalend object in het park. Het is bedekt met dun laagje goud. Het restaurant schijnt van wisselende kwaliteit te zijn.

Veel beter is het om neer te strijken op een terras (aan het water) van één van de vele eenvoudige eetgelegenheden. Aan de horizon in het westen verheft de Shwedagonpagode zich met een gouden glans boven alles uit en weerspiegelt mooi in het water van het meer. Vooral tegen zonsondergang heb je kans op fraaie foto’s. In de zuidwesthoek van het park ligt de dierentuin, in het noorden vind je het Bogyoke Aung Sanpark, genoemd naar de nationale held van Birma. Daar staat ook zijn standbeeld. Het is hier heerlijk en rustig rondwandelen en vooral rondkijken. Onze taxichauffeur keek vreemd op toen wij hem vertelden naar dit park te willen. Blijkbaar komen hier niet veel buitenlandse bezoekers. Ik kan het aanraden.

 Onbekend Monywa

Monywa is een snel groeiende handelsstad, die ongeveer 135 ten westen van Mandalay ligt, aan de Chindwinnrivier. De stad, die sinds de negentiger jaren is opengesteld voor buitenlandse bezoekers, krijgt weinig bezoekers, wat zou komen door het gebrek aan accommodatie. Toch is de stad en omgeving erg de moeite waard om te bezoeken.

Wat de accommodatie betreft: er zijn inderdaad maar een paar hotels. Wij logeerden in het Win Unity, een uitstekend hotel, iets ten westen van de stad. Er tegenover is een erg smakelijk Chinees restaurant. Monywa is goed te doen als stop op de route Mandalay-Bagan. De weg van Mandalay naar Monywa is van goede kwaliteit.

10 km ten oosten van de stad ligt de Sambuddha-kat-kyawpagode. Hij werd in de jaren 1939-1951 gebouwd dankzij giften van de bevolking voor “de lijdende mensen in de wereld”, aan wie de verdiensten van deze goede daad werden overgedragen. Als je het bouwwerk ziet zullen het, hoewel er veel lijdende mensen in de wereld zijn, vooral de arbeiders zijn geweest die onder de bouw hebben geleden. Het is een indrukwekkende bouwwerk, misschien wel wat “over de top”. Sommigen zullen het als kitsch beschouwen, anderen weer als kunst. Een prestatie van formaat is het in ieder geval. 470 pagodes telt dit enorme bouwwerk en meer dan een half miljoen (!) boeddhabeelden.

Even verderop vind je bij de Bodhi Tahtaungpagode de grootste liggende Boeddha ter wereld: zo’n 90 meter lang. Ernaast bevindt zich een staande Boeddha. Ik weet niet hoe hoog deze is, maar ik schat hem ook op ongeveer 90 meter.

Aan de westkant van de stad bevinden zich op 25 km afstand de Hpowindaung en Shwebadaung grotten. Hier zijn in de rotsen nissen en kleinere grotten uitgehakt waarin je Boeddhabeelden en kleurrijke wandschilderingen vindt.

Het is beslist de moeite waard om op je route Mandalay – Bagan (Pakkoku, het laatste stukje naar Bagan is leuk om per boot te doen) de stad Monywa voor een dag en een nacht in te plannen.

 Sagaing, talloze gouden pagodes op groene heuvels

In het gebruikelijke rondje omgeving van Mandalay, te weten Mingun, Inwa, Amarapura en U Beinbrug, is er vaak net niet genoeg tijd voor Sagaing. Heel ten onrechte.

Sagaing is de hoofdstad van de divisie Sagaing met ongeveer 190.000 inwoners. In de 14e eeuw was deze stad 50 jaar lang de hoofdstad van heel Birma. Het is niet zozeer de stad zelf die zo de moeite waard is, maar de omgeving, Sagaing Hill. Sagaing Hill ligt 20 km ten zuidwesten van Mandalay, aan de andere kant van de rivier Ayeyarwaddy. Een oude brug met 16 bogen uit 1934 overspant de rivier, maar even verderop ligt een gloednieuwe brug. Het gebied is dus vrij eenvoudig en snel vanuit Mandalay te bereiken.

Sagaing Hill is één van de belangrijkste religieuze centra van het land. Er zijn 600 kloosters en honderden pagodes. Zelfs de meest fervente liefhebber zou hier wat moedeloos van worden!

Er zijn drie pagodes die je in ieder geval niet moet missen. De Sun U Ponnya Shin staat boven op een berg, maar is gemakkelijk per auto te bereiken. Van hieruit heb je een prachtig uitzicht op de heuvels rond Sagaing, waar de pagodes zo talrijk zijn dat het lijkt alsof ze als gras omhoog zijn geschoten uit de groene heuvels: overal zie je de wit/goudgele pagodes, groot en klein. Oogverblindend in een prachtig landschap. Het uitzicht op de Ayeyarwadyrivier is adembenemend en de rust is overweldigend. Wij hebben hier bijna niemand gezien. De twee andere must-see pagodes zijn de Umin Thounzeh paya, waar je in een halve cirkelvormige arcade 45 zittende boeddha’s ziet, heel indrukwekkend, en de Kaung mudaw paya uit 1636, de beroemdste pagode van Sagaing Hill. Eerlijk gezegd behoren zeker de laatste twee pagodes tot de mooiste die we in Myanmar gezien hebben.

 Marokko

Meknes

Van de vier koningssteden in Marokko lijken Fes, Marrakech en Rabat –terecht- veel aandacht te krijgen, maar vreemd genoeg geldt dat (bijna) niet voor Meknes. Komt dat omdat de stad gewoon wordt overgeslagen, of wordt de stad wel bezocht, maar vindt men het niet de moeite waard? Beide opties doen deze schitterende oude stad geen recht, integendeel: Meknes heeft zeker zoveel te bieden als de andere drie genoemde steden.

Onder Moulay Ismael is Meknes eind 17e eeuw uitgegroeid tot een grote stad met tegenwoordig 550.000 inwoners. Met veel energie en ongeduld liet deze sultan in sneltreinvaart poorten, muren, paleizen en moskeeën bouwen. Aan de grootsheid van deze gebouwen valt te zien dat Meknes een historisch belangrijke stad is. Ook hier weer ligt de oude stad (de medina en de koningsstad) apart van de nieuwe (20e eeuwse) stad. De stadsmuren en de poort Bab Mansour (door sommigen gezien als de mooiste van Marokko) zijn indrukwekkend. Op het immense plein Place-el-Hadime heerst altijd een gezellige drukte. Ook het Bassin de l’Águedal is de moeite waard: het werd door de eerder genoemde Moulay Ismael aangelegd om de hele stad van drinkwater te voorzien. Het bassin waar je om heen kunt wandelen is dan ook enorm.

Maar de aantrekkelijkheid van Meknes zat hem voor ons vooral in de oude medina, waar het opvallend rustig was en je volkomen ongestoord kunt rondwandelen. De medina is niet groot, 1 km van noord naar zuid en zo’n 700 meter van west naar oost (maar verdwalen kan desondanks ook hier!). Een heerlijke authentieke sfeer en erg weinig toeristen. Veel minder dan in Marrakech en Fes (in die volgorde) in ieder geval. Ik vond deze medina nog erg puur en zeker zo aantrekkelijk dan de veel meer bezochte eerder genoemde twee. Je kunt je in Meknes met gemak een dag vermaken, genieten en je verbazen. Nabij Meknes ligt, de N13 zo’n 25 km naar het noorden volgend, het stadje Moulay Idriss, spectaculair gelegen op 2 rotsen. Door de nauwe straatjes wandel je naar boven en hebt een schitterend uitzicht op deze stad en zijn omgeving. Mooi meegenomen als je toch in Meknes bent.

Moulay Idriss

Moulay Idriss wordt nauwelijks door toeristen bezocht, en mag als een goed bewaard publiek geheim worden beschouwd. Deze stad, met 12.000 inwoners, ligt verscholen aan de voet van het Atlasgebergte. Moulay Idriss is een heilige stad. In deze plaats kreeg de Islam lang geleden als eerste voet onder de grond in dit land, en de stad kan dus gezien worden als de bakermat van de Islam in Marokko. De stad is als twee versterkte forten op twee heuvels gebouwd. Deze ligging moest vroeger bescherming bieden tegen nomadische zwerfvolkeren uit de woestijn (Berbers). De twee heuvels zien er vanaf een uitzichtpunt, even buiten de stad, uit als twee kamelenbulten. Tegen en op de heuvels ‘geplakt’ is deze witte stad met haar vele moskeeën werkelijk schitterend gelegen. Lange tijd was de stad verboden voor niet-moslims, maar zelfs toen dit niet meer het geval was, bleef de mythe dat niet-moslims hier niet welkom waren, lang in stand. Toeristen zie je hier dan ook nog steeds maar mondjesmaat. Dat is in zekere zin een ‘zegen”. In de nauwe straatjes naar boven is gemotoriseerd verkeer onmogelijk en de ezel en handkar hebben het hier dus voor het zeggen.

In tegenstelling tot bijvoorbeeld Fes wordt je hier als westerling niet ‘lastig gevallen’ en kun je ongestoord en in alle rust dwalen, en vooral klimmen!, door dit labyrinth van straatjes, waar in honderden jaren nauwelijks iets veranderd is.

Boven aangekomen wordt je beloond met een fenomenaal uitzicht over de stad en omgeving (ook de Romeinse ruinestad Volubilis is te zien). In het midden, in het ‘dal’ tussen de twee ‘kamelenbulten’ ligt het graf van de sultan Moulay Idriss, de stichter van de stad Fes, met zijn opvallende groene dakpannen en de minaret met groene tegels, waarop koranverzen staan. Het is een lust om door de nauwe straatjes te dwalen, maar ook beneden aan de voet van de berg is het helemaal Marokko-oude-stijl: er is een levendige markt waar je je ogen uitkijkt.

Mouylay Idriss ligt 27 km ten noorden van Meknes en is over een goede weg (N13) te bereiken. Als je na de stad de eerstvolgende binnendoorweg van Volubilis naar Nzala des Beni Ammar neemt, heb je een prachtig vergezicht op de stad en omringende bergen. Deze niet meer verboden, maar wel ietwat verstopte, stad is de kleine moeite van een omweg méér dan waard.

Essaouira

Het massatoerisme heeft hier nog niet toegeslagen, integendeel. Essaouiara (70.000 inwoners), op 180 km ten westen van Marrakech aan de Atlantische Oceaan gelegen, is een opvallend relaxte stad. Voor wie het moe is om voortdurend te worden aangesproken, zal dit een verademing zijn. Je wordt hier met rust gelaten en je wandelt dan ook bijzonder rustig door de fraaie oude medina, over de oude stadswallen of over het brede zandstand, waar altijd een windje staat. De sfeer is er hier een van rust en genieten. Zonder aarzelen durf ik dit één van de mooiste plekjes van Marokko te noemen.

Het is een aanrader om tegen het vallen van de avond in de vissershaven rond te wandelen. Er heerst een geweldige sfeer hier aan de haven: vissers maken hun vis schoon, verkopers die het verkopen. Er ligt afval en honderden meeuwen zwermen hier boven. Tegen het decor van de invallende duisternis, de laatste gloed van de ondergaande zon en de donkere vestingtoren vliegen de silhouetten van de meeuwen, soms rakelings, over en langs je heen. Een surrealistisch beeld. Het is genieten van deze sfeer. Dat geldt ook voor de sfeer in de stad. Op het grote plein vóór de ingang van de medina verzamelt zich nagenoeg de hele stad. Niemand blijft hier ’s avonds in huis zitten. Het plein is de grote ontmoetingsplek: kleine kinderen rennen joelend rond, ze spelen of voetballen, groepjes vrouwen zitten op de muurtjes en kletsen met elkaar, de baby’s naast zich, de mannen hebben blijkbaar zaken te doen. Er wordt gerelaxed, gesocialized en de sfeer is ontspannen. Heerlijk om hier rond te wandelen, om wat te eten op het terras of gewoon op het muurtje langs de zee te gaan zitten kijken naar wat er gaande is.

Essaouira, niet overslaan! Voor ons was dit de slagroom op het Marokkotoetje.